Zoekresultaten 10591-10600 van de 48204 resultaten

  • ECLI:NL:TNORAMS:2022:11 Kamer voor het notariaat Amsterdam 710427 / NT 21-57

    De kamer stelt voorop dat partijen bij een depotovereenkomst voldoende en tijdig behoren te worden geïnformeerd, voordat een notaris tot uitkering van het depot overgaat. Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris op dit punt onvoldoende zorgvuldig gehandeld. Vast staat dat de notaris klager niet op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen tot uitkering van het depotbedrag in augustus 2021. Klager had weliswaar in januari 2019 de notaris al ondubbelzinnig schriftelijk instructie gegeven het depotbedrag uit te keren aan kopers, maar gelet op het tijdsverloop nadien had de notaris op het moment dat hij meende eindelijk tot uitkering te kunnen overgaan - meer dan tweeëneenhalf jaar later - klager van zijn voornemen tot uitkering van het depotbedrag aan kopers (in verband met de van hen ontvangen instructie) op de hoogte behoren te stellen. Nu de notaris dat heeft nagelaten is klager de mogelijkheid ontnomen om zich tegen de voorgenomen uitbetaling te verzetten. De kamer acht de klacht dan ook gegrond, maar zal de notaris geen maatregel opleggen. Daarvoor is redengevend dat uit de processtukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het klager zelf is geweest die de notaris meerdere keren uitdrukkelijk had gevraagd om tot uitkering van het depotbedrag over te gaan. Verder is aan klager zelf toe te rekenen dat hij na zijn schriftelijke instructie van 22 januari 2019 de notaris nooit heeft laten weten dat zijn standpunt ten aanzien van de uitkering van het depotbedrag was gewijzigd. Voor de notaris bestond dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat klager intussen van standpunt was veranderd. Niet gebleken is immers dat de notaris van de lopende rechtszaak tussen klager en kopers op de hoogte was. Voor zover klager zich nog op het standpunt heeft gesteld dat de notaris partijdig heeft gehandeld omdat hij de kopers erg goed kent, geldt dat klager die stelling niet nader heeft onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Ten slotte houdt de kamer er rekening mee dat de notaris ter zitting ook heeft erkend dat het beter was geweest om klager voorafgaand aan uitkering van het depot te informeren.Gelet op het voorgaande acht de kamer het verweten handelen onvoldoende ernstig om een maatregel op te leggen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:114 Raad van Discipline Amsterdam 21-465/A/A

    Raadsbeslissing, gedeeltelijk gegronde klacht over de dienstverlening van de eigen advocaat. Verweerder heeft nagelaten een opdrachtbevestiging te versturen en klager op de hoogte te stellen van belangrijke informatie en beslissingen (zoals het niet indienen van een zienswijze tegen een besluit). Berisping met kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2022:12 Kamer voor het notariaat Amsterdam 709157 / NT 21-55

    Met betrekking tot het klachtonderdeel dat de notaris onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van de leveringsakte overweegt de kamer het volgende.De klacht van klager richt zich er met name op dat de notaris onvoldoende heeft geverifieerd of de vader van klager de inhoud en de gevolgen van de akte voldoende begreep. Klager wijst er in dit verband op dat tijdens het passeren geen tolk aanwezig is geweest terwijl zijn vader volgens hem niet kan lezen of schrijven en gebrekkig Nederlands spreekt.De notaris heeft ter zitting verklaard dat zij geen specifieke herinnering aan de akte meer heeft maar dat zij wel het dossier naar aanleiding van de klacht erbij heeft gepakt. Uit het dossier heeft de notaris kunnen opmaken dat de bespreking met de vader en broer D voorafgaand aan de overdracht op het notariskantoor 40 minuten heeft geduurd, wat betekent dat zij ruim de tijd voor het passeren heeft genomen, aangezien de akte maar drieënhalve pagina besloeg. Daarnaast heeft zij haar standaard werkwijze bij het passeren van een akte nader toegelicht. De notaris heeft tevoren een concept van de leveringsakte naar het adres van de vader van klager toegestuurd en het bedrag van de koopsom is, zoals uit een door haar overgelegd rekeningafschrift blijkt, overgemaakt aan de vader van klager. Verder heeft de notaris toegelicht dat voor haar geen aanleiding bestond om aan de voor het pand betaalde prijs te twijfelen. De kamer heeft tijdens de mondelinge behandeling kunnen constateren dat de vader van klager de Nederlandse taal in de basis beheerst. De notaris heeft ter zitting verklaard dat zij de belangrijke punten uit een leveringsakte altijd helemaal met partijen doorneemt en aan het einde altijd vraagt of zij de akte goed hebben begrepen. Aan onderhavige akte heeft de notaris bovendien ook extra tijd besteed. Verder is de kamer gebleken dat bij de eerdere overdracht van het pand aan de vader van klager (in 1974) ook geen tolk aanwezig is geweest ten tijde van het passeren van de desbetreffende akte.Gelet op het voorgaande kan de kamer niet aannemen dat, zoals klager stelt, de notaris onvoldoende heeft geverifieerd of het de vader duidelijk was wat de inhoud van de leveringsakte was en welke gevolgen dit voor hem had. Niet is gebleken dat de bijstand van een tolk gewenst was en dat de vader van erflater – in verband met de afwezigheid van een tolk – niet heeft geweten waarvoor hij tekende. De kamer acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:89 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle G2020/39

