Zoekresultaten 23301-23350 van de 47604 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2017:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 305/2016

    Klacht tegen orthopedisch chirurg, na een rugoperatie waarbij klager een dwarslaesie heeft opgelopen. Het college acht de klachten over de informatieverstrekking ten aanzien van de risico’s van en alternatieven voor de operatie gegrond. De overige klachten (over de indicatiestelling voor de operatie, de verslaglegging, de wijze waarop de operatie is uitgevoerd, het niet betrekken van een neurochirurg bij de operatie en verdere behandeling, het achterwege blijven van een calamiteitenmelding bij de IGZ, de verstrekking van het medisch dossier en de verklaring die de arts in het kader van een voorlopig getuigenverhoor heeft afgelegd) acht het college ongegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2017:97 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2016/462T

    Klaagster verwijt de tandarts dat hij haar onvoldoende heeft voorgelicht over de gevolgen en de risico's van de extractie van twee verstandskiezen en bovendien dat hij inadequaat heeft gereageerd op haar klachten, te weten prikkelende sensaties in de tong. De klacht heeft voorts betrekking op de dossiervoering. Ongegrond

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2017:141 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 022/2017

    Klacht tegen gz-psycholoog. Gz-psychologe was werkzaam in Tbs-kliniek en behandelde daar X. Na omzetting van dienst TBS met dwangverpleging in TBS met voorwaarden en tegen het einde van het dienstverband van de gz-psycholoog met de kliniek, ontstaat een affectieve (seksuele relatie met X. Naar het oordeel van het college heeft verweerster geen of onvoldoende rekenschap gegeven van de noodzakelijke terughoudendheid en toetsbare opstelling die van haar verwacht had mogen worden. Berisping.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:229 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.444

    Klacht tegen een verpleegkundige. Samengevat heeft klager gesteld dat de verpleegkundige in ernstige mate is tekortgeschoten ten aanzien van de behandeling van klager bij de GGZ-instelling in een vrijwillig kader. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager in alle onderdelen ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. Het Centraal Tuchtcollege overweegt onder meer dat het onjuist declareren door de verpleegkundige niet verwijtbaar is.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:128 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-265

    Voorzittersbeslissing: naar het oordeel van voorzitter bestond geen rechtsplicht voor verweerder om aan klager rechtsbijstand te verlenen. Niet is gebleken dat verweerder daarbij onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld of dat verweerder discriminatoir gedrag zou hebben vertoond. Klachtonderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2017:83 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1727

    IGZ verwijt gynaecoloog dat hij gedurende de behandelrelatie een persoonlijke en seksuele relatie met patiënte is aangegaan; dat hij heeft nagelaten informatie over de door hem geleverde zorg over te dragen aan de behandelaren van patiënte en onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn dossierverplichting. Volgens verweerder was er geen sprake meer van een behandelrelatie. Behandelrelatie hervat. Bij het maken van de echo’s handelde verweerder in zijn hoedanigheid van arts en voerde een handeling op het gebied van de geneeskunst uit. Echo’s en daarmee samenhangende consulten zijn niet opgenomen in het medisch dossier. De resultaten zijn niet doorgegeven aan de afdeling verloskunde waar patiënte onder behandeling was. Schorsing voor de duur van één jaar waarvan zes maanden voorwaardelijk met proeftijd 2 jaar. Publicatie.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:223 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.040

    Klaagster is door collega’s van de chirurg, verweerster, geopereerd aan een littekenbreuk. Verweerster heeft klaagster wegens een geïnfecteerde mat opnieuw geopereerd en vervolgens nog een keer wegens een recidief hernia en nog een keer om de mat te verwijderen. Klaagster stelt dat zij nu een opgezette, pijnlijke, verminkte en lelijke buik heeft. Zij verwijt verweerster verder: 1) dat zij aan verweerster heeft gemeld dat zij allergisch is voor plastic maar dat verweerster daarover niets in het medisch dossier heeft genoteerd. Verweerster heeft in 2014 toch een plastic mat geplaatst, waarna ontstekingen zijn ontstaan, 2) dat door een andere arts is geconstateerd dat bij een eerder door verweerster verrichte operatie een stuk geïnfecteerde darm is weggehaald waarover klaagster niet is geïnformeerd, 3) dat verweerster de door haar verrichte operaties niet goed heeft uitgevoerd. Zij heeft onder andere nagelaten de mat vast te zetten met tackers en te hechten aan het peesblad, en 4) dat verweerster klaagster onvoldoende inzicht heeft gegeven in het medisch dossier. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Klaagster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:217 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.044

