Zoekresultaten 12301-12310 van de 48147 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:123 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag d2021/2028-2021-026

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een orthodontist. In de notitie ‘Het beëindigen of niet-aangaan van een behandelingsovereenkomst’ van de KNMT is opgenomen dat een tandarts de behandelovereenkomst kan beëindigen als de patiënt zich onheus of agressief jegens de tandarts of anderen gedraagt. Gedrag van familieleden valt daar niet onder. Niet voldaan aan de zorgvuldigheidseisen door de behandelrelatie tot een aanvaardbare situatie terug te brengen. Tweede klachtonderdeel ongegrond. Klacht gedeeltelijk gegrond, waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:130 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2453

    Deels gegronde klacht tegen een huisarts. Klager verwijt beklaagde dat hij hem heeft onthouden van medische zorg door hem niet van insuline te voorzien en zijn bloedsuikerwaarden niet te controleren, terwijl beide nodig waren. Het College is van oordeel dat een tijdverloop van bijna zeven weken tussen het ontslag uit het ziekenhuis en het eerste consult met klager onaanvaardbaar lang is. Dat geldt eens te meer nu in de ontslagbrief van het ziekenhuis is verzocht om controle. Tevens heeft hij nagelaten te achterhalen of klager wel over voldoende insuline beschikte.De behandelovereenkomst is beëindigd nadat de POH beklaagde informeerde over de woordenwisseling die tussen klager en haar had plaatsgevonden, zonder klager daar zelf over te spreken en te onderzoeken wat de oorzaak van de gedragingen van klager was. Het was de verantwoordelijkheid van beklaagde om de communicatie met klager weer op gang te brengen of in ieder geval te onderzoeken en te proberen of herstel van de behandelrelatie mogelijk is. Niet is gebleken dat er sprake was van een zodanig extreme gebeurtenis dat beklaagde de behandelovereenkomst op die enkele grond had mogen beëindigen. Beklaagde heeft dan ook niet voldaan aan de zorgvuldigheidseisen die bij het beëindigen van een behandelingsovereenkomst gelden. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, waarschuwing

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:124 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2379-2020-172

    Ongegronde klacht tegen een tandarts. Het ligt op de weg van klager voorafgaand aan het vervaardigen en plaatsen van een frame te informeren naar de kosten daarvan indien daarover op dat moment nog geen duidelijkheid bestaat. Niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de begroting per abuis te laag is vastgesteld, hoewel het handelen van de tandarts op dit punt zorgvuldiger had gekund. Overige klachtonderdelen ook ongegrond. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:125 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2378-2020-118

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een orthodontist. Beklaagde is naar het oordeel van het college tekortgeschoten bij het opstellen van het behandelplan; hij heeft onvoldoende rekening gehouden met de aandoening (amelogenesis imperfecta) van klaagster. Niet kan worden vastgesteld welk resultaat inmiddels had kunnen zijn bereikt. De communicatie en regievoering door beklaagde zijn voor verbetering vatbaar, maar het gaat te ver hem hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Niet kan worden vastgesteld dat beklaagde niet adequaat op een verzoek om doorverwijzing heeft gereageerd. Klacht gedeeltelijk gegrond, waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:119 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2223-2021-043a

    Deels gegronde klacht tegen een radioloog. Beklaagde heeft klaagster lichamelijk onderzocht en een echografie gemaakt in verband met een knobbeltje in haar borst. Bij de beoordeling van het beeldmateriaal is beklaagde tot de opvatting gekomen dat er geen hoge verdenking was op een mammacarcinoom. Gelet op de Landelijke richtlijn Mammacarcinoom moeten de begrenzing, vorm en oriëntatie worden beschreven om de massa als benigne (goedaardig) te kunnen karakteriseren. In het verslag moet worden opgenomen wat op het beeldmateriaal is gezien en daaruit moet volgen tot welke classificatie wordt gekomen. Ten onrechte ontbreken deze beschrijving en de koppeling met de classificatie in het verslag. Ernstiger nog is dat uit het overgelegde beeldmateriaal blijkt dat sprake is van een onscherp begrensde zwelling. Beklaagde had bij de beoordeling van het beeldmateriaal dienen te komen tot een classificatie BI-RADS 4. Aangewezen is dan of een onmiddellijke biopsie of een controle na een maand. Beklaagde heeft dit ten onrechte niet gedaan. Overige klachtonderdelen ongegrond. Klacht deels gegrond, waarschuwing

