Zoekresultaten 19651-19700 van de 47568 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2018:138 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/358

    klager verwijt verweerster dat zij druk heeft uitgeoefend om klager naar het consult te laten komen en dat zij klager in gevaar heeft gebracht door hem met kennis van zijn gemoedstoestand in combinatie met de wetenschap van zijn openbaar vervoervrees toch naar het consult op 16 december 2015 te laten komen. Verweerster klager ten onrechte heeft laten integreren bij sociale werkvoorziening ondanks zijn lichamelijke en psychische klachten. Ongegrond

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2018:139 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/237

    Klaagster verwijt verweerster dat zij geweigerd heeft aan klaagster haar volledige naam en BIG-inschrijfnummer te verstrekken. Ongegrond

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:182 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 140/2018

    Klacht tegen huisarts over gemiste cardiale problematiek. Aangezien de klachten pasten bij maag/buikproblematiek en er expliciet geen aanwijzingen waren voor cardiale problematiek, heeft de huisarts niet verwijtbaar gemist dat er ook sprake was van hartfalen. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:183 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 172/2018

    Klacht tegen huisarts. Patiënte kwam met aanhoudende nekklachten en andere klachten meermalen op consult bij de huisarts en haar collega. Na verwijzing op verzoek van patiënte bleek uiteindelijk sprake te zijn van uitgezaaide longkanker. Kern van de klacht is dat de huisarts verkeerde diagnoses heeft gesteld (nekklachten op basis van spierpijn, depressie, bronchitis) en de juiste diagnose, althans het vermoeden dat sprake kon zijn van een tumor, heeft gemist. Het college komt tot de conclusie dat, hoe betreurenswaardig het ook is dat de juiste diagnose niet eerder aan het licht is gekomen, niet kan worden gezegd dat dit aan onzorgvuldig handelen van verweerster te wijten is geweest.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:173 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-654/DB/OB

    Advocaat is niet gehouden om een procedure aanhangig te maken indien hij geen goede gronden ziet deze met succes te voeren. Ook de werkzaamheden om tot die conclusie te komen komen voor vergoeding op basis van een toevoeging in aanmerking. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:181 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 082/2018

    Klacht tegen orthopedisch chirurg ongegrond. Het college kan, mede gelet op het beeldmateriaal, niet vaststellen dat bij de twee rugoperaties die klager heeft ondergaan fouten zijn gemaakt. Er zijn complicaties ontstaan die niet tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:314 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.455

    Klacht tegen bedrijfsarts. Klager is na ziekmelding begeleid door verweerder. Op enig moment is klager ontslagen. Klager verwijt verweerder dat hij geen navraag bij klagers behandelaars heeft gedaan over zijn ziektegeschiedenis, geen kennis heeft genomen van de medicijnen die klager gebruikte en bij herhaling verkeerde adviezen/bevindingen aan de (ex-)werkgever van klager heeft gegeven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het beroep van klager wordt door het Centraal Tuchtcollege verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:315 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.456

    Klacht tegen bedrijfsarts. Verweerster heeft in een door haar uitgevoerde dossiertoets geconcludeerd dat de bedrijfsarts die bij de verzuimbegeleiding van klager was betrokken voldoende vakkundig en zorgvuldig heeft gehandeld. Klager verwijt verweerster dat zij bij de “second opinion” geen navraag heeft gedaan bij zijn behandelaars over zijn medische voorgeschiedenis. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:226 Raad van Discipline Amsterdam 18-528/A/A

    Klacht tegen eigen advocaat. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door klager niet te informeren over het verloop van de procedure en door zich zonder overleg met klager op de dag van de comparitie aan de zaak te onttrekken. Schrapping en kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:316 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.047

    Klacht tegen verzekeringsarts. Verweerder heeft op verzoek van de gemeente na een spreekuurcontact een beoordelingsrapportage urgentie huisvesting over klager opgesteld en is tot de conclusie gekomen dat er sprake was van een urgentie klasse 3. De klacht heeft betrekking op de zorgvuldigheid en vakkundigheid van het onderzoek en op de conclusie van verweerder. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:240 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-260 18-261