    Een door een arts, ontwikkeld - niet volgens wetenschappelijke standaarden getest - homeopathisch middel is in Kenia ingezet als aidsremmer. Er zijn vragen gesteld in de Tweede Kamer en de Minister heeft een onderzoek gelast. De Inspectie verwijt verweerder: 1. dat hij bij het onderzoek met hiv-patienten, dat door hem mede is geïnitieerd en waarover is gepubliceerd, fundamentele rechten van kwetsbare patiënten onvoldoende in acht heeft genomen. Hierbij is in strijd gehandeld met de Verklaring van Helsinki (versie 2004) en de zorg die verweerder had behoren te betrachten. Verweerder en zijn homeopathische collega hebben een actieve rol gespeeld bij het uitvoeren van het onderzoek. De rechten van de Keniaanse patiënten zijn niet gewaarborgd geweest en niet is gebleken dat er een protocol voor de studie in Kenia was opgesteld. Er is geen studieopzet voorgelegd aan een ethische toetsingscommissie (in Kenia) en er is geen risicoanalyse verricht; 2. door uitlatingen op internet over (de werking) van dit homeopathische middel onterecht de indruk c.q. het vertrouwen te hebben gewekt dat dit middel een (tijdelijke) vervanger zou zijn voor de daadwerkelijk wetenschappelijk bewezen medicatie. Hiermee wordt in strijd gehandeld met de KNMG gedragsregel “De arts en niet reguliere behandelwijzen”. Een (BIG-) arts moet altijd eerst wijzen op het belang van reguliere behandelwijzen en de patiënten hiervan niet afhouden; 3. dat hij in zijn Nederlandse praktijk onvoldoende invulling geeft aan de verzwaarde informatie- en dossierplicht die op grond van de onder 2 genoemde KNMG gedragsregel op hem als alternatief arts rust. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen en de publicatie gelast. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing m.b.t. de ongegrond verklaring van het eerste klachtonderdeel, verklaart het eerste klachtonderdeel alsnog gegrond, legt de arts de maatregel van waarschuwing op en gelast de publicatie. Voor wat betreft de klachtonderdelen 2 en 3 sluit het Centraal Tuchtcollege zich aan bij het oordeel in eerste aanleg.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:129 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-225

    Voorzittersbeslissing: klaagster is de buurvrouw van de cliënte van verweerster. Tussen klaagster en de cliënte van verweerster heeft zich een incident voorgedaan. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster met de term ‘vernieling’ in haar brief van 20 juni 2016 geen onjuiste beschrijving gegeven van de feitelijke situatie dat klaagster een ruit in de voordeur van haar cliënte kapot heeft gemaakt, ook niet indien dit niet opzettelijk zou zijn gebeurd, zoals klaagster stelt. Een algemene verplichting tot beantwoorden van e-mails door een advocaat bestaat niet. Klachtonderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:230 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.478

    Klacht tegen een bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft klaagster gezien in het kader van verzuim – en re-integratiebegeleiding ingevolge de Wet Verbetering Poortwachter. Zij klaagt samen met haar echtgenoot. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klagers deels niet-ontvankelijk en wijst de klacht af voor het overige. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:224 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.045

