ECLI:NL:TGZRSHE:2025:77 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7514

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:77
Datum uitspraak: 09-07-2025
Datum publicatie: 09-07-2025
Zaaknummer(s): H2024/7514
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Tandarts. Klacht: bij extractie niet nagevraagd of verdoving werkte, niet geacht tot verdoving werkte, geen afspraken gemaakt wat te doen bij pijn verzoek te stoppen; doorgegaan met trekken kies terwijl klaagster herhaaldelijk riep dat zij pijn had en hand van de tandarts probeerde weg te duwen; doorgegaan met trekken terwijl begeleidster verzocht te stoppen en zei dat er sprake was van PTSS/trauma bij klaagster. Tandarts zou niet bekend zijn met termen PTSS/trauma en klaagster niet serieus genomen hebben. College: Ongegrond. Niet vast komen te staan of tandarts heeft gevraagd of verdoving was ingewerkt of afspraken heeft gemaakt wat te doen bij pijn of verzoek te stoppen. Wel aannemelijk geworden dat tandarts heeft gewacht tot verdoving was ingewerkt. Niet vast komen te staan dat klaagster heeft gezegd dat zij pijn had en tandarts heeft verzocht om stoppen. Ook geen aanknopingspunten in dossier. Niet verwijtbaar dat tandarts doorging met trekken kies, ondanks verzoek begeleidster om te stoppen omdat rol/status begeleidster niet bekend was. Aanwezigheid eventuele PTSS was tevens niet bekend en niet gebleken dat tandarts niet bekend zou zijn met termen PTSS/trauma. Klaagster wel serieus genomen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH


Beslissing van 9 juli 2025 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster, gemachtigde: [C],

tegen

[D],
tandarts, werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de tandarts,
gemachtigde: mr. E.E. Rippen, werkzaam in Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Klaagster heeft op 9 juli 2024 haar verstandskies laten trekken door de tandarts. Klaagster 
is van mening dat zij hierbij niet goed was verdoofd, dat de tandarts is doorgegaan met het trekken 
van haar kies terwijl zij aangaf nog pijn te voelen en dat de tandarts niet is gestopt met de 
behandeling terwijl zowel klaagster als haar begeleidster daarom hadden verzocht. Verder is 
klaagster van mening dat de tandarts geen kennis heeft van trauma/PTSS en klaagster niet serieus 
heeft genomen. Klaagster heeft ook aangifte van mishandeling gedaan tegen de tandarts.

1.2  De tandarts betwist dat hij klaagster niet goed heeft verdoofd en niet
naar haar heeft geluisterd. De tandarts geeft aan dat hij juist verdoving heeft bijgespoten om 
klaagster gerust te stellen. Verder is de tandarts van mening dat de behandeling zonder problemen 
is verlopen.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de tandarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft 
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 9 augustus 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 oktober 2024;
- de aanvullende stukken, ontvangen van de gemachtigde van verweerder op 29 april 2025;
- de CD-rom met de begeleidende brief, ontvangen van de gemachtigde van verweerder op 6 mei 2025;
- de digitale versie van de bite wing, gemaakt op 12 maart 2024, ontvangen per e-mail op 9 mei 2025 
en op CD-rom per post op 13 mei 2025.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik 
gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 16 mei 2025. De partijen zijn verschenen. Zij 
werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten 
mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de 
andere partij overhandigd. Op verzoek van de tandarts is ter zitting als getuige gehoord mevrouw 
[E], als tandartsassistente werkzaam bij de tandartsenpraktijk.

3. Wat is er gebeurd?
3.1  Klaagster is patiënt bij de tandartsenpraktijk waar de tandarts werkzaam is.


3.2   Klaagster maakt gebruik van begeleiding door een hulpverleningsinstantie op grond van de Wet 
maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en heeft in het kader van deze hulpverlening een begeleidster.