    Klacht door cliënt in echtscheidingszaak alsmede een dekenbezwaar. Beide klachten gegrond. Verweerster heeft de zaak van klager en zijn ex-partner via een mediator ontvangen en partijen niet gezien of gesproken alvorens zij het echtscheidingsverzoek en de akte van berusting heeft ingediend. Verweerster was bij het aannemen van de opdracht gehouden om de inhoud van de door de mediator opgestelde vaststellingsovereenkomst met partijen te bespreken en het daarover gegeven advies of de daarover verstrekte informatie schriftelijk vast te leggen. Verweerster heeft dit niet gedaan en enkel als doorgeefluik van de mediator gefunctioneerd. De stellig van verweerster dat zij mocht afgaan en vertrouwen op de goede kwaliteit van het werk van de mediator, wordt gepasseerd. Verweerster kwam een eigen verantwoordelijkheid en zorgplicht toe. Daarnaast was sprake van een niet toegestane samenwerkingsvorm met de mediator nu verweerster daarbij een eigen (financieel) belang had. Hiermee heeft verweerster de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid en integriteit in gevaar gebracht. Voorwaardelijke schorsing van 8 weken.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:317 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.248

    Klacht tegen een longarts. Klager verwijt de longarts dat hij klager de gevraagde behandeling heeft geweigerd op 16 februari 2015. Daarnaast voelt klager zich onheus bejegend door de longarts wegens de door de longarts gemaakte opmerking in zijn brief van 16 februari 2015 dat de klachten zijn terug te voeren op een psychosomatische oorzaak. Het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat de klacht als kennelijk ongegrond dient te worden afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting in beroep nog naar voren is gebracht tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege en neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. Beoordeling van de klacht’ heeft overwogen hier over. Daarmee onderschrijft het Centraal Tuchtcollege het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht ongegrond is en dient te worden afgewezen. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:222 Raad van Discipline Amsterdam 18-342/A/A

    Klacht tegen advocaat wederpartij ongegrond. Verweerder mocht naar aanleiding van een vonnis executoriaal beslag leggen ten laste van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:318 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.304

    Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:312 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.237

    Klacht tegen een plastisch chirurg. Klager verwijt de plastisch chirurg dat hij de geslacht veranderende operatie van klager zonder uroloog heeft verricht, dat hij geen urologisch onderzoek heeft verricht, dat hij geen behandelmogelijkheden of medicatie heeft voorgelegd en dat hij geen overleg heeft gevoerd in het mdo en genderteam. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Waar het gaat om de operaties die door de plastisch chirurg op achtereenvolgens 19 november 2008, 17 april 2009 en op 19 september 2009 zijn verricht, staat volgens het Centraal Tuchtcollege vast, dat de plastisch chirurg daarbij telkens heeft afgezien van het daarbij betrekken van een uroloog. Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat toentertijd niet ook een uroloog deel uitmaakte van het genderteam. Reeds dit gegeven is indicatief voor beantwoording van de vraag of in het algemeen ook de inzet van urologische expertise bij metaidoioplastieken als aangewezen werd beschouwd. De deskundige heeft in zijn bericht uiteengezet dat en waarom volgens de toentertijd vigerende (urologische) richtlijnen voor de plastisch chirurg geen gehoudenheid kan worden aangenomen voor het wél betrekken van een uroloog bij die door hem verrichte operaties. Het Centraal Tuchtcollege neemt die uiteenzetting en conclusie over en oordeelt dat aan de plastisch chirurg in zoverre geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Waar het gaat om de na die operaties door de plastisch chirurg verleende nazorg overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de deskundige in zijn bericht heeft uiteengezet dat, wanneer de plastisch chirurg daarbij wél de deskundigheid van een uroloog zou hebben ingezet, die nazorg anders vormgegeven zou kunnen zijn geweest. De plastisch chirurg heeft overleg gehad met andere plastisch chirurgen van het genderteam. De inhoud van de door deze geconsulteerde chirurgen gegeven adviezen waren volgens de deskundige in lijn met de urologische visie. Die adviezen zijn echter volgens de deskundige door de plastisch chirurg niet opgevolgd. Dit laatste wordt door de plastisch chirurg gemotiveerd betwist in die zin dat bedoelde adviezen niet aan hem zijn gegeven. Gelet op dit gemotiveerde verweer, waartegen klager onvoldoende heeft ingebracht, kan er niet van worden uitgegaan dat de genoemde adviezen aan de plastisch chirurg zijn gegeven. Alles overziende is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de plastisch chirurg ook geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan de nazorg. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:313 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.120

