Zoekresultaten 1-10 van de 46643 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:48 Hof van Discipline 's Gravenhage 250337

    Verzoek tot inschrijving als advocaat. Klager heeft in juli 2025 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van de Orde. De raad heeft primair besloten het verzoek tot inschrijving niet in behandeling te nemen omdat op een eerder verzoek van klager van juli 2024 nog niet onherroepelijk is beslist. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1b Advocatenwet (hierna: Advw). Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van de inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat de beslissing van de raad op het eerdere verzoek van klager van juli 2024 op het moment van indienen van het verzoek in juli 2025 nog niet onherroepelijk was geworden, heeft de raad het verzoek van juli 2025 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving op grond van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw, echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1onder b Advw.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:4 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE-2025-18

    Gecompliceerde levering van onroerende zaken, die waren belast met hypotheken en executoriale beslagen. Vormerkung. Klaagster (koper) stelde uit hoofde van een vordering op de verkoper en een in verband daarmee gevestigd pandrecht ook gerechtigd te zijn tot een deel van de verkoopopbrengst van deze onroerende zaken. Wegens risico van benadeling van schuldeisers stelt de notaris nadere eisen aan taxatierapporten, waarna de eerder overeengekomen koopprijs van een pand wordt verhoogd. Nadat in kort geding vervolgens afspraken waren gemaakt over de verdeling van de verkoopopbrengst, heeft de notaris de akten van levering gepasseerd en de verkoopopbrengst (na aflossing van de hypotheken) tussen de twee beslagleggers verdeeld naar rato van hun vorderingen. Klacht m.b.t. vervallen van Vormerkung en negeren van gestelde pandrecht niet-ontvankelijk bij gebrek aan redelijk belang. Klacht verder ongegrond. I.v.m. het grote verschil in getaxeerde waarden heeft de notaris juist zorgvuldig gehandeld door aanvullende vragen te stellen over de reële waarde van het pand. Niet gebleken dat na het kort geding andere afspraken zijn gemaakt dan in het proces-verbaal van die zitting zijn vastgelegd: de notaris heeft deze op de juiste wijze uitgevoerd. Wijze van declareren is gezien omvang en complexiteit van de werkzaamheden niet buitensporig en/of onbehoorlijk. Van een notaris kan niet worden verlangd dat deze tijdens de looptijd van een dossier regelmatig onderzoek doet in de openbare registers als daarvoor geen aanleiding is.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:49 Hof van Discipline 's Gravenhage 240221

    Verzoek tot inschrijving als advocaat. Klager heeft in juli 2024 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van Orde Rotterdam. De raad heeft primair besloten op grond van artikel 2 lid 9 Advocatenwet (hierna: Advw) het verzoek buiten behandeling te laten, omdat het nieuwe verzoek is ingediend binnen een jaar nadat zijn eerdere verzoek om inschrijving definitief is geworden. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van het verzoek tot inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat het verzoek van klager (van juli 2024) binnen een jaar na de beslissing van de raad (van november 2023) op het eerdere verzoek van klager van april 2023 is ingediend, heeft de raad het verzoek van juli 2024 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving binnen de termijn van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw , echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:50 Hof van Discipline 's Gravenhage 240203H

    Herzieningsverzoek. Verzoeker heeft op 28 april 2023 bij de Raad van de Orde in het arrondissement Rotterdam (hierna: de raad) een verzoek ingediend tot inschrijving op het tableau als advocaat zoals bedoeld in artikel 2 Advocatenwet. De raad heeft in de beslissing van 16 november 2023 geweigerd om het verzoek tot inschrijving met toepassing van artikel 4 lid 1 sub b Advocatenwet in behandeling te nemen. Verzoeker heeft bij het Hof van Discipline (verder: het hof) een beklag ingediend als bedoeld in artikel 5 Advocatenwet. Het hof heeft in zijn beslissing van 1 juli 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:190) het beklag van verzoeker tegen de beslissing van 16 november 2023 ongegrond verklaard. Het hof wijst het herzieningsverzoek af. De door verzoeker genoemde gronden kunnen niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:46 Hof van Discipline 's Gravenhage 250074D 250075

    Klacht advocaat tegen advocaat wederpartij. In deze zaak staat de vraag centraal of bij het laten betekenen van een dagvaarding gelijktijdig een afschrift aan de advocaat van de wederpartij moet worden gestuurd. Gebleken is dat de raden van discipline daarover tot heden uiteenlopend hebben geoordeeld. Het hof is van oordeel dat de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet meebrengt dat een advocaat, in procedures die met een dagvaarding worden ingeleid, gehouden is om een afschrift van de dagvaarding toe te sturen aan de advocaat van de wederpartij, tijdig voorafgaand aan de betekening door de deurwaarder. Advocaten dienen in het belang van de rechtzoekenden en van de advocatuur in het algemeen te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen (zie gedragsregel 24). Naar het oordeel van het hof brengt dat belang mee dat een advocaat de advocaat van de wederpartij tijdig een afschrift stuurt van de te laten betekenen dagvaarding. Zo wordt voorkomen dat de advocaat die namens zijn cliënt een dagvaarding laat uitbrengen een gedaagde partij bij een geschil overrompelt zonder bijstand van diens eigen advocaat. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat een dagvaarding niet aan de beoogde partij ter hand wordt gesteld maar door de deurwaarder in de brievenbus wordt achtergelaten waardoor de kans bestaat dat de beoogde partij hiervan niet (tijdig) kennisneemt. Ook die praktijk onderstreept het belang dat de advocaat van de eisende partij de advocaat van de gedaagde partij tijdig informeert over de te laten betekenen dagvaarding door het toesturen ervan aan die advocaat.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:47 Hof van Discipline 's Gravenhage 250007 250008 250009 250010

