Zoekresultaten 31-40 van de 12232 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:125 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4697

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klager is van mening dat de bedrijfsarts een verkeerd advies heeft gegeven over zijn geschiktheid om te werken, klager niet serieus heeft genomen doordat hij zelf geen onderzoek heeft gedaan, en relevante informatie van de huisarts heeft genegeerd. Het college overweegt dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat de bedrijfsarts bepaalde klachten van klager, of gevolgen van zijn klachten, niet bij de beoordeling heeft betrokken. Het is vervolgens aan de werkgever om rekening te houden met die beperkingen en adviezen. Dat klager ontevreden is over de toepassing door de werkgever van de adviezen van de bedrijfsarts, kan niet aan de bedrijfsarts worden verweten. Verder stelt het college vast dat de bedrijfsarts bekend was met de onderneming, omdat hij daar al lange tijd werkzaam was. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de bedrijfsarts meer had moeten doen, zoals actief controles op de werkplek uitvoeren, of verder navraag doen. Het college volgt de bedrijfsarts in diens inschatting dat hij zonder voorafgaand zelfstandig onderzoek op de werkplek, al voldoende kennis en inzicht had om de situatie te beoordelen. De bedrijfsarts had al adviezen gegeven over de werkhervatting rekening houdend met de beperkingen. Wat betreft het derde klachtonderdeel overweegt het college dat de discussie met de huisarts niet zozeer over de klachten en beperkingen ging, maar over de oorzaak van de klachten. Het maakte de inschatting van de bedrijfsarts ten aanzien van de beperking niet anders. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:82 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1452 en C2022/1453

    Klacht tegen plastisch chirurg. Klaagster meldde zich met een wens voor een hals- en kaaklijncorrectie bij de kliniek waar de plastisch chirurg destijds werkzaam was. De plastisch chirurg zag klaagster voor het eerst eind september 2018. Bij dat consult was ook een consulent aanwezig die (zo nodig) vanuit het Duits voor klaagster vertaalde. De ingreep vond plaats in oktober 2018. Klaagster was niet tevreden met het resultaat van de operatie. Nadien heeft veelvuldig mailcontact plaatsgevonden over een herstelbehandeling. Deze herstelbehandeling heeft in november 2019 plaatsgevonden. Klaagster heeft 21 klachtonderdelen geformuleerd die er in de kern op neerkomen dat de informed consent voor de ingrepen en de aanloop daar naartoe ontbreekt, dat de behandelovereenkomst niet goed tot stand is gekomen, dat er geen adequaat pre-operatief gesprek is geweest en dat de ingrepen niet naar de stand van het vak zijn uitgevoerd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en doorhaling van de inschrijving in het BIG-register bevolen. Zowel klaagster als de plastisch chirurg zijn in beroep gekomen van deze beslissing. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht op een ander onderdeel gegrond, namelijk het niet in acht nemen van de verplichte bedenktijd voorafgaand aan de ingreep, en legt aan de plastisch chirurg de maatregel van berisping op. De maatregel van doorhaling komt te vervallen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:89 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1755

    Klacht tegen een bedrijfsarts die klager vanaf januari 2013 enige tijd heeft begeleid. Klager heeft tegen deze bedrijfsarts drie eerdere klachten ingediend. Alle klachtonderdelen zijn in eerste instantie ongegrond of niet-ontvankelijk verklaard en de door klager tegen deze beslissingen ingestelde beroepen zijn uiteindelijk alle verworpen. De onderhavige klacht is de vierde klacht van klager tegen de bedrijfsarts. Het Regionaal Tuchtcollege acht klager niet-ontvankelijk in zijn klacht vanwege het ne bis in idem-beginsel en concludeert daarnaast dat klager met het indienen van deze klacht misbruik van recht maakt. Het Centraal Tuchtcollege beslist ook dat klager niet-ontvankelijk is, maar wel op andere gronden.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:126 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4313