    Klager is de zoon van de inmiddels overleden patiënte van de aangeklaagde huisarts. Klager verwijt de huisarts dat zij zonder motivering heeft geweigerd patiënte een afschrift te geven van haar eigen medisch dossier terwijl patiënte daar twee keer schriftelijk om heeft verzocht. Klager heeft na het overlijden van patiënte daarom alsnog inzage gevraagd maar ook dat verzoek heeft de huisarts afgewezen. Klager stelt voorts – onder meer – dat de huisarts tekort is geschoten in de diagnostiek bij zijn moeder en in de behandeling van en zorg voor haar geestelijk en lichamelijk lijden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege gaat ervan uit dat klager met het indienen van de klacht, voor zover deze betreft de weigering om aan zijn moeder een afschrift van haar eigen medisch dossier te verstrekken, niet de wil van zijn moeder vertegenwoordigt en dus geen afgeleid klachtrecht heeft. Klager is in zoverre in zijn klacht niet ontvankelijk. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing in eerste aanleg in zoverre en verwerpt het beroep voor het overige.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:308 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.481

    Klacht tegen arts. Klaagsters zijn moeder en dochter. Moeder had na een val een gecompliceerde breuk opgelopen en is vijf maanden voor geriatrische revalidatiezorg opgenomen in een instelling waar verweerder destijds als arts werkzaam was. In die periode heeft verweerder de moeder van klaagster tweemaal ingestuurd naar het ziekenhuis. De eerste keer kreeg zij een bloedtransfusie vanwege bloedarmoede. De tweede keer is zij opgenomen met een hypovolemische shock vanwege opnieuw bloedarmoede met als oorzaak acuut bloedverlies door een maagbloeding. Klaagsters verwijten verweerder a) dat hij niet de juiste diagnose heeft gesteld en b) dat hij tot tweemaal toe verzuimd heeft medisch in te grijpen. Klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond. Klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:309 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.032

    Klacht tegen arts, werkzaam in een huisartsenpraktijk. Klaagster verwijt verweerder dat hij tijdens een spreekuurconsult een dreigend herseninfarct heeft gemist. Volgens klaagster waren er al uitvalsverschijnselen en had de arts haar naar het ziekenhuis moeten insturen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft echter niet kunnen vaststellen dat tijdens het consult sprake was van dergelijke alarmsymptomen die de arts tot nadere actie hadden moeten brengen en wijst de klacht af. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep voor zover zij nieuwe klachten naar voren heeft gebracht. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:310 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.278

    Klacht tegen een longarts. Klager verwijt de longarts 1) dat er een verkeerde diagnose is gesteld en er een onjuiste behandeling heeft plaatsgevonden 2) dat er geen neuroloog is geraadpleegd en 3) dat hij weigert te erkennen dat zaken niet goed gelopen zijn. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting in beroep nog naar voren is gebracht tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege en neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen hier over. Daarmee onderschrijft het Centraal Tuchtcollege het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht ongegrond is en dient te worden afgewezen. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:311 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.345

    Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2018:70 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/89