    Klager heeft klachten ingediend over de advocaat van de wederpartij die in een civiele kwestie de ex-partner van klager bijstond. De klachten van klager komen erop neer dat verweerder onjuiste, onvolledige en leugenachtige mededelingen over klager heeft gedaan, dat verweerder klager ten onrechte heeft verboden hem via e-mail te benaderen in plaats van via zijn advocaten en heeft gedreigd met aangifte als klager daarmee door zou gaan en dat verweerder ten onrechte de suggestie heeft gewekt dat klager zaken zou afstemmen met de rechtbank waardoor een uitstelverzoek van verweerder zou zijn afgewezen. De raad heeft de klachten grotendeels gegrond verklaard. Daarvoor is aan verweerder een gedeeltelijk voorwaardelijke schorsing opgelegd. Verweerder is het daar niet mee eens en is in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep slaagt in zoverre dat het hof de in eerste instantie opgelegde maatregel heeft aangepast: schorsing 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk. Schending kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:3 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE-2025-41

    Gecompliceerde levering van onroerende zaken, die waren belast met hypotheken en executoriale beslagen. Klaagster (koper) stelde uit hoofde van een vordering op de verkoper en een in verband daarmee gevestigd pandrecht ook gerechtigd te zijn tot een deel van de verkoopopbrengst van deze onroerende zaken. Nadat in kort geding afspraken waren gemaakt over de verdeling van de verkoopopbrengst, heeft de notaris de akten van levering gepasseerd en de verkoopopbrengst (na aflossing van de hypotheken) tussen de twee beslagleggers verdeeld naar rato van hun vorderingen. Klacht m.b.t. negeren van gestelde pandrecht niet-ontvankelijk bij gebrek aan redelijk belang. Klacht m.b.t. onjuiste verdeling van de verkoopopbrengst ongegrond.

  • ECLI:NL:TDIVTC:2025:23 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/8

    Hond. Dierenarts wordt verweten dat zij de hond van klaagster op een lakse wijze heeft behandeld en daardoor het leven van de hond in gevaar heeft gebracht. Het college is er niet van overtuigd geraakt dat de dierenarts veterinair is tekortgeschoten wat betreft het door haar bij de hond verrichte onderzoek en de door haar ingezette behandeling van de hond. Klacht ongegrond, ook wat betreft het verwijt dat de dierenarts klaagster onhebbelijk zou hebben bejegend. [Klacht ongegrond]

  • ECLI:NL:TDIVTC:2025:24 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/33

    Klachtambtenaarzaak. Dierenarts wordt verweten de vaccinatie van dieren tegen Q-koorts in strijd met de geldende voorschriften te hebben uitgevoerd en van de vaccinatie een incorrecte en onvolledige administratie te hebben bijgehouden. De klachtambtenaar heeft als op te leggen maatregel verzocht de dierenarts een onvoorwaardelijke boete van € 5.000 op te leggen. Het college acht zowel het klachtonderdeel over het niet binnen twaalf maanden vaccineren door de dierenarts van de geiten en schapen op het bedrijf van de dierhouder als het klachtonderdeel over het bijhouden van een incorrecte en onvolledige administratie door de dierenarts van deze dieren gegrond. Volgt een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 en een voorwaardelijke geldboete van € 500 met een proeftijd van twee jaar. [Klacht gegrond met geldboete]

  • ECLI:NL:TNORARL:2026:1 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/449857 / KL RK 25-52

    Klacht deels gegrond. De oud-notaris heeft niet vastgelegd welke onderzoekshandelingen zij in haar dossiers heeft verricht, om vast te stellen of zij haar ministerie al dan niet moest weigeren. De kamer neemt dit haar kwalijk en stelt dat de dossiervoering van de notaris onvoldoende was en in strijd met de notariële zorgplicht. Nu de oud-notaris is gedefungeerd per 1 januari 2025, zij gedurende haar volledige loopbaan nooit in aanraking is gekomen met het tuchtrecht en niet door één van haar cliënten in de onderzochte dossiers is geklaagd noch door één van hen enige onvrede is geuit over de handelwijze van de oud-notaris in de dossiers legt de kamer geen maatregel aan haar op.