3.3  Op 16 april 2024 had klaagster een afspraak bij een collega van de tandarts.
In het tandheelkundig dossier staat genoteerd (alle citaten inclusief taal- en typefouten):
“geen afspraak meer maken, is nu al de 3e x!!!(…)
Overlegd met [naam collega tandarts] dit is de 3e keer ze had zich verslapen belde wel op heb 
gezegd dat na 3 keer ze een andere tandarts moet zoeken in overleg met [naam collega tandarts] 
daarna nog met [naam assistente] gesp[roken niet voor rede vaatbaar uitgelegd dat we tijd voor 
hebben uitgetrokken vroeg nog binnen hoeveel tijd ze kon komen maar
moest nog douchen en wij moeten begrip hebben dat hun ramadan hebben heb ik ook. !!!!!”

3.4  Op 19 april 2024 is na een telefoongesprek met de begeleidster genoteerd:
“LAATSTE POGING
komt met begeleider noteer email van haar ivm afspraken (…)”

3.5   Op 9 juli 2024 is de verstandskies 18 ex H11 van klaagster getrokken door de tandarts. 
Hierbij waren de tandartsassistente en de begeleidster van klaagster aanwezig. De tandarts heeft na 
de extractie het volgende genoteerd:
“[naam klaagster] heeft 3x afspraak niet nagekomen,hebben wij gezegd dar ze een andere ta. moest 
zoeken omdat dit niet werkbaar is voor ons. Op uitdrukkelijk verzoek van begeleidster afspr bij 
[naam tandarts] gemaakt voor extr 18. Ondanks uiterst irritant en niet aan de behandeling 
bijdragend gedrag van haar (time out.time ou) tverliep de behandeling zonder problemen Het element 
was dorsaal gekanteld.Het gedrag van de bergeleidster was erg storend door haar bemoeienis Behandeling ging goed geen problemen”

3.6   Klaagster heeft op 18 juli 2024, in het bijzijn van haar begeleidster, aangifte gedaan tegen 
de tandarts wegens eenvoudige mishandeling, gepleegd op 9 juli 2024.

4. De klacht en de reactie van de tandarts
4.1  Klaagster verwijt de tandarts dat hij:
1. niet heeft nagevraagd of de verdoving werkte;
2. niet heeft gewacht tot de verdoving werkte;
3. geen afspraken heeft gemaakt met klaagster wat te doen mocht zij iets voelen of willen stoppen;
4. is doorgegaan met het trekken van de kies terwijl klaagster herhaaldelijk ‘nee, stop, auw, het 
doet pijn’ riep;
5. is doorgegaan met het trekken van de kies terwijl klaagster probeerde zijn hand weg te duwen;
6. is doorgegaan met het trekken van de kies terwijl de begeleidster van klaagster hem meermaals 
heeft gesommeerd te stoppen;
7. is doorgegaan met het trekken van de kies terwijl de begeleidster meermaals heeft gezegd dat er 
bij klaagster sprake is van trauma/PTSS en dat hij haar zo verder beschadigde;
8. niet bekend is met de termen trauma/PTSS en klaagster op geen enkele manier serieus heeft 
genomen.

4.2  De tandarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de tandarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. 
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een 
tuchtrechtelijk verwijt.

5.2   Wegens samenhang zal het college de eerste drie klachtonderdelen gezamenlijk bespreken. 
Daarna zullen de klachtonderdelen 4 en 5, en 6 en 7 gezamenlijk worden besproken. Tot slot zal 
klachtonderdeel 8 afzonderlijk worden besproken.

Klachtonderdelen 1 t/m 3) de tandarts heeft niet nagevraagd of de verdoving werkte; niet gewacht 
tot de verdoving werkte en geen afspraken gemaakt met klaagster wat te doen mocht zij iets voelen of willen stoppen
5.3   Klaagster stelt dat de tandarts, nadat hij haar een verdoving had gegeven, niet bij haar 
heeft nagevraagd of zij al voelde dat de verdoving zijn werk deed en geen afspraken heeft gemaakt 
mocht zij iets voelen of willen stoppen. De tandarts en de getuige hebben aangegeven dat de 
tandarts altijd standaard bij iedere patiënt navraagt of de verdoving al is ingewerkt, en zij gaan 
ervan uit dat de tandarts dat ook bij klaagster zal hebben gedaan.