    Klacht tegen bedrijfsarts wegens tegenstrijdige adviezen over de arbeidsongeschiktheid van klager. De bedrijfsarts wist op het moment van zijn onderzoek dat er bij klager sprake was van een al voorafgaande aanwezige aandoening. Hij heeft daarna zijn regiefunctie niet goed uitgevoerd door onvoldoende onderzoek te doen naar klagers herstelproces en door geen informatie op te vragen bij de behandelende sector. Klacht gegrond, berisping.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:191 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-154

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. De huisarts was niet betrokken bij de zorg voor klager betreffende de hoestklachten. Niet kan worden vastgesteld wat er wel of niet gezegd is in het gesprek tussen klager en de huisarts. Evenmin kan word worden vastgesteld of is komen vast te staan dat de huisarts de inhoud van het gesprek met de ex van klager heeft gedeeld. Het College ziet in het handelen van de huisarts, dat zij (vanuit haar professie) heeft doorgevraagd naar de echtscheiding en het contact van klager met zijn kinderen, geen tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2018:71 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/94

    Klacht tegen een verzekeringsarts wegens onjuist handelen en een onvoldoende gemotiveerd advies dat klager arbeidsgeschikt was. Klacht ongegrond en afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:179 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 126/2018

    Klacht tegen Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige kennelijk niet ontvankelijk. In dit geval kan niet worden aangenomen dat verweerster de verklaring heeft geschreven in haar professionele hoedanigheid, er is sprake van privé-gedrag. Hoe verweerster zich privé gedraagt is, behoudens bijzondere omstandigheden, geen zaak voor de tuchtrechter.

  • ECLI:NL:TNORARL:2018:41 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/323057 / KL RK 17-92

    Het notariële tuchtrecht ziet op handelingen die worden verricht in het kader van het notarisambt. De door klagers verweten gedragingen hebben betrekking op het handelen van de notaris als bindend adviseur, niet op het handelen in zijn hoedanigheid van notaris. Handelingen van een notaris die niet in de uitoefening van het notarisambt zijn verricht zijn alleen aan het tuchtrecht onderworpen, voor zover deze een behoorlijk notaris niet betamen en het aanzien van het notariaat daardoor zou kunnen worden geschaad. Dit betekent dat de kamer slechts summierlijk zal beoordelen hoe de notaris de opdracht om een bindend advies op te stellen heeft uitgevoerd. De kamer zal ook terughoudend zijn in haar oordeel over de inhoud van het advies; zij kan alleen tot gegrondverklaring van een klacht hierover concluderen als het advies van dusdanig slechte kwaliteit is of de motivering van het advies dusdanig onzorgvuldig is, dat de reputatie van het notariaat als gevolg ervan in het geding is.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:189 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-100

    Ongegronde klacht tegen een huisarts. Verwijt d at de huisarts klaagster geen toestemming heeft gevraagd voor de behandeling van haar dochter door de POH-GGZ, is ongegrond omdat hij de dochter niet heeft doorverwezen. Dat tussen het eerste verzoek van klaagster en het verstrekken van een afschrift van het medische dossier van de dochter een lange periode zat kan niet tot een tuchtrechtelijk verwijt leiden, te meer nu de huisarts zich hieromtrent juist goed heeft willen laten informeren en het belang van de dochter van klaagster voorop heeft gesteld. De huisarts hoefde niet ongevraagd een poging te ondernemen om te bemiddelen tussen klaagster, haar ex-man en dochter ten aanzien van een conflictsituatie, omdat er geen hulpvraag lag. Niet gebleken van onrechtmatig of frauduleus handelen door de huisarts door het declareren van twee klachtgesprekken met klaagster. Dat de huisarts geen (duidelijke) klachtenregeling had in zijn praktijk en dat hij voor een periode niet aangesloten is geweest bij een geschilleninstantie, verdient niet de schoonheidsprijs, maar levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:198 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180164A