    Door de aangeklaagde arts is een niet volgens wetenschappelijke standaarden getest,homeopathisch middel,in Kenia ingezet als aidsremmer. Er zijn vragen gesteld in de Tweede Kamer en de Minister heeft een onderzoek gelast. De Inspectie verwijt verweerder: 1. dat hij bij het onderzoek met hiv-patienten, dat door hem mede is geïnitieerd en waarover is gepubliceerd, fundamentele rechten van kwetsbare patiënten onvoldoende in acht heeft genomen. Hierbij is in strijd gehandeld met de Verklaring van Helsinki (versie 2004) en de zorg die verweerder had behoren te betrachten. Verweerder en zijn homeopathische collega hebben een actieve rol gespeeld bij het uitvoeren van het onderzoek. De rechten van de Keniaanse patiënten zijn niet gewaarborgd geweest en niet is gebleken dat er een protocol voor de studie in Kenia was opgesteld. Er is geen studieopzet voorgelegd aan een ethische toetsingscommissie (in Kenia) en er is geen risicoanalyse verricht; 2. Dat door uitlatingen op internet over (de werking) van dit homeopathische middel onterecht de indruk c.q. het vertrouwen te hebben gewekt dat dit middel een (tijdelijke) vervanger zou zijn voor de daadwerkelijk wetenschappelijk bewezen medicatie. Hiermee wordt in strijd gehandeld met de KNMG gedragsregel “De arts en niet reguliere behandelwijzen”. Een (BIG-) arts moet altijd eerst wijzen op het belang van reguliere behandelwijzen en de patiënten hiervan niet afhouden; 3. dat hij in zijn Nederlandse praktijk onvoldoende invulling geeft aan de verzwaarde informatie- en dossierplicht die op grond van de onder 2 genoemde KNMG gedragsregel op hem als alternatief arts rust. De door de Inspectie onderzochte patiëntendossiers zijn in een aantal gevallen door verweerder aangevuld met de letters i.c. (informed consent). Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen en de publicatie gelast. Het Centraal Tuchtcollege, vernietigt de beslissing m.b.t. de ongegrond verklaring van het eerste klachtonderdeel, verklaart het eerste klachtonderdeel alsnog gegrond, legt de arts de maatregel van waarschuwing op en gelast de publicatie. Voor wat betreft de klachtonderdelen 2 en 3 onderschrijft het Centraal Tuchtcollege het oordeel in eerste aanleg.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:218 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.101

    Klacht tegen kaakchirurg. Klager is bekend met een obstructief slaapapneusyndroom (OSAS). Hij verwijt verweerder (kaakchirurg) dat hij de bij klager uitgevoerde operatie (osteotomie) niet goed heeft uitgevoerd, met als gevolg dat klager een tweede operatie heeft moeten ondergaan. De klacht houdt - meer specifiek - in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat: 1. verweerder klager voorafgaand aan de operatie niet goed heeft ingelicht door aan te geven dat de (slaap)problemen van klager na de operatie verdwenen zouden zijn; 2. verweerder de operatie op 23 mei 2012 niet goed heeft uitgevoerd, waardoor klager twee jaar onnodig klachten heeft gehad en een tweede operatie heeft moeten ondergaan; 3. verweerder klager achteraf verwarrend en onvolledig heeft geïnformeerd. Het RTG heeft de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard en de klacht afgewezen. Het CTG neemt dit oordeel over en overweegt daarbij dat uit niets is gebleken dat klager de inhoud van hetgeen voorafgaand aan de operatieve ingreep met hem is besproken niet heeft begrepen, nu klager ter zitting heeft verklaard dat de kaakchirurg hem voorafgaand aan de operatieve ingreep geen garantie op het volledig verdwijnen van zijn klachten heeft gegeven en klager bovendien heeft verklaard over voldoende informatie te hebben beschikt, onder andere door het raadplegen van een Franstalige website.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:231 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.064, 065 en 066

    Klachten tegen gz-psycholoog. Klaagsters zijn het Leger des Heils en twee jeugdbeschermingsinstellingen. De klachten zien op de wijze waarop verweerder onderzoek doet en rapporteert over de opvoedkwaliteiten van ouders en de relatie tussen ouders en kinderen. Klaagsters achten zowel het onderzoek als de wijze van rapporteren onder de maat. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van klaagsters oordeelt het Regionaal Tuchtcollege dat deze zijn te beschouwen als rechtstreeks belanghebbenden nu klaagsters de kinderen die door de inhoud van de rapporten geraakt worden vertegenwoordigen. Voorts verklaart het Regionaal Tuchtcollege de klachten gegrond en beveelt, rekening houdend met eerder aan verweerder opgelegde maatregelen ter zake van hetzelfde onderwerp, doorhaling van de inschrijving, schorst het bij wijze van voorlopige voorziening de inschrijving van verweerder en gelast het publicatie van de beslissing. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van verweerder en gelast publicatie van de beslissing. De maatregel van doorhaling blijft derhalve gehandhaafd.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:225 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.046