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:126 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/3212

    Voordracht wegens ongeschiktheid tot het uitoefenen van het beroep van verpleegkundige. De verpleegkundige heeft in verschillende zorginstellingen opiaten ontvreemd en gebruikt tijdens zijn diensten. Het college is van oordeel dat de verpleegkundige niet geschikt is om zijn beroep uit te oefenen, omdat hij nog steeds verslaafd is en er een (groot) risico is op terugval als de verslaving in remissie is. Het is te verwachten dat hij bij werk in een ziekenhuis opnieuw opiaten of andere middelen zal wegnemen en gebruiken, met alle risico’s van dien voor de patiënten. Maatregel: ontzegging recht wederom in te schrijven in het BIG-register en schorsing.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:99 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2331-A2021/025

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klaagster is behandeld door een behandelteam, waarbij de gz-psycholoog als regiebehandelaar betrokken was. Zij klaagt over de manier waarop de behandelingsovereenkomst met haar is beëindigd. Een dag na het beëindigen van de behandelingsovereenkomst heeft klaagster geprobeerd de gz-psycholoog op zijn werk op te zoeken, terwijl zij een mes bij zich had en tegenover derden doodsbedreigingen aan zijn adres heeft geuit. De gz-psycholoog heeft vervolgens aangifte gedaan en klaagster is voor haar handelen strafrechtelijk veroordeeld. In dit geval was de behandelingsovereenkomst tussen de zorginstelling en klaagster tot stand gekomen. Dat neemt niet weg dat de gz-psycholoog bij het opzeggen van de behandelingsovereenkomst een eigen verantwoordelijkheid had. Volgens artikel 7:460 Burgerlijk Wetboek (BW) kan een hulpverlener de behandelingsovereenkomst niet opzeggen, behalve als daarvoor gewichtige redenen zijn. Het college is van oordeel dat de door de gz-psycholoog aangevoerde redenen voldoende gewichtig waren om de behandelingsovereenkomst met klaagster te beëindigen. Ook ziet het college onvoldoende aanwijzingen dat de gz-psycholoog hierin een onzorgvuldige rol zou hebben gespeeld of dat hij de behandeling onzorgvuldig zou hebben beëindigd. Het college komt verder tot de conclusie dat de gz-psycholoog zijn beroepsgeheim niet heeft geschonden. Met betrekking tot de aangifte die de gz-psycholoog heeft gedaan, is het college van oordeel dat er sprake is geweest van een conflict van plichten. De doorbreking van zijn beroepsgeheim kan de gz-psycholoog in de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk worden verweten. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:101 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2141

    Verweerder, huisarts, wordt verweten dat hij zijn zorgplicht jegens een palliatieve patiënte onvoldoende is nagekomen, door niet te reageren op verzoek tot verwijzing naar het ziekenhuis voor het aanleggen van een PICC-lijn, het niet komen op een gepland huisbezoek en het niet adequaat reageren op een spoedmelding op de ochtend van het overlijden van patiënte. Verweerder voert verweer.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:102 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2457

    Verweerster, huisarts, wordt verweten in de palliatieve zorgverlening onvoldoende rekening te hebben gehouden met de wensen van patiënte (o.a. verwijzing naar het ziekenhuis voor het aanleggen van een PICC-lijn). Verweerster voert verweer.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:103 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2015-A2021/033

    Klager verwijt verweerder, destijds inspecteur bij de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), onder meer dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden door de overdracht van een over klager geschreven rapport te faciliteren. Daarmee heeft verweerder zich volgens klager ook schuldig gemaakt aan het verspreiden van onjuiste c.q. valse medische informatie over klager. Tevens verwijt klager verweerder te hebben gelogen in een eerdere tuchtprocedure. De voorzitter oordeelt dat alle klachten kennelijk niet-ontvankelijk zijn, omdat verweerder niet als behandelend arts of anderszins in zijn hoedanigheid van arts betrokken is geweest bij klager. Het handelen van verweerder (als toetsende collega inspecteur) staat niet in een voldoende verband met de individuele gezondheidszorg om in aanmerking te komen voor tuchtrechtelijke toetsing.