    Klacht tegen eigen advocaat. Verweerder had de kern van de uitkomst in vergelijkbare (niet openbare) arbitragevonnissen in de zaken van andere cliënten met klager moeten delen omdat verweerder er rekening mee diende te houden dat de wederpartij zich op deze vonnissen zou beroepen wegens inhoudelijke gelijkenissen van de zaak. Dat kon zonder daarbij de geheimhouding jegens die cliënten te schenden. Voorts heeft verweerder met de opmerking dat een procedure risicovol is, geen adequate inschatting over procesrisico’s en proceskansen aan klager gegeven. Dat klager (bedrijfs)jurist is doet niet ter zake, nu het inschatten van kansen en risico’s van procedures tot de expertise van een advocaat behoort. Klacht gegrond. Waarschuwing. Kostenveroordeling. Bekrachtiging beslissing raad.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:180 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 088/2018

    Klacht tegen GZ-psycholoog. Verweerster heeft zich gekweten van haar verantwoordelijkheden als GZ-psycholoog, vestigingsmanager en supervisor. Ook is zij niet tekortgeschoten in de communicatie met de dochter of haar ouders. Afwijzing klacht.

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2018:69 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/83

    Klacht tegen huisarts. Verweerster had klager eerst naar ziekenhuis A verwezen voor een ingreep en daarna – omdat de ingreep toch niet in ziekenhuis A kon worden verricht – naar ziekenhuis B. Van dit laatste had zij klager abusievelijk niet op de hoogte gesteld. Klager kreeg een tweede oproep (van ziekenhuis B) zonder dat hij wist dat de eerdere oproep (van ziekenhuis A) was komen te vervallen. Dit verwijt hij verweerster. Het college begrijpt dat de vergissing van verweerster vervelend is geweest voor klager, maar wijst de klacht af als zijnde van onvoldoende gewicht voor een tuchtrechtelijk verwijt.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:199 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180164B

    Klacht tegen eigen advocaat. Verweerder had de kern van de uitkomst in vergelijkbare (niet openbare) arbitragevonnissen in de zaken van andere cliënten met klager moeten delen omdat verweerder er rekening mee diende te houden dat de wederpartij zich op deze vonnissen zou beroepen wegens inhoudelijke gelijkenissen van de zaak. Dat kon zonder daarbij de geheimhouding jegens die cliënten te schenden. Voorts heeft verweerder met de opmerking dat een procedure risicovol is, geen adequate inschatting over procesrisico’s en proceskansen aan klager gegeven. Dat klager (bedrijfs)jurist is doet niet ter zake, nu het inschatten van kansen en risico’s van procedures tot de expertise van een advocaat behoort. Klacht gegrond. Waarschuwing. Kostenveroordeling. Bekrachtiging beslissing raad.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:190 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-141

    Deels niet-ontvankelijke klacht vanwege verjaring en deels ongegronde klacht tegen een neurochirurg. De neurochirurg had, gelet op de daaraan verbonden risico’s, goede redenen om niet eerder dan in 2016 tot een spondylodese op het niveau L5-S1 te besluiten. Er is geen grond voor het oordeel dat de neurochirurg onzorgvuldig zou hebben gehandeld. Anders dan klager heeft betoogd, reikte de verantwoordelijkheid van de neurochirurg niet zo ver, dat hij klager actief diende te blijven volgen, totdat hij zich ervan verzekerd had dat voor klager een stabiele en aanvaardbare situatie was ontstaan. Ook de overige klachtonderdelen zijn ongegrond. Klacht deels niet-ontvankelijk, deels afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:238 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-547 18-548

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij in personen- en familierechtkwestie kennelijk ongegrond. Niet is komen vast te staan dat verweerster zich in brieven aan klager dreigend heeft uitgelaten of haar betalingsverzoek op onjuiste gegevens heeft gebaseerd.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:239 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-1053 17-1054 17-1055 17-1056