    Klager is tandarts en heeft bij een Zorgverzekeraar een machtiging gevraagd voor een voorgenomen behandeling van het melkgebit (zuigflescariës) van een jong patientje onder medicinale sedatie. De aanvraag van klager is gedaan in het kader van de Zorgverzekeringswet waarbij de medische adviseurs bepalen of een bepaalde behandeling onder het verzekerd pakket valt. Verweerder, tandarts, is medisch adviseur en het verzoek van klager is beoordeeld onder zijn verantwoordelijkheid. In de reactie op het verzoek van klager wordt onder meer aangegeven dat de zorgverzekeraar niet meer akkoord gaat met een behandeling onder Midazolam, omdat er teveel onzekerheid is over de veiligheid van het gebruik van dit middel. Klager verwijt verweerder zakelijk weergegeven: 1. gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing. Noch de IGZ, noch het college ter beoordeling van geneesmiddelen, noch Lareb rapporteren onzekerheid over Midazolam. Alleen in het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde heeft een discussie plaatsgevonden over een beperkte intraveneuze toepassing. x 2. onvoldoende kennis: ondanks de brede richtlijn sedatie schrijft verweerder dat de beroepsgroep geen eenduidige richtlijn heeft opgesteld; 3. het ongevraagd delen van de correspondentie van klager met alle adviserende tandartsen van alle Nederlandse zorgverzekeraars; 4. kartelvorming om klager “aan te pakken”; 5. dat een bepaalde brief ten onrechte niet aan het dossier van de machtigingsaanvraag is toegevoegd. Het RTG heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in de klacht. Het CTG is van oordeel dat klager niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65 lid 1 onder a van de Wet BIG. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:219 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.386

    In een periode van een half jaar heeft verweerster, tandarts, bij klager verschillende behandelingen uitgevoerd ter verbetering van de toestand van het gebit van klager. Klager verwijt verweerster dat zij onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld door: 1. hem voorafgaand aan de behandeling onvoldoende te informeren, 2. tot tweemaal toe een ondeugdelijke brug aan te bieden, als gevolg waarvan klager langdurige klachten heeft ondervonden en 3. onvoldoende nazorg te bieden. Het RTG heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het RTG en voegt daaraan toe klager met zijn in beroep overgelegde 'second opinion' niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de derde brug ondeugdelijk is geplaatst, of dat de tandarts anderszins onzorgvuldig heeft gehandeld. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:232 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.078

    Klacht tegen psychiater die volgens klager zonder aanleiding en zonder overleg met klager een rechterlijke machtiging heeft aangevraagd. Psychiater heeft de procedure om een rechterlijke machtiging aan te vragen na overleg met collega’s en de geneesheer-directeur echter niet in gang gezet, nadat hem uit telefonisch contact met klager bleek dat hij niet bereid was mee te werken aan een onderzoek (ten behoeve van de aanvraag van de rechterlijke machtiging) van een onafhankelijk psychiater. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Volgens het Regionaal Tuchtcollege kan niet worden gesteld dat de psychiater onzorgvuldig of met andere intenties dan zijn zorgen over klager heeft gehandeld. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:226 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.070

    De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat de aangeklaagde tandarts onzorgvuldig heeft gehandeld doordat hij de brug op element 47 heeft beschadigd tijdens de behandeling op een specifieke datum. Het RTG heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het RTG en voegt daaraan toe dat de wijze waarop de tandarts de kies van klaagster heeft verwijderd, de lezing van de tandarts dat de beschadiging van de brug op element 47 niet het gevolg is van de behandeling aannemelijk maakt.

  • ECLI:NL:TACAKN:2017:48 Accountantskamer Zwolle 16/2720 Wtra AK

    Advocaat die ook accountant is. Norm: Het al dan niet in rechte innemen van (civielrechtelijke) standpunten door een als advocaat werkzame accountant in business, die namens een cliënt procedeert en/of daarmee samenhangende handelingen verricht, in het kader van de door een accountant in acht te nemen fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit ‑ behoudens bijzondere omstandigheden ‑ niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt kan leiden. Van zulke bijzondere omstandigheden is onder meer sprake indien geoordeeld zou moeten worden dat een door een accountant (als advocaat) ingenomen standpunt bewust onjuist of misleidend ‑ en dus te kwader trouw ‑ blijkt te zijn of naar zijn aard bezien door een objectieve, redelijke en goed geïnformeerde derde, die over alle relevante informatie beschikt, zal worden opgevat als (in de terminologie van de VGBA) het accountantsberoep in diskrediet brengend. In dit verband kan ook het beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid zijn geschonden, te weten in een geval waarin de betrokkene weliswaar niet bewust onjuist of misleidend een standpunt heeft ingenomen, maar haar/hem wel in sterke mate verweten kan worden een onjuist of misleidend standpunt te hebben ingenomen. In onderhavige casus: grotendeels ongegrond en deels niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:220 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.486