    Ongegronde klacht tegen een arts. Klager is van opvatting dat de arts geen goede diagnose heeft gesteld en fouten heeft gemaakt, met grote negatieve gevolgen voor klagers gezondheid en zijn persoonlijke omstandigheden. Meer in het bijzonder verwijt hij de arts dat hij ten onrechte heeft geweigerd de Benutbare Mogelijkheden Lijst (hierna: BML) aan te passen, en de afgegeven second opinion heeft genegeerd. Het college is van oordeel dat het aanvullend onderzoek - in aanvulling op het onderzoek twee dagen eerder - voldoende basis vormt voor het besluit om geen nadere of aangepaste BML op te stellen, en voor de conclusie dat er benutbare mogelijkheden zijn. Dat de arts daarna en daarnaast nog verder (medische) informatie had moeten opvragen, is door klager wel gesteld maar onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden. Alsdan is er geen sprake van een ondeugdelijke analyse en conclusie. Het college overweegt verder dat de bevindingen in de second opinion niet heeft genegeerd maar serieus heeft genomen, kan zich er deels in vinden, en heeft de conclusies grotendeels gevolgd. Dit klachtonderdeel is ongegrond. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:83 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1511

    Klacht tegen een psychiater. Klager verblijft in een forensisch psychiatrische kliniek waar de psychiater als directeur Zorg medeverantwoordelijk is voor de kwaliteit van de patiëntenzorg. Klager verwijt de psychiater dat hij driemaal verkeerde medicatie (waarvan twee maal antipsychotica) heeft gekregen en dat de Covid-en hygiënemaatregelen op de afdeling van klager niet werden nageleefd. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:127 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4314

    Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts die handelde als supervisor. Klager is van opvatting dat de supervisor heeft toegelaten dat geen goede diagnose is gesteld en er fouten zijn gemaakt, met grote negatieve gevolgen voor klagers gezondheid en zijn persoonlijke omstandigheden. Meer in het bijzonder verwijt hij de supervisor dat hij onvoldoende onafhankelijk toezicht heeft gehouden op het werk van de artsen (die onder zijn supervisie stonden), en hun werkzaamheden ten onrechte niet heeft gecorrigeerd. Het college overweegt het volgende. De enkele omstandigheid dat de supervisor (mede) eigenaar is van de onderneming waar de artsen in dienst zijn, betekent niet dat hij reeds daarom niet (voldoende) onafhankelijk ten opzichte van hen staat. Het college gaat er dan ook in beginsel van uit dat de supervisor als professional in voldoende mate zijn onafhankelijkheid heeft bewaakt. Feiten of omstandigheden (door klager te stellen en te onderbouwen) op grond waarvan anders moet worden geoordeeld, zijn gesteld noch gebleken. Dit klachtonderdeel is ongegrond. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:124 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4741

    Ongegronde klacht tegen een KNO-arts. De zoon van klagers, geboren in 2016, heeft sinds zijn geboortejaar een cochleair implantaat (CI) in beide oren. In januari 2020 heeft de KNO-arts de zoon gezien in verband met een loopoor links. Een geplande otoscopische inspectie werd vervolgens uitgesteld vanwege de Covid-maatregelen en later niet meer medisch zinvol geacht. In december 2020 werd de zoon met spoed opgenomen vanwege een spontaan opgetreden facialis parese links bij een ontstoken linkeroor. De zoon werd, vanwege aanhoudende koorts en hoofdpijn, in de weken daarna meermalen opgenomen voor onderzoek vanwege een verdenking op een meningitis zonder duidelijke verklaring. Eind januari 2021 werd de zoon voor een second opinion verwezen naar een ander CI-centrum. Daar werd bij onderzoek onder meer een scutum-defect gevonden in het linkeroor met een zichtbare elektrodenlead tegen het trommelvlies. De linker CI werd verwijderd. Tijdens deze operatie werd ontdekt dat er sprake was van een (klein) cholesteatoom en een slakkenhuisontsteking. Klagers hebben meerdere klachten over het handelen van de KNO-arts. De kern van hun verwijt is dat de KNO-arts beter onderzoek had moeten verrichten en dat het implantaat eerder verwijderd had moeten worden. De KNO-arts voert verweer. Het college oordeelt dat de door de KNO-arts uitgevoerde onderzoeken en de verschillende stappen in de behandeling zorgvuldig zijn geweest. Gebleken is dat de KNO-arts steeds alert is geweest op een cholesteatoom. Dat uiteindelijk tijdens de operatie toch een (klein) rustig cholesteatoom gevonden is maakt dit niet anders. Pas na verwijdering van het implantaat bleek dat sprake was van een ontsteking van het slakkenhuis. Een dergelijke ontsteking had helaas niet eerder vastgesteld kunnen worden door bijvoorbeeld CT-scan onderzoek. Het college acht de terughoudendheid van de KNO-arts om een goed functionerend implantaat zonder goede gronden te verwijderen, getuigen van (medisch) zorgvuldig handelen. Toen de onderzoeksmogelijkheden uitgeput raakten, heeft de KNO-arts terecht besloten om de zoon voor een second opinion te verwijzen naar een ander CI-centrum, met de vraag of er (niet toch) aanleiding was om het CI als focus van de symptomen te duiden. Het college verklaart de klacht (in al haar onderdelen) ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2023:20 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/4695

