Zoekresultaten 1-10 van de 1890 resultaten

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:53 Raad van Discipline Amsterdam 25-496/A/NH

    Verzet ongegrond; er hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:54 Raad van Discipline Amsterdam 25-736/A/A

    Raadsbeslissing; klacht over de dienstverlening van de eigen advocaat ongegrond. Dat de werkzaamheden van verweerder onder de maat zijn geweest, is de raad niet gebleken. Evenmin heeft de raad kunnen vaststellen dat verweerder zich onvoldoende partijdig heeft opgesteld voor klager.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:55 Raad van Discipline Amsterdam 25-788/A/NH

    Raadsbeslissing; ongegronde klacht van één van drie verdachten in een strafzaak over de dienstverlening van verweerder in de piketfase. Gelet op de beperkte kennis waarover verweerder in de piketfase beschikte en de grote tijdsdruk waaronder hij moest handelen, kon verweerder in redelijkheid tot het oordeel komen dat geen sprake was van een tegenstrijdig belang, noch van een voorzienbaar risico daarop (geen schending gedragsregel 15). In de omstandigheden van dit geval, waarbij verweerder kortstondig in het weekend piketbijstand heeft verleend, niet over contactgegevens van klaagster beschikte en waarbij hij zijn bijstand na het weekend meteen overdroeg aan een andere advocaat, valt het in tuchtrechtelijke zin evenmin aan te rekenen dat verweerder niet schriftelijk heeft bevestigd dat hij zijn bijstand aan de medeverdachten met klaagster heeft besproken (geen schending gedragsregel 16 lid 1).

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:56 Raad van Discipline Amsterdam 25-688/A/A

    Raadsbeslissing; gegronde klacht over de advocaat wederpartij. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door onduidelijkheid te laten bestaan over de hoedanigheid waarin hij optrad (schending gedragsregel 9), door derden te betrekken in e-mailcorrespondentie waar zij geen betrokkenheid bij hebben en door zich tot tweemaal toe tot de rechtbank te wenden zonder gelijktijdige toezending van die berichten aan de advocaat van klagers (schending gedragsregel 21 lid 1). Gelet op de ernst en aard van dit handelen en gezien de omstandigheid dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, is een waarschuwing passend.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:71 Hof van Discipline 's Gravenhage 250213

    Bekrachtiging. Klacht niet-ontvankelijk. Verweerster heeft de ex-echtgenote van klager bijgestaan in de echtscheidingsprocedure tussen klager en zijn ex-echtgenote. Klager kan zich niet vinden in de manier waarop verweerster de echtscheidingszaak heeft behandeld, omdat zij volgens klager niet bereid was om tot een minnelijke oplossing te komen. Daarover heeft klager een klacht ingediend (klachtonderdeel a). De klacht houdt verder in dat declaraties van verweerster voor de door haar verleende rechtsbijstand vanuit één of meerdere B.V.’s zijn betaald. De raad heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard. De raad heeft overwogen dat klachtonderdeel a niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend, en dat klager door klachtonderdeel b, voor zover de klacht al juist zou zijn, niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:51 Raad van Discipline Amsterdam 26-065/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in nalatenschapskwestie. Verweerder heeft in het verzoekschrift in duidelijke en niet mis te verstane bewoordingen de standpunten van zijn cliënten naar voren gebracht. De voorzitter begrijpt dat klager zich door de inhoud van het verzoekschrift en de daarin gedane uitlatingen over zijn persoon beledigd voelt, maar is van oordeel dat van onnodig grievende uitlatingen geen sprake is geweest. De uitlatingen zijn gedaan in de context van een verzoekschriftprocedure over de schorsing dan wel het ontslag van klager als executeur-testamentair van de nalatenschap van de moeder van partijen. In dat kader stond het verweerder vrij om de standpunten van zijn cliënten te formuleren zoals hij dat heeft gedaan op grond van de informatie die hij voor dat doel van zijn cliënten heeft gekregen. Klager kan tegen de gebruikte informatie en de daarop gebaseerde standpunten van zijn broer en zus verweer voeren in de verzoekschriftprocedure en het is uiteindelijk aan de civiele rechter om daarover te oordelen. De klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:72 Hof van Discipline 's Gravenhage 250178

    Bekrachtiging. Waarschuwing. Verweerder is de advocaat van klagers wederpartij in een civiele kwestie. Daarin gaat het - kort gezegd - om de vraag of de donorovereenkomst die klager en zijn wederpartij hebben gesloten op een rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen. Op een bepaald moment heeft verweerder klager in die kwestie gedagvaard. Verweerder heeft de zaak uiteindelijk niet voor de rechter gebracht. Klager vindt dat verweerder door hem te dagvaarden, en vanwege de inhoud van de dagvaarding en de gang van zaken daarna, tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht bestaat uit vijf onderdelen. De Raad van Discipline heeft de klacht op één onderdeel, ten aanzien van het rauwelijks dagvaarden van klager door verweerder, gegrond verklaard. De andere vier klachtonderdelen heeft de raad ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:52 Raad van Discipline Amsterdam 25-519/A/A

    Tussenbeslissing; verzet gegrond; zaak wordt voor nader onderzoek terugverwezen naar de deken.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:59 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-592/AL/OV

    Verzetbeslissing. De raad verklaart het verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:32 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-842/DB/OB

    Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Niet gebleken van overtreding van de gedragsregels 15, 9 en 25. In zoverre ongegrond. Wel heeft verweerster onjuistheden gepresenteerd tijdens het bemiddelingsgesprek bij de deken. In zoverre gegrond. Verweerster heeft daarmee in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit in de zin van artikel 10a Advocatenwet. De raad rekent verweerster dit handelen in strijd met de kernwaarde integriteit zwaar aan. Gelet op de aard van het gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijt acht de raad een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee weken passend en geboden.