5.4   Het college kan in het licht van beide verklaringen, niet met zekerheid vaststellen dat de 
tandarts expliciet heeft nagevraagd of de verdoving bij klaagster al was ingewerkt alvorens hij 
overging tot extractie van de kies. Ook wat betreft het maken van afspraken in verband met het 
aangeven van pijn of het verzoek om te stoppen, geldt dat het college niet heeft kunnen vaststellen 
of dat al dan niet heeft plaatsgevonden. Ook hierbij stelt de tandarts en verklaart de getuige dat 
dit altijd standaard bij iedere patiënt wordt gedaan maar geeft klaagster aan dat dit bij haar niet 
is gebeurd. Het college kan niet vaststellen dat op deze twee punten klachtwaardig is gehandeld. 
Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan 
dat van de tandarts, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten 
gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten 
grondslag kunnen worden gelegd. Ook als aan het woord van klaagster en van de tandarts evenveel 
geloof wordt gehecht, kan dat hier niet worden vastgesteld. In zoverre is het klachtonderdeel dat 
hierop ziet, ongegrond.

5.5   Wat betreft het verwijt dat de tandarts niet heeft gewacht tot de verdoving goed was 
ingewerkt, overweegt het college het volgende. De tandarts heeft aangevoerd dat hij na het geven 
van de verdoving altijd een kort gesprek aangaat met de patiënt zodat de verdoving in de tussentijd 
goed kan inwerken. De tandarts stelt dat hij dit ook in het geval van klaagster heeft gedaan en 
daarbij zeker een aantal minuten met haar heeft gepraat en heeft gewacht tot de verdoving zou zijn 
ingewerkt voor het overgaan tot het trekken van de kies van klaagster. Nu door klaagster ook 
gesteld is dat de tandarts na het verdoven is overgegaan tot “praten over koetjes en kalfjes”, mag 
naar oordeel van het college worden aangenomen dat de tandarts enkele minuten heeft gewacht tot hij 
overging tot het trekken van de kies, zodat de verdoving kon inwerken. De klachtonderdelen 1 t/m 3 
zijn ook in zoverre ongegrond.

Klachtonderdelen 4 en 5) de tandarts is doorgegaan met het trekken van de kies terwijl klaagster 
herhaaldelijk ‘nee, stop, auw, het doet pijn’ riep en de hand van de tandarts probeerde weg te 
duwen
5.6   Door de tandarts en de getuige is uitdrukkelijk betwist dat klaagster heeft geroepen dat zij 
pijn had en de tandarts heeft verzocht om te stoppen met de behandeling. De tandarts heeft 
aangegeven dat hij op enig moment, toen hij bezig was met de extractie, tegen klaagster heeft 
gezegd dat het ‘al bijna klaar’ was. Nu klaagster dit niet heeft betwist, gaat het college uit van 
de juistheid daarvan. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de tandarts enige angst of onrust bij 
klaagster heeft opgemerkt, echter heeft het college niet kunnen vaststellen dat klaagster expliciet en herhaaldelijk ‘nee, stop, auw, het doet pijn’ heeft geroepen en/of de hand van de tandarts heeft weggeduwd. Ook het medisch tandheelkundig dossier biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Wel is in het medisch dossier genoteerd dat de begeleidster van klaagster heeft gevraagd om een time-out, maar niet dat klaagster schreeuwde van de pijn of de 
tandarts, verbaal of non-verbaal, heeft gevraagd te stoppen. Ook hier geldt dat het college niet 
kan vaststellen dat de tandarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld omdat de feitelijke 
gang van zaken niet is vast komen te staan en de zienswijze van klaagster en de tandarts niet 
overeenkomen. Dat de tandarts tegen klaagster heeft gezegd dat het ‘bijna klaar’ was om haar te 
begeleiden naar het einde van de behandeling acht het college ook aannemelijk. Daarmee heeft de 
tandarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De klachtonderdelen 4 en 5 zijn ongegrond.