    Klacht tegen specialist ouderengeneeskunde, inhoudende dat zij een patiënte die met Covid-19 verbleef op een revalidatieafdeling van een zorgcentrum - ondanks meerdere verzoeken van de familie - niet heeft doorgestuurd naar het ziekenhuis. Uiteindelijk is patiënte wel doorgestuurd naar het ziekenhuis. Het college is van oordeel dat er voordat patiënte daadwerkelijk werd doorgestuurd geen medische indicatie was om haar op te laten nemen in het ziekenhuis. Het college acht het handelen van beklaagde verdedigbaar en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:122 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.290

    Klacht tegen SEH-arts. Klager kwam met krampende pijn in zijn voet, enkel en onderbeen naar de spoedeisende hulp (SEH). De arts-assistent van de SEH heeft een echo van de lies en het been aangevraagd. Een radioloog heeft de echo gemaakt en geconcludeerd dat er geen aanwijzingen waren voor een diep veneuze trombose. De arts-assistent heeft vervolgens overlegd met de SEH-arts, die die avond zijn supervisor was. Nadien is klager na telefonisch overleg met de internist naar huis gestuurd. Enkele dagen later bleek dat sprake was arteriële trombose. Klager verwijt de SEH-arts dat hij als supervisor heeft nagelaten om aan de radioloog opdracht te geven om met behulp van een CT‑angiografie onderzoek te doen naar een mogelijke arteriële oorzaak van zijn klager. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel 1 alsnog gegrond en legt aan de SEH-arts een berisping op.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:123 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.288

    Klacht tegen huisarts, destijds huisarts in opleiding (HAIOS). Klager kwam met krampende pijn in zijn voet, enkel en onderbeen naar de spoedeisende hulp. De HAIOS heeft een echo van de lies en het been aangevraagd.Een radioloog heeft de echo gemaakt en geconcludeerd dat er geen aanwijzingen waren voor een diep veneuze trombose. De HAIOS heeft hierna met de spoedeisende hulp-arts en de internist overlegd. Daarna is klager naar huis gestuurd.Enkele dagen later bleek dat sprake was arteriële trombose. Klager verwijt de HAIOS dat zij heeft nagelaten om aan de radioloog opdracht te geven om met behulp van een CT-angiografie onderzoek te doen naar een mogelijke arteriële oorzaak van de klachten van klager.Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing waarvan beroep en opnieuw rechtdoende verklaart de klacht gegrond zonder oplegging van een maatregel met publicatie.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:124 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1060

    Klacht tegen gynaecoloog. Klaagster is na een traumatische seksuele gebeurtenis door haar huisarts naar verweerster verwezen in verband met de overtuiging van klaagster dat ze tijdens dit seksuele contact is verminkt. Klaagster verwijt verweerster in de kern dat zij haar klachten niet heeft erkend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:87 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle G2020/53

    Klacht tegen psychiater. Klager verblijft in een tbs-kliniek. Hij verwijt de psychiater dat deze ten aanzien van klager zou hebben geadviseerd hem dwangmedicatie te geven. Het college is van oordeel dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:88 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3053

    Klacht tegen bedrijfsarts. Klager is eenmaal bij de betreffende bedrijfsarts op consult geweest. Over beklaagdes handelen met betrekking tot dit consult heeft klager eerder een klacht ingediend bij het regionaal tuchtcollege. Deze klacht is ongegrond verklaard, waarna klager beroep heeft ingesteld. Hangende deze beroepsprocedure heeft hij bij het regionaal tuchtcollege opnieuw een klacht ingediend. Vanwege de verwevenheid van beide procedures heeft het tuchtcollege de behandeling van de nieuwe klacht aangehouden in afwachting van de beslissing van het CTG in de lopende beroepsprocedure. Het CTG heeft vervolgens beslist en in de beoordeling ook het nieuwe klachtonderdeel betrokken. Naar het oordeel van het college betreft de onderhavige klacht hetzelfde handelen als het handelen waarover het CTG onherroepelijk heeft beslist. Klacht niet-ontvankelijk wegens ne bis in idem.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:121 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.289

    Klacht tegen internist. Klager kwam met krampende pijn in zijn voet, enkel en onderbeen naar de spoedeisende hulp (SEH). De arts-assistent van de SEH heeft een echo van de lies en het been aangevraagd. Een radioloog heeft de echo gemaakt en geconcludeerd dat er geen aanwijzingen waren voor een diep veneuze trombose. De arts-assistent heeft hierna telefonisch met de internist overlegd. Deze had geen duidelijke verklaring voor de klachten en heeft de arts-assistent geadviseerd om de klachten te vervolgen en klager aan te raden bij alarmsymptomen direct terug te komen. Daarna is klager naar huis gestuurd. Enkele dagen later bleek dat sprake was arteriële trombose. Klager verwijt de internist dat hij heeft nagelaten om aan de radioloog opdracht te geven om met behulp van een CT-angiografie onderzoek te doen naar een mogelijke arteriële oorzaak van de klachten van klager. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.