Zoekresultaten 1-10 van de 47568 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:115 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3178 herziening

    Klager heeft bij het Centraal Tuchtcollege op de voet van artikel 52 Wet BIG een verzoek ingediend tot herziening van de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 26 november 2025. Het Centraal Tuchtcollege concludeert dat alleen om herziening kan worden verzocht door degene over wie is geklaagd. Daarnaast is herziening bedoeld om een beslissing te herstellen die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt en niet voor een hernieuwde discussie over uitspraken. Op basis hiervan heeft het Centraal Tuchtcollege verzoeker (klager) niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot herziening van de beslissing van 26 november 2025

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:175 Hof van Discipline 's Gravenhage 260039

    Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. Het hof is, overeenkomstig het standpunt van de deken, van oordeel dat van een aan te wijzen advocaat in de resterende tijd tussen het moment dat het verzoek van klaagster in behandeling kon worden genomen en de datum waarop de cassatietermijn zou verstrijken, redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat deze het dossier zou opvragen, bestuderen, een cassatieadvies zou uitbrengen en - in geval van een positief advies - een verzoekschrift met cassatiemiddelen zou opstellen en indienen bij de Hoge Raad. Dit betekent dat klaagsters doel – een rechtsmiddel instellen – niet meer kon worden bereikt, zodat aanwijzing van een advocaat voor dat doel zinloos was geworden. Op die grond dient het beklag van klaagster al te worden afgewezen. Verder is het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut, maar mag dit aan beperkingen worden onderworpen. Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:169 Hof van Discipline 's Gravenhage 250448

    De klacht gaat over de advocaat van de wederpartij in een arbeidsgeschil. Klaagster komt geen beroep toe op gedragsregel 15 (belangenverstrengeling). Verweerster heeft geen onduidelijkheid laten ontstaan voor welke partij zij optrad. De civielrechtelijke veroordeling dat B&S jegens klaagster onrechtmatig heeft gehandeld leidt niet zonder meer tot gegrondverklaring van de klacht over verweerster. Verweerster was geen partij in die procedure en geen onderdeel van de onderzoekscommissie van B&S. De tuchtrechter is ook niet zonder meer aan een uitspraak van een civiele rechter gebonden omdat de tuchtrechter oordeelt vanuit een ander kader (artikel 46 Advocatenwet) dan de civiele rechter. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad die de klacht ongegrond heeft verklaard.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:112 Raad van Discipline Amsterdam 25-865/A/A

    Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. Onderliggende procedure betreft een conflict in een VvE. De raad is van oordeel dat verweerder met een geldige opdracht de VvE heeft bijgestaan in de verzoekschriftprocedure die klagers tegen de VvE waren gestart. Klacht in zoverre ongegrond. Klagers hebben geen rechtstreeks belang bij hun klacht over de cliëntrelatie tussen verweerder en zijn cliënten (de VvE en individuele leden van de VvE). Klacht in zoverre niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:170 Hof van Discipline 's Gravenhage 250420

    Deze zaak gaat over een klacht over de eigen advocaat en houdt in dat de schriftelijke (financiële) voorlichting door (het kantoor van) verweerder aan klaagster bij aanvang en gedurende de rechtsbijstand aan klaagster duidelijker had gemoeten. Tijdens de zaaksbehandeling is verweerder met klaagster blijven communiceren over financiële aangelegenheden. Verweerder is klaagster ook meerdere malen tegemoet gekomen door declaraties te crediteren en gewerkte uren niet (volledig) door te belasten. In het licht van de omstandigheden van het geval is het hof tot het oordeel gekomen dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof heeft de raadsbeslissing op dit klachtonderdeel vernietigd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:113 Raad van Discipline Amsterdam 25-913/A/A

    Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij (gedeeltelijk) gegrond. Verweerder heeft de grenzen van het betamelijke overschreden door meerdere malen in strijd met het procesreglement te handelen en de waarheids- en substantiëringsplicht te schenden door de rechter onvolledig te informeren. Een waarschuwing is passend en geboden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:171 Hof van Discipline 's Gravenhage 240356H