    Huisarts. Klacht inspectie. Coronabewijzen op basis van onjuiste of gefingeerde gegevens, onzorgvuldige dossiervoering en niet handelen in belang volksgezondheid.College: niet duidelijk of huisartsen herstelbewijzen mochten afgeven. Ongegrond. Ook zonder PCR-test coronabewijs afgegeven, op basis van anamnestische informatie of andere testen. Gegrond. Niet voldaan aan dossierplicht. Gegrond. Onnodige en onwenselijke risico’s. Geen besef handelen mogelijk schadelijk voor vertrouwen in gezondheidszorg en beroepsgroep.Maatregel: in maatschappelijk onzekere periode nog meer zorgvuldigheid en voorzichtigheid verwacht. Berisping.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:78 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1361

    Klacht tegen tandarts. Klaagster heeft zich vanwege een vastgestelde allergie tot de tandarts gewend met het verzoek om alle metalen uit haar gebit te verwijderen en metaalvrije kronen te plaatsen. Na de behandeling kreeg klaagster klachten van mondbranden. Een adviserend tandarts van klaagsters verzekeraar heeft over de nieuwe kronen bericht dat die niet lege artis zijn vervaardigd en dat veel kronen niet op hun plek zijn gekomen. Klaagster verwijt de behandelend tandarts onder meer dat hij bij de plaatsing van de kronen en de facings geen rekening heeft gehouden met de bestaande allergieën en dat de restauratieve behandeling tekort is geschoten. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart twee van de zeven klachtonderdelen gegrond en legt aan de tandarts een berisping op. Het Centraal Tuchtcollege verklaart naar aanleiding van het beroep van klaagster twee ongegrond verklaarde klachtonderdelen alsnog gegrond en verwerpt het incidenteel beroep van de tandarts. De berisping blijft gehandhaafd.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:121 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4544

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft klager onderzocht in het kader van een herbeoordeling WIA en heeft een rapportage uitgebracht.Klager verwijt de verzekeringsarts a) dat zij lacherig heeft gereageerd op de klachten van klager en een racistische en ongepaste opmerking heeft gemaakt; b) dat zij klager onnodig, ongevraagd en onaangekondigd van achteren heeft vastgegrepen en pijnlijk heeft geknepen en c) dat zij het rapport niet zorgvuldig heeft opgemaakt. Het college kan niet vaststellen wat er tijdens het spreekuur precies gezegd is en in welke context dit is gebeurd. Het lichamelijk onderzoek was naar het oordeel van het college noodzakelijk voor de herbeoordeling. Dat het onderzoek onaangekondigd heeft plaatsgevonden is onvoldoende gebleken. Het verwijt dat de verzekeringsarts het rapport niet zorgvuldig heeft opgemaakt is ook ongegrond. Naar het oordeel van het college komen de PTSS-klachten duidelijk ter sprake in het rapport. Wel klopt het dat de PTSS niet is genoemd in de FML, maar dit hoort ook niet. Alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond.