Zoekresultaten 141-150 van de 5611 resultaten

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:22 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2026/05

    Optreden als boedelnotaris bij verstoorde familieverhoudingen, terwijl de executeur een medewerker van het notariskantoor is. Om schijn van belangenverstrengeling/partijdigheid te voorkomen, doet een notaris er goed aan erop bedacht te zijn dat het vragen kan oproepen als hij/zij als boedelnotaris optreedt in een zaak waar hij/zij nauwer bij betrokken is dan gebruikelijk: dat kan ten koste gaan van het vertrouwen dat rechtzoekenden in het notariaat moeten kunnen stellen en daarom kan het aanbeveling verdienen om zo’n opdracht door te verwijzen naar een notaris van een ander kantoor. Ministerieplicht. Rol boedelnotaris in het algemeen. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2026:122 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9063

    Ongegronde klacht van een nabestaande van een patiënt tegen een MDL-arts. Bij de behandeling patiënt werd uitgegaan van galwegkanker. Klaagster verwijt de MDL-arts dat onvoldoende onderzoek werd gedaan naar de mogelijkheid van IgG4 gerelateerde ziekte, dat niets werd gedaan met de uitslag van het bevolkingsonderzoek darmkanker en dat geweigerd werd prednison voor te schrijven.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:134 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8277

    Klaagster klaagt erover dat de psychiater zich tijdens een intakegesprek onheus heeft gedragen tegenover haar en haar moeder. Het tuchtcollege oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat de psychiater zich onheus heeft gedragen, omdat de verklaringen van partijen daarover uiteenlopen en hiervoor geen bewijs is. De eerste twee klachtonderdelen zijn daarom ongegrond. Klaagster is niet-ontvankelijk in het derde klachtonderdeel over de bejegening van moeder, omdat alleen moeder daarover kan klagen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:182 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9570

    Voorzittersbeslissing. De klacht gaat over het handelen van de arts ten tijde van de opname van de dochter van klaagster op de intensive care en rondom de euthanasie van de dochter van klaagster. De arts heeft aangevoerd dat klaagster niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende, aangezien er geen sprake is geweest van een behandelrelatie tussen haar en de dochter van klaagster en dat zij en de dochter uitsluitend een vriendschappelijke privérelatie hadden. Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2026:123 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9465

    IGJ klaagt tegen verpleegkundige over grensoverschrijdend gedrag. Verwijt dat de verpleegkundige (seksueel) grensoverschrijdend heeft gehandeld door tijdens de behandelrelatie privécontact aan te gaan met een patiënt, welk contact zij - binnen de afkoelingsperiode - heeft voortgezet na beëindiging van de behandelrelatie, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in seksueel contact. De verpleegkundige erkent het handelen. Het college verklaard de klacht gegrond, maatregel van een voorwaardelijke schorsing met een bijzondere voorwaarden.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/7971

    Klacht tegen een bedrijfsarts in opleiding. Ongegrond. De bedrijfsarts in opleiding wordt verweten dat hij het opzettelijk heeft doen voorkomen alsof klaagster zou hebben tegengewerkt bij de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid en re-integratiemogelijkheden, dat hij klaagster na een vertrouwensbreuk niet heeft gewezen op de mogelijkheid contact op te nemen met zijn supervisor en dat hij niet persoonlijk heeft gereageerd op een aansprakelijkheidsstelling. Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De rapportage over het eerste spreekuur gaf feitelijk juist weer dat geen contact tot stand was gekomen en dat daardoor geen beoordeling kon plaatsvinden. Tijdens het tweede spreekuur kon evenmin een beoordeling plaatsvinden, omdat uitsluitend de partner van klaagster het woord voerde en klaagster zelf niet aan het gesprek deelnam. Ook bestond geen verplichting om klaagster actief op de supervisor te wijzen en mocht verweerder het incident tijdens het reguliere supervisieoverleg bespreken. Ten slotte was het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de aansprakelijkheidsstelling via de advocaat van de instelling werd afgehandeld.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:183 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9545

    Voorzittersbeslissing. De klacht gaat over de betrokkenheid van de psychotherapeut bij de familie van klager. Uit de door klager overlegde mailwisseling tussen hem en de psychotherapeut blijkt dat klager de psychotherapeut een groot aantal vragen voorlegt waarin hij opheldering vraagt over de grenzen tussen diens rol als vriend en als professional, maar klager noemt daarin geen feitelijke handelingen die zouden duiden op tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag. Ook overigens blijkt naar het oordeel van de voorzitter niet dat er sprake is van handelen dat in strijd is met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar hoort te doen. De klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9034

    Klacht tegen een bedrijfsarts. Gegrond. De bedrijfsarts wordt verweten dat hij in een rapportage aan de werkgever van klaagster medische gegevens heeft opgenomen zonder haar toestemming. Het college oordeelt dat de bedrijfsarts hiermee zijn beroepsgeheim en geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Hoewel de bedrijfsarts de ernst van de problematiek van klaagster wilde benadrukken, had hij dit moeten doen zonder medische kwalificaties of andere vertrouwelijke informatie te verstrekken. Het college rekent de bedrijfsarts aan dat hij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij een kerntaak van zijn beroep en slechts beperkt blijk heeft gegeven van zelfreflectie op zijn handelen. De klacht wordt gegrond verklaard. Gelet op de ernst van de schending van het beroepsgeheim legt het college de maatregel van berisping op.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:184 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9009

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter overweegt dat hij op basis van het dossier niet kan vaststellen of aanleiding heeft om te veronderstellen dat de psychiater klaagster onheus of onbehoorlijk heeft bejegend. De psychiater ontkent dat dit zo is en deze beschuldigingen zijn niet concreet toegelicht of onderbouwd. De voorzitter kan bij deze tegenstrijdige lezing van de feiten zonder nadere bevestiging van de lezing van klaagster niet in het nadeel van de psychiater uitgaan van wat klaagster over de bejegening heeft gezegd. Dit betekent dat de voorzitter niet kan vaststellen dat de psychiater tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat de klacht kennelijk ongegrond is.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:185 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9695

    Voorzittersbeslissing. Nu klaagster de verkeerde beklaagde heeft aangeschreven en er geen aanknopingspunten zijn voor het achterhalen welke beklaagde klaagster wel bedoelt, is de voorzitter van oordeel dat verdere inspanningen in dit geval niet van het tuchtcollege gevergd kunnen worden. De klacht is kennelijk ongegrond.