Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

Zoekresultaten 11-20 van de 11789 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:194 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1286

    Klacht tegen psychiater/psychotherapeut. Klager en verweerster waren destijds collega’s bij een stichting die geestelijke gezondheidszorg verleent. Verweerster heeft na dossieronderzoek in het kader van de klokkenluidersregeling een melding gedaan bij de stichting over de dossiervoering en het declaratiegedrag van klager. Klager verwijt verweerster in deze tuchtzaak dat zij onbevoegd medische dossiers heeft ingezien van cliënten met wie zij geen behandelrelatie had, dat zij geen toestemming heeft gevraagd aan klager – de behandelverantwoordelijke – om de dossiers in te zien en dat zij heeft geweigerd in gesprek te gaan met klager over de melding. Het Regionaal Tuchtcollege heeft bij een voorzittersbeslissing de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:174 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3890

    Ongegronde klacht tegen een internist. De internist was één van de behandelaren van de 19-jarige zoon van klaagster, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. Volgens klagers heeft de internist ondanks de allergie van de zoon voor dit middel barnidipine voorgeschreven en, geen rekening houdend met het angio-oedeem van de zoon, besloten tot afbouw van de prednison. Daarnaast heeft er geen warme overdracht plaatsgevonden toen de internist met vakantie ging. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college is van oordeel dat de internist juist heeft gehandeld door barnidipine voor te schrijven. Er is onvoldoende gebleken dat bij de zoon sprake zou zijn van een allergie voor deze stof. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Wat betreft het stopzetten van de prednison oordeelt het college dat de internist op grond van het medisch dossier en de huidige situatie van de zoon terecht heeft besloten om de prednison af te bouwen. De prednison, die oorspronkelijk was voorgeschreven voor het nefrotisch syndroom, droeg niet meer bij aan de medische situatie en behandeling van de zoon. Een verband tussen het recente begin van de afbouw van de prednison en het angio-oedeem met overlijden tot gevolg is niet komen vast te staan. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:170 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3888

    Ongegronde klacht tegen een internist-nefroloog. De internist was één van de behandelaren van de 19-jarige zoon van klaagster, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. Klagers verwijten de internist dat hij zoon en zijn moeder onvoldoende heeft geïnformeerd en geen toestemming van zoon heeft verkregen om de dialyselijn te plaatsen. Daarmee zou het zelfbeschikkingsrecht van de zoon geschonden zijn. Verder wordt de internist verweten dat hij bij het plaatsen van de dialyselijn het verkeerde materiaal heeft gebruikt en dat hij daarna onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de op hem rustende zorgplicht en regiefunctie. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college overweegt dat hoewel uit gespreksopnames die tijdens het inbrengen van de lijn zijn gemaakt het duidelijk is  dat de zoon bang was voor het inbrengen van de dialyselijn, niet de conclusie kan worden getrokken dat er geen toestemming was en/of dat de gegeven toestemming voor het plaatsen van de dialyselijn later is ingetrokken. Hoewel de procedure voor de zoon emotioneel verliep, kan het college niet vaststellen dat zijn zelfbeschikkingsrecht is geschonden. Ongegrond. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:193 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1335

    Klacht tegen plastisch chirurg. Tegen klager (ook plastisch chirurg) is bij een geschillencommissie een klacht ingediend. De geschillencommissie (meervoudige kamer) heeft geoordeeld dat klager tekort is geschoten in de informatievoorziening jegens zijn patiënt en dat aan de patiënt een schadevergoeding moet worden betaald. De plastisch chirurg maakte als lid deel uit van de geschillencommissie. De klacht ziet op het handelen van de plastisch chirurg als lid van de geschillencommissie. Klager verwijt dat de plastisch chirurg zich niet heeft gehouden aan de normen die voor hem als deskundige gelden. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht terecht niet-ontvankelijk. 