Klachtonderdelen 6 en 7) de tandarts is doorgegaan met het trekken van de kies terwijl de 
begeleidster hem meermaals heeft gesommeerd te stoppen en meermaals heeft gezegd dat er bij 
klaagster sprake is van trauma/PTSS en dat hij haar zo verder beschadigde
5.7   Klaagster is op 9 juli 2024 verschenen bij de praktijk, voor het eerst vergezeld van haar 
begeleidster, die eerder telefonisch contact heeft gehad met de praktijk. Op de afspraken daarvoor 
is klaagster altijd alleen verschenen en volgens de getuige was klaagster dan ook goed 
behandelbaar. De getuige heeft ter zitting verklaard dat de medewerkers van de praktijk in de 
veronderstelling waren dat de begeleidster meekwam met klaagster zodat klaagster beter overzicht 
kon houden op haar afspraken en in de toekomst tijdig zou verschijnen op haar afspraken.

5.8   Gesteld noch gebleken is dat het voor de tandarts bekend was welke rol de begeleidster had in 
de relatie tussen haar en klaagster. Het was ook niet duidelijk dat de begeleidster namens 
klaagster het woord zou voeren of welke afspraken golden tussen klaagster en haar begeleidster. 
Voorafgaand aan de behandeling is bij de praktijk ook niet expliciet gemeld dat er bij klaagster 
sprake zou zijn van PTSS en dat dit van invloed zou kunnen zijn op de wijze van behandeling. 
Aangezien de rol en status van de begeleidster niet bekend zijn gemaakt, acht het college het niet 
tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de tandarts, bij een wilsbekwame, goed behandelbare patiënt als 
klaagster, die zelf in staat is goed te communiceren en voorheen altijd alleen is verschenen op 
afspraken, zich richt op de patiënt zelf en afspraken maakt met de patiënt zelf. Ook aangenomen dat 
de begeleidster tijdens de behandeling heeft gewezen op de PTSS van klaagster, is dit onvoldoende 
om aan te nemen dat de tandarts de behandeling had moeten beëindigen dan wel de behandeling had 
moeten wijzigen. Immers, onbetwist is dat klaagster reeds eerder in de praktijk was behandeld en 
dat ook tijdens die behandelingen ingrepen hebben plaatsgevonden aan het gebit. Indien de tandarts 
klaagster door het niet opvolgen van het verzoek van de begeleidster om te stoppen al verder zou 
hebben beschadigd – dit is geenszins gebleken – valt dat de tandarts niet te verwijten. Dit maakt 
dat de klachtonderdelen 6 en 7 ongegrond zijn.

Klachtonderdeel 8) de tandarts is niet bekend met de termen trauma/PTSS en heeft klaagster op geen 
enkele manier serieus genomen

5.9   Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Nog daargelaten dat de tandarts niet ervan op de hoogte 
was dat klaagster zou lijden aan PTSS, heeft het college geen aanwijzingen om aan te nemen dat de 
tandarts niet bekend is met de termen trauma/PTSS of dat hij klaagster niet serieus heeft genomen. 
Het college heeft op grond van hetgeen de tandarts heeft opgemerkt voldoende aanwijzingen om aan te 
nemen dat de tandarts klaagster juist wel serieus heeft genomen, zich heeft ingespannen om een band 
op te bouwen met klaagster en deze gedurende de behandeling ook te behouden en haar, juist om haar 
gerust te stellen, een tweede verdovingsprik heeft gegeven.


Slotsom
5.10  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.


6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
C.M.H.M. van Lent, lid-jurist, R.C.M. van Gorp, G.L.M.M. van der Werff en T. Xi, leden- 
beroepsgenoten, bijgestaan door M. Karatepe, secretaris, en in het openbaar uitgesproken
op 9 juli 2025.