    Klacht tegen arts. Verweerder was destijds zo nu en dan werkzaam als inrichtingsarts en heeft klager, destijds gedetineerd, eenmaal op het spreekuur gezien. Klager verwijt verweerder dat hij geen actie heeft ondernomen op klachten en symptomen die zouden kunnen wijzen op een darmtumor terwijl hij wist, althans had moeten weten, dat klager bekend was met het Lynch syndroom. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het beroep van klager slaagt. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond, legt aan de arts een waarschuwing op en gelast publicatie van de beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:233 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.075

    Klacht tegen bedrijfsarts. Klaagster is onderzocht door verweerder (bedrijfsarts) in het kader van haar re-integratie bij haar werkgever. Na het eerste jaar arbeidsongeschiktheid heeft verweerder een Functionele Mogelijkheden Lijst opgesteld ten aanzien van klaagster. Vervolgens heeft een andere bedrijfsarts de taken van verweerder overgenomen, omdat de werkgever van klaagster is gaan samenwerken met een andere arbodienst. Klaagster verwijt verweerder 1) dat haar ontslag is verleend door haar werkgever en dat zij geen loon meer ontvangt, 2) dat hij in 2013 een onjuiste diagnose heeft gesteld, die hij heeft vermeld op de Functionele Mogelijkheden Lijst, 3) dat hij geen contact met de huisarts van klaagster heeft opgenomen en 4) dat hij klaagster onheus zou hebben bejegend door niets meer van zich te laten horen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster niet ontvankelijk in het eerste klachtonderdeel en verwerpt het beroep voor het overige.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:227 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2016.387

    Klacht tegen bedrijfsarts. De gemeente had een bezwaar van klager tegen het besluit van de gemeente om klager geen urgentieverklaring voor een nieuwe woning toe te wijzen, ongegrond verklaard. Klager heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerster (bedrijfsarts) is werkzaam voor een bedrijfsgeneeskundige dienst en heeft in het kader van een procedure bij de afdeling bestuursrecht van de rechtbank een rapport opgesteld over de vraag of bij klager sprake is van een medische situatie die tot de verlening van een urgentieverklaring ten behoeve van huisvesting zou moeten leiden. Verweerster heeft geadviseerd dat er afgaand op de beschikbare medische informatie onvoldoende bewijs is dat er bij cliënt sprake is van een medisch onhoudbare situatie. De klacht van klager houdt in dat verweerster: 1. een rapport heeft uitgebracht zonder klager zelf onderzocht te hebben; 2. niet bereid was een onderzoeksruimte beschikbaar te stellen die voor klager zonder lift bereikbaar was. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel 1 gegrond en klachtonderdeel 2 ongegrond en legt de arts de maatregel van waarschuwing op. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager en gelast de publicatie.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:221 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.500

    Klager is de zoon van de inmiddels overleden hoogbejaarde patiënte. Klager verwijt verweerder, huisarts, dat hij in strijd heeft gehandeld met de in acht te nemen zorgvuldigheidsnormen en gedragsregels omdat hij: a. zijn beroepsgeheim heeft geschonden door zonder toestemming in 2015 en na het overlijden van patiënte gegevens te verstrekken aan de notaris en b. informatie aan derden heeft verstrekt die aantoonbaar tegenstrijdig is en doet vermoeden dat deze informatie onjuist was. Uit verschillende verklaringen blijkt immers dat verweerder heeft opgemerkt dat patiënte wils- en handelingsbekwaam was terwijl in de indicatiestelling van het CIZ staat dat patiënte beperkt was in onder meer psychisch functioneren en sociale redzaamheid. Het RTG Eindhoven verklaart de klacht gegrond, legt de huisarts de maatregel van berisping op (met publicatie na het onherroepelijk worden). In beroep oordeelt het CTG dat de arts zijn beroepsgeheim niet heeft geschonden, omdat de arts mocht uitgaan van de veronderstelde toestemming van patiënte en dat niet is komen vast te staan dat de arts tegenstrijdige informatie heeft verstrekt. Het CTG verwijt de arts echter dat hij een verklaring heeft afgegeven en geen feitelijke informatie. Hij had zich moeten beperken tot het omschrijven van feiten. Dat is zozeer verwijtbaar dat het CTG eveneens komt tot een berisping (met publicatie).

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:93 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-269

    Verzoeker is kennelijk niet ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek. Wraking niet tijdig gedaan nu het verzoek ziet op de gang van zaken tijdens de zitting en het wrakingsverzoek ruim twee weken na de zitting is gedaan.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:228 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.443

    Klacht tegen een psychiater. Samengevat heeft klager gesteld dat de psychiater in ernstige mate is tekortgeschoten ten aanzien van de behandeling van klager bij de GGZ-instelling in een vrijwillig kader. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager in alle onderdelen ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. Het Centraal Tuchtcollege overweegt onder meer dat geen sprake is van een onzorgvuldige beëindiging van de behandelingsovereenkomst.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:127 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-174

    Voorzittersbeslissing: de voorzitter kan niet vaststellen dat verweerders klaagster niet naar behoren hebben bijgestaan. Niet is gebleken van het opzettelijk doen mislukken van de hogerberoepzaak door toedoen van verweerders of dat sprake is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking aan het gerechtshof door verweerders. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:222 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.506

    Klacht tegen huisarts. Klaagster verwijt verweerster dat zij het klachtenpatroon bij klaagster dat duidde op een ernstige darmaandoening niet tijdig heeft onderkend en onvoldoende actie heeft ondernomen als gevolg waarvan klaagster stelt veel pijn te hebben geleden en onherstelbare gezondheidsschade te hebben opgelopen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het beroep van klaagster slaagt. Het Centraal Tuchtcollege legt aan verweerster een waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2017:93 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2017/108

    Klaagster dient klacht in namens haar moeder. Klaagster verwijt de arts onzorgvuldig handelen. Verweerder heeft de verkeerde diagnose gesteld op basis van een aanname. De moeder van klaagster heeft van de apotheek verkeerde medicijnen gekregen. Op 30 januari 2016 is de moeder van klaagster overleden. Gegrond

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2017:127 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2016-290

    Deels gegronde klacht tegen een neuroloog. De neuroloog heeft, als hoofdbehandelaar van klaagster, te weinig verantwoordelijkheid genomen en onvoldoende richting gegeven aan het beleid waarvoor de opname van klaagster was bedoeld. Bij een observatie, mede gericht op het tijdig ontdekken van een caudasyndroom, had dagelijks neurologisch onderzoek moeten plaatsvinden en hier had de neuroloog afspraken over moeten maken met de arts-assistent. De neuroloog heeft op basis van afwezigheid van urineretentie en de uitslag van de bladderscan te snel geconcludeerd dat er geen sprake zou zijn van een caudasyndroom. Overige klachtonderdelen ongegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2017:128 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-062

    Ongegronde klacht tegen een huisarts. Niet aannemelijk dat de huisarts een te afwachtende houding heeft aangenomen. De klachten die patiënt uitte, psychische klachten, maagklachten en een enkele maal buikklachten, waar de huisarts de nodige aandacht aan heeft besteed, waren niet typerend voor een ovarium carcinoom waardoor het de huisarts niet is aan te rekenen dat hij deze diagnose niet heeft overwogen. Evenmin komt vast te staan dat de uitleg van de huisarts bij het voorschrijven van een nieuw medicijn en de informatie over de lopende behandelingen en eventueel andere behandelingen en risico’s hiervan onvoldoende is geweest. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2017:117 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-321/DH/DH

    voorzittersbesliising; klacht over kwaliteit dienstverlening eigen advocaat kennelijk ongegrond

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:111 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-910

    Klacht tegen eigen advocaat. Klacht voor wat betreft de gemaakte en door verweerder erkende beroepsfout gegrond. Klacht voor wat betreft het niet reageren op de aansprakelijkstelling van klager ongegrond nu vast is komen te staan dat verweerder wel heeft gereageerd. Geen maatregel.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2017:118 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-294/DH/RO

    voorzittersbeslissing

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:112 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-1036

    Klacht tegen eigen advocaat (deels) gegrond. Verweerster heeft onvoldoende gecommuniceerd en schriftelijk vastgelegd wat betreft het niet aanvragen van een nieuwe voorlopige voorziening (ondanks verzoeken van klaagster daartoe) en het wijzen op de mogelijkheid van hoger beroep tegen de ene beschikking en het niet willen instellen van hoger beroep tegen een andere beschikking. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2017:119 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-275/DH/RO

    voorzittersbeslissing; klacht tegen de deken over de wijze van behandeling van een klacht tegen een andere advocaat prematuur en kennelijk ongegrond

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:125 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-213

    Voorzittersbeslissing: de voorzitter is van oordeel dat verweerder als advocaat van de wederpartij van klagers voldoende zorgvuldig te werk is gegaan. Verweerder mocht afgaan op de weergave van de feiten van zijn cliënt en was niet verplicht om voor verzending van de in zijn ogen noodzakelijk geachte sommatiebrief aan klagers eerst daarnaar gedegen onderzoek te doen en voorts contact met klagers op te nemen. Snel handelen was volgens verweerder nodig om schade voor de cliënt en zijn praktijk te voorkomen. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2017:91 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2016/385F

    Klaagster verwijt de fysiotherapeut dat hij zich tijdens de behandeling onprofessioneel en grensoverschrijdend heeft gedragen onder meer door haar borst op te tillen. Gegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:126 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-176

    Voorzittersbeslissing: Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder de belangen van klaagster behartigd met de zorg die van hem als professioneel advocaat verwacht mocht worden. Verweerder heeft het voor klaagster belangrijke punt wél in de procedure en op deskundige wijze naar voren gebracht, waarbij het hem vrij stond om als verantwoordelijke voor de zaak (‘dominus litis’) daarbij zelf zijn woorden te kiezen. Klachtonderdelen kennelijk ongegrond. mededelingen van de griffier ter informatie:

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:24 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/317156/KL RK 17-28

    Gelet op de rol van de notaris in deze nalatenschap, heeft de notaris klager terecht verwezen naar de voormalig executeurs/afwikkelingsbewindvoerders voor een uitleg over de berekeningen en herstel van eventuele fouten. De voormalig executeurs/afwikkelingsbewindvoerders zijn de enigen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud van de aangifte en eventuele fouten hierin zouden kunnen herstellen. Aangezien klager niet de opdrachtgever van de notaris was, is de notaris jegens hem niet gehouden om uitleg te geven over de aan de aangifte ten grondslag liggende berekeningen.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2017:120 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-258/DH/DH

    voorzittersbeslissing, klacht kennelijk ongegrond

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2017:92 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2016/294

    Klager verwijt verweerster dat zij een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven over de behandeling van een haartransplantatie.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2017:126 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2016-323

    Gegronde klacht tegen een huisarts. De huisarts heeft naar aanleiding van de rugklachten van klager onvoldoende lichamelijk onderzoek gedaan en hem onvoldoende uitgevraagd. Evenmin heeft het College kunnen vaststellen dat de huisarts een differentiaal diagnose heeft gesteld en een duidelijk beleid had. De huisarts was echter niet verplicht klager naar aanleiding van een brief van de fysiotherapeut zonder consult door te verwijzen naar de neuroloog. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2017:26 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2017/57

    Klacht tegen huisarts. Klagers echtgenote verkeerde al enkele jaren in de terminale fase van COPD. Zij kreeg al enige tijd morfine toegediend via een pleister. In 2016 ging de situatie van patiënte zodanig achteruit dat verweerster besloot tot palliatieve sedatie door, naast de morfinepleister, ook morfine subcutaan toe te dienen. Het doel was de benauwdheid hiermee te onderdrukken en het lijden zo te verlichten. Patiënte overleed de volgende dag. Volgens klager heeft verweerster zonder overleg langzame euthanasie toegepast op zijn echtgenote met deze handelwijze. Het college acht hier geen aanknopingspunt voor aanwezig en verklaart de klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:115 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-814