    Klaagster stelt dat het kantoor en drie advocaten daarvan zich schuldig hebben gemaakt aan belangenverstrengeling (gedragsregel 7 oud) door in geschillen van klaagster met een gemeente op te treden voor die gemeente en daarmee tegen klaagster als ex-cliënt van datzelfde kantoor. De raad toetst aan artikel 46 Aw in combinatie met het zesde lid van gedragsregel 7. De raad oordeelt dat klaagster vanaf haar bekendheid in 2011 met de belangenbehartiging van de gemeente door drie advocaten van haar voormalige kantoor in de geschetste omstandigheden door haar opstelling impliciet toestemming aan die verweerders heeft gegeven om voor de gemeente op te (blijven) treden in kwesties tegen klaagster, zodat verweerders reeds daarom geen tuchtrechtelijk verwijt treft. Daarnaast hebben de betreffende advocaten ieder voldaan aan de cumulatieve vereisten van het vijfde lid van gedragsregel 7 en is de raad van (schijn van) belangenconflict ook daaruit niet gebleken. De klacht tegen het bestuur van het advocatenkantoor is ontvankelijk, maar dat het kantoor niet beschikt over een conflict of interest systeem, zoals klaagster haar verwijt, is feitelijk niet komen vast te staan. Deze klacht wordt ongegrond geoordeeld, evenals de daarmee samenhangende klacht over schending van de geheimhoudingsplicht (gedragsregel 6 oud). Klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verwijt dat verweerders hun eigen commerciële belang voorop zouden stellen (gedragsregel 5 oud).

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2018:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/255

    Klaagster dient een klacht in tegen de kinderarts van haar zoon. Klaagster verwijt de arts het delen van informatie zonder toestemming en het beëindigen van de zorgovereenkomst zonder gewichtige reden. Tevens verwijt zij de arts het doen van een Veilig Thuis-melding zonder haar op de hoogte te brengen. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:89 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1849

    Klacht tegen gynaecoloog over verleende zorg tijdens tweede bevalling klaagster. Elf klachtonderdelen waarvan onderdeel E gedeeltelijk gegrond. Optreden ten aan zien van pijnstilling voor en tijdens de bevalling. Bij de beoordeling door het college speelt een rol dat de eerste bevalling van klaagster via keizersnede traumatisch is verlopen, het bepaalde in artikel 7:454 BW, informatie die voor goede hulpverlening noodzakelijk is, aanbeveling 33 van de Richtlijn Medicamenteuze pijnbestrijding tijdens de bevalling en aandachtspunt 5 van de Handreiking Verantwoordelijkheidsverdeling bij samenwerking in de zorg. Ook al was het in 2014 kennelijk niet gebruikelijk om in dossier aantekening te houden van gesprek over pijnstilling tijdens bevalling, volgens vaste rechtspraak CTG heeft hoofdbehandelaar regiefunctie en dient zij er in dit bijzondere geval ook op toe te zien of informatie van collega over pijnstilling in dossier is opgenomen. In bijzondere omstandigheden proactieve houding vereist. Verweerster is tuchtrechtelijk aansprakelijk voor het ontbreken van verslaglegging. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2018:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/248

    Klagers (vader en moeder van een minderjarige dochter) dienen een klacht in tegen een vertrouwensarts van Veilig Thuis, onder andere inhoudende dat de vertrouwensarts onzorgvuldig en onprofessioneel heeft gehandeld door het stempel van PCF op de moeder te plakken zonder de medische achtergrond van de dochter van klagers in acht te nemen. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:90 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1850

    Klacht tegen verloskundige over verleende zorg tijdens tweede bevalling klaagster. Eerste bevalling van klaagster via keizersnede is traumatisch verlopen. Klaagster verwijt verweerster dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van informeren over pijnstilling, verkrijgen van informed consent voor EDA (Epidurale analgesie/ruggenprik), notities in het medisch dossier en het kunnen begrijpen van de gegeven informatie door klaagster. Verloskundige bevoegd en bekwaam tot voeren counseling gesprekken, uit dossier en besprokene ter zitting blijkt toestemming voor EDA. Als redelijk bekwaam en redelijk zorgvuldig verloskundige gehandeld. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:178 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 124/2018