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:154 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3571

    Ongegronde klacht tegen arts-assistent. Klaagster verwijt de arts-assistent dat zij naar aanleiding van een telefonisch consult op twee onderdelen onjuiste aantekeningen in haar dossier heeft gemaakt.. Het college oordeelt dat de eerste aantekening in de context van andere aantekeningen in het dossier niet onjuist is. De tweede aantekening was een evidente vergissing zonder behandelconsequenties waarvoor de arts-assistent haar excuses heeft aangeboden. Het college acht dit onvoldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:155 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3298

    Klacht tegen neuroloog deels gegrond zonder oplegging van maatregel. De klacht heeft onder meer betrekking op het onderzoek door beklaagde en de door hem gestelde diagnose functionele dystonie. Een van de klachtonderdelen betreft het verwijt dat beklaagde, ondanks een verzoek daartoe van klager, geweigerd heeft de diagnostiek inzake functioneel uit zijn dossier te verwijderen. De klacht is in zoverre gegrond. Het betreft hier een expliciet verzoek om vernietiging waarop artikel 7:455 BW van toepassing is. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat beklaagde op dit verzoek heeft gereageerd. Ook blijkt niet dat klager zijn verzoek niet langer handhaafde. Beklaagde had daarom aan dit verzoek gehoor moeten geven. Door dit niet te doen heeft beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Voor het overige is de klacht ongegrond. De gegrondverklaring is mede gebaseerd op geldende rechtspraak van het CTG over selectieve vernietiging van een dossier op verzoek van een patiënt (ECLI:NL:TGZCTG:2021:61). Omdat deze rechtspraak op het moment van handelen van beklaagde nog geen volledige duidelijkheid bood, legt het college geen maatregel op.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:169 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4177

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij haar onheus heeft bejegend waardoor zij zich tijdens het consult ongemakkelijk en niet veilig heeft gevoeld. Dat het verloop van het consult minder gebruikelijk is geweest blijkt uit het medisch dossier. Dit zegt echter niets over hetgeen zich heeft afgespeeld tijdens het consult. Het college kan niet vaststellen hoe het consult is verlopen. De klacht over het medische beleid is eveneens ongegrond. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.Kennelijk ongegronde klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij haar onheus heeft bejegend waardoor zij zich tijdens het consult ongemakkelijk en niet veilig heeft gevoeld. Dat het verloop van het consult minder gebruikelijk is geweest blijkt uit het medisch dossier. Dit zegt echter niets over hetgeen zich heeft afgespeeld tijdens het consult. Het college kan niet vaststellen hoe het consult is verlopen. De klacht over het medische beleid is eveneens ongegrond. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:191 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021.059

    Klacht van oogarts tegen collega-oogarts. Klager werkte in een maatschap oogheelkunde in een ziekenhuis. In de samenwerking met de andere maten zijn op enig moment problemen ontstaan, omdat de overige maten vonden dat er bij klager sprake was van disfunctioneren. Uiteindelijk heeft klager de maatschap verlaten. Verweerster was een van de oogartsen in die maatschap. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht, omdat er geen sprake is van een concreet eigen belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat klager deels niet-ontvankelijk is op grond van verjaring en acht de klacht verder onvoldoende feitelijk onderbouwd.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:192 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1461

    Klacht tegen verzekeringsarts. Klaagster heeft de verzekeringsarts verzocht om in het kader van een beroepsprocedure tegen een beslissing van het UWV over haar WIA-uitkering een onafhankelijke expertise op te stellen. De verzekeringsarts heeft aan dit verzoek voldaan en heeft eerst onderzoek uitgevoerd. Hij heeft daartoe een deel van het medisch dossier van klaagster bestudeerd en heeft, gelet op de toen geldende coronabeperkingen, klaagster via videobellen gesproken. Op basis hiervan heeft hij zijn rapportage uitgebracht. Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij 1) op onzorgvuldige wijze een rapportage heeft opgesteld en 2) haar onheus heeft bejegend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel 1 alsnog gegrond en legt aan de arts de maatregel van waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:188 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021.056

    Klacht van oogarts tegen collega-oogarts. Klager werkte in een maatschap oogheelkunde in een ziekenhuis. In de samenwerking met de andere maten zijn op enig moment problemen ontstaan, omdat de overige maten vonden dat er bij klager sprake was van disfunctioneren. Uiteindelijk heeft klager de maatschap verlaten. Verweerster was een van de oogartsen in die maatschap. Klager heeft eerder tegen verweerster een tuchtklacht ingediend. Het Regionaal tuchtcollege heeft deze tuchtklacht toen afgewezen. Klager heeft tegen die beslissing geen beroep ingesteld. Na verloop van de beroepstermijn is deze beslissing onherroepelijk geworden. Klager heeft vervolgens opnieuw een tuchtklacht ingediend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager op grond van ne bis in idem niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht. Het Centraal Tuchtcollege beslist ook dat klager niet-ontvankelijk is, maar wel op deels andere gronden.