    Herzieningsverzoek afgewezen. Op grond van het herzieningsprotocol (artikel 1.2) kan bij wijze van uitzondering een onherroepelijke beslissing alleen worden herzien als blijkt van nieuwe feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de beslissing, verzoeker daarvan niet eerder op de hoogte was en ook niet kon zijn en die tot een andere beslissing van het hof zouden hebben kunnen leiden als zij wel eerder bekend waren geweest. Verzoeker doet in het herzieningsverzoek geen beroep op dergelijke nieuwe feiten en omstandigheden. De in het herzieningsprotocol opgenomen uitzonderingen op grond waarvan een herzieningsverzoek in behandeling kan worden genomen zijn dan ook niet van toepassing. Reeds om die reden dient het verzoek te worden afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:114 Raad van Discipline Amsterdam 26-005/A/A

    Raadsbeslissing; gegronde klacht over de kwaliteit van dienstverband. Verweerder heeft nagelaten om klager adequaat te informeren over de inzet van de juridisch medewerker en geen regie over de werkzaamheden van de juridisch medewerker gehouden (gedragsregel 13). Verweerder heeft verder nagelaten belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen (gedragsregel 16 lid 1). Een duidelijk plan van aanpak ontbrak. Bovendien was het tempo van de behandeling van de zaak ondermaats. In deze omstandigheden is een waarschuwing passend en geboden.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:108 Raad van Discipline Amsterdam 25-720/A/A

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:172 Hof van Discipline 's Gravenhage 250230

    Bekrachtiging. Waarschuwing. In een familierechtelijke procedure tussen klager en zijn ex-partner was verweerder de advocaat van klagers ex-partner. Klager verwijt verweerder dat hij vertrouwelijke informatie uit het mediationtraject tussen klager en zijn ex-partner naar de rechtbank heeft gestuurd. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard en daarvoor aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Het andere klachtonderdeel dat bij de raad aan de orde was, is door de raad ongegrond verklaard. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld. Het hof stelt voorop dat verweerders cliënte en klager voorafgaand aan de mediation in de mediationovereenkomst geheimhouding zijn overeengekomen. Naar het oordeel van het hof valt de informatie in de producties bij het verweerschrift dat verweerder bij de rechtbank heeft ingediend onder de overeengekomen geheimhouding. Verweerder heeft erop gewezen dat hij niet bij de gesprekken bij de mediator betrokken is geweest en de mediationovereenkomst niet heeft gezien en ondertekend. Het betaamt een advocaat echter niet om een rol te spelen bij de schending van een plicht waar zijn cliënt zich aan heeft verbonden. Dit klemt te meer nu de geheimhoudingsplicht waar het in deze zaak om gaat, is bedoeld om de belangen van alle bij de mediation betrokken personen te beschermen. Vertrouwelijkheid, in welk kader de geheimhoudingsverklaring wordt ondertekend, is gebruikelijk bij mediation en is bedoeld om mediation goed te laten functioneren. Door schending van de geheimhoudingsverplichting worden de belangen van alle bij de mediation betrokken personen geschaad, ook als de mediation uiteindelijk niet succesvol wordt afgerond. De geheimhouding blijft in de regel daarom na beëindiging van het traject van kracht. Door de producties toch aan de rechtbank te zenden heeft verweerder naar het oordeel van het hof afbreuk gedaan aan het instituut van mediation en in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. Dat klager de geheimhoudingsverplichting zelf als eerste heeft geschonden door informatie uit het mediationtraject te delen, zoal verweerder heeft aangevoerd, maakt het oordeel van het hof niet anders. De geheimhouding staat voorop en dient te worden gerespecteerd en bij schending daarvan is het vervolgens zelf delen van vertrouwelijke informatie uit het mediationtraject niet de aangewezen weg en kan dat ook niet rechtvaardigen.