    Verzet ongegrond. Verweerder kan, als voormalig lid van de maatschap, niet tuchtrechtelijk worden aangesproken voor het gewraakte handelen van een ander voormalig lid van de maatschap. Factoren die daarbij meespelen zijn dat verweerder geen bemoeienis met de zaak heeft gehad, hetgeen door de andere advocaat expliciet is erkend, en het gewraakte handelen heeft plaatsgevonden na de ontbinding van de maatschap en de uitschrijving van verweerder als advocaat.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2017:116 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-511/DH/DH

    De raad schorst verweerster op grond van artikel 60b Advocatenwet met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk. Verweerster reageert niet, althans onvoldoende op verzoeken van de deken, houdt zich niet aan haar toezeggingen en is niet of nauwelijks bereikbaar voor de deken, zijn medewerkers en de door haarzelf ingeschakelde coach. Verweerster heeft haar kantoororganisatie op essentiële punten niet op orde. Daarnaast is haar boekhouding niet inzichtelijk en beschikt zij niet over een geheimhoudingsverklaring van haar boekhouder. Zelfs nadat de deken haar een tweede kans heeft geboden – door een eerder ingediend verzoek ex artikel 60b Advocatenwet in te trekken – heeft verweerster haar leven niet gebeterd. Integendeel: zij blijft excuus op excuus stapelen. De raad heeft er daarom geen enkel vertrouwen in dat een uitstel van twee weken voor het opstellen van een plan van aanpak - zoals door verweerster verzocht - tot het gewenste resultaat zou leiden, nu is gebleken dat verweerster stelselmatig en structureel toezeggingen niet nakomt.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:122 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-080

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen eigen advocaat kennelijk ongegrond. Van een onjuist advies door verweerder, over de door klaagster gestelde dwaling bij mediation, is niet gebleken. De latere regeling van klaagster met de mediator maakt dit niet anders. De beslissing van verweerder om de volgens verweerder onjuiste beschikking van de rechtbank (ten gunste van klaagster) niet te incasseren is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:116 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-813

    Verzet gegrond, voor zover betrekking hebbende op de overweging van de voorzitter dat verweerder niet beschikte over een rekeningnummer van klager. Gebleken is dat verweerder wel over een rekeningnummer van klager beschikte. Klacht alsnog ongegrond, nu verweerder op terechte gronden (nog) niet tot betaling aan klager is overgegaan.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:22 Kamer voor het notariaat Amsterdam 625816/NT 17-26 OJ 625819/NT 17-27 OJ

    De kamer is van oordeel dat de kandidaat-notaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van het passeren alert is geweest op de mate van wilsbekwaamheid van de echtgenote van klager en dat zij onvoldoende aanleiding had om aan deze wilsbekwaamheid te twijfelen. Klacht ongegrond. Aangezien de klacht uitsluitend is gericht tegen het passeren van het testament op 12 september 2015 en vast staat dat de notaris hiermee geen bemoeienis heeft gehad, wordt de klacht tegen de notaris niet-ontvankelijk verklaard.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:123 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-815

    Verzet ongegrond. Verweerster kan, als voormalig lid van de maatschap, niet tuchtrechtelijk worden aangesproken voor het gewraakte handelen van een ander voormalig lid van de maatschap. Factoren die daarbij meespelen zijn dat verweerster geen bemoeienis met de zaak heeft gehad, hetgeen door de andere advocaat expliciet is erkend, en het gewraakte handelen heeft plaatsgevonden na de ontbinding van de maatschap en de uitschrijving van verweerster als advocaat.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:117 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-987

    Klacht tegen advocaat wederpartij ongegrond. Klager is een voormalig officier van justitie. Niet is komen vast te staan dat verweerder een valse aangifte tegen klager heeft gedaan en dat verweerder klager actief in een negatieve publiciteit heeft gebracht, althans dat verweerder daarbij de grenzen van de hem toekomende ruime vrijheid als partijdig belangenbehartiger heeft overschreden. Van misleiding van het hof en het ten onrechte opstarten van een artikel 12 Wetboek van Strafvorderingsprocedure is de raad evenmin gebleken.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:118 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-391

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen deken kennelijk ongegrond. Het is niet aan de deken om de Leidraad klachtbehandeling naast de Advocatenwet te leggen om te controleren of de leidraad de Advocatenwet volgt.