    Inschrijving patiënt huisartsenpraktijk, verantwoordelijkheid zorg huisarts versus woonzorginstelling, weigering patiënt op grond van zorgzwaarte.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2018:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/249

    Klagers (vader en moeder van een minderjarige zoon) dienen een klacht in tegen een jeugdarts, inhoudende onder meer dat de jeugdarts zonder toestemming van klagers contact op heeft genomen met de dermatoloog van de zoon van klagers en buiten het terrein van haar deskundigheid is getreden en adviezen heeft verstrekt omtrent de gezondheid van de minderjarige zoon van klager die niet (of niet op die manier) overeenstemmen met hetgeen de dermatoloog aan de jeugdarts heeft medegedeeld. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TDIVTC:2018:23 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2017/38

    Klachtambtenaarzaak. Dierenarts wordt verweten met betrekking tot de inzet van antibiotica op enkele varkensbedrijven niet te hebben gehandeld conform de vigerende wet- en regelgeving en de zorgvuldige beroepsuitoefening. Volgt voorwaardelijke geldboete van € 1.000.

  • ECLI:NL:TNORARL:2018:40 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/333376 KL RK 18-23

    Klager heeft verklaard dat hij de akte heeft getekend onder druk van [Z] en dat hij zich destijds van deze druk bewust is geweest, maar geen andere mogelijkheid zag, dan [Z] tegemoet te komen in haar wensen voor wat betreft het creëren van de huwelijksgoederengemeenschap. De driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna is gaan lopen op moment ondertekenen akte en is afgelopen voor indiening van de klacht. Zelfs indien uitgegaan wordt van he tijdstip van de indiening van het echtscheidingsverzoekschrift als het tijdstip waarop klager kennis heeft genomen van het handelen waartegen de klacht zich richt, dan nog is het klaagschrift ingediend buiten de in dat geval geldende uitzonderingstermijn van een jaar.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:85 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1863

    Rapportages van GZ-psycholoog betreffende ADHD/ADD en dyslexie bij zoons van klager voldoen op veel onderdelen niet aan de daarvoor geldende criteria en behandeladviezen wijken ongemotiveerd af van geldende richtlijnen. Berisping.

  • ECLI:NL:TNORDHA:2018:18 Kamer voor het notariaat Den Haag 18-22

    Klaagster verwijt de notaris het volgende: 1. schending van de geheimhoudingsplicht. 2. schending van de beroeps-en gedragsregels ter zake voorlichting over financiële gevolgen.

  • ECLI:NL:TACAKN:2018:81 Accountantskamer Zwolle 17/1265 Wtra AK

    Klacht deels verjaard omdat de verweten gedragingen op het moment van indienen van de klacht meer dan 6 jaar oud waren. Tegen betrokkene is eerder een klacht door het OM ingediend. Verweer van ne-bis-in-idem slaagt in ieder geval niet indien tijdens het aanhangig zijn van de eerste klacht in eerste aanleg door een andere partij ter zake (deels) dezelfde gedragingen en hetzelfde feitencomplex eveneens een klacht wordt ingediend. Zulks is wat betreft de ontvankelijkheid van de tweede klacht/klager niet anders, indien, nadat de tweede klacht is ingediend, op de eerste klacht door de Accountantskamer inmiddels een eindbeslissing is gegeven, ook niet als die eindbeslissing onherroepelijk zou zijn geworden. De kern van een deel van de klacht komt overeen met een inmiddels gegrond verklaard onderdeel van de eerder door het OM ingediende klacht. De Accountantskamer neemt dat oordeel uit de eerdere zaak in de huidige, door de andere klager ingediende tweede klachtzaak over en laat buiten bespreking wat de tweede klager aan diens klacht op dit onderdeel nog verder ten grondslag heeft gelegd. Nieuwe klacht op verschillende onderdelen ongegrond bij gebreke aan voldoende substantiering in het klaagschrift.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:185 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-161a

    Ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. Gebleken is dat de verpleegkundige, met wie klager geen behandelrelatie heeft, het EPD van klager niet heeft ingezien. De lezingen van partijen over hoe de informatie over klager bij het behandelteam van klager terecht is gekomen, lopen uiteen. Dit kan het College derhalve niet vaststellen. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:307 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.095

    Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:170 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-346/DB/ZWB

    Niet komen vast te staan dat advocaat onjuiste verwachtingen heeft gewekt. Op grond van een door klaagster overgelegde getuigenverklaring is voldoende aannemelijk geworden dat een voorschotbetaling van €3.000,- is afgesproken. Klaagster heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd noch bewijs daarvan overgelegd waaruit blijkt dat de betaling van €3.000,- op basis van een fixed fee afspraak is gedaan. Nu klaagster zich pas 11 maanden na de overdracht van een zaak door de advocaat aan zijn kantoorgenote hierover beklaagd, is het niet aannemelijk dat de zaak zonder overleg met klaagster is overgedragen. Klacht ongegrond

  • ECLI:NL:TNORDHA:2018:19 Kamer voor het notariaat Den Haag 18-14, 18-15, 18-16

    De klacht bestaat uit de volgende onderdelen: 1. meewerken aan een vertragingstraject van de kopers om toe te werken naar het “niet kunnen leveren”, waarbij de belangen van de verkopers ondergeschikt worden gemaakt. 2. de onverkwikkelijke gang van zaken tijdens het passeren op het notariskantoor. 3. de getoonde ondeskundigheid, onoorbare handelingen en fouten die men op de dag van passeren op het notariskantoor tentoonspreidde, waarbij de grondslag “de notaris is onafhankelijk en onpartijdig en kijkt daarom naar uw belangen én die van de koper met voeten getreden is.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:301 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.440

    Klacht tegen oogarts. Nadat een internist bij klager Diabetes Mellitus en Morbus Graves met peri-orbitaal oedeem had vastgesteld, heeft de internist bij verweerster een inter-collegiaal consult aangevraagd. De vraagstelling van de internist was: “gaarne controle retina + controle Graves orbitopathie.” Klager verwijt verweerster dat zij te oppervlakkig onderzoek heeft gedaan en een vervolg controleafspraak gemaakt heeft op een te lange termijn. Hierdoor is een adequate behandeling te laat ingezet. Klager verwijt verweerster voorts dat zij onvoldoende aandacht aan zijn eigen ervaringen en zijn klachten heeft besteed. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt de beslissing in beroep.

  • ECLI:NL:TACAKN:2018:82 Accountantskamer Zwolle 17/2481 Wtra AK

    Mede in het licht van de opdrachtbevestiging, waarin staat dat het bestuur verantwoordelijk is voor de afstemming van de werkzaamheden van betrokkene met de interim-directie en de controller en bovendien expliciet is opgenomen dat dit reeds is gebeurd, had betrokkene niet mogen voldoen aan het verzoek van de interim-directeur om hem een préconceptrapportage toe te zenden voordat hij dit (pré)concept met klager en zijn medebestuurder, als (toenmalige) bestuurders van de opdrachtgever van het rapport, had gedeeld en besproken. Dit geldt te meer nu het rapport juist was bedoeld om klager en zijn toenmalige medebestuurder te “assisteren in het beantwoorden van diverse vragen die door de interim-directie zijn gesteld”. Daarbij komt dat het toevoegen door betrokkene van een persoonlijke noot in het aan de interim-directeur overgelegde concept, waarbij hij expliciet vermeldt dat deze niet bestemd is voor de conceptrapportage, en zijn aanbod de interim-directeur te laten weten wat hij vond, niet bij een opdracht op grond van Standaard 4400 passen. Niet is gebleken dat betrokkene in dit alles een bedreiging voor de naleving van het fundamentele beginsel van objectiviteit heeft geïdentificeerd en afdoende maatregelen heeft getroffen. Er is dan ook sprake van een schending van de artikelen 21 en 22 VGBA, hetgeen tevens een schending van artikel 13, eerste lid VGBA met zich brengt. Maatregel: waarschuwing.