ECLI:NL:TGZRSHE:2026:151 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9148

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:151
Datum uitspraak: 19-08-2026
Datum publicatie: 19-08-2026
Zaaknummer(s): H2025/9148
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen psychiater. Klacht betreft met name onvoldoende hulp- en zorgverlening rondom incestproblematiek. Beperkte rol van psychiater. Omdat de verpleegkundig specialist GGZ de regiebehandelaar was, was de psychiater niet verantwoordelijkheid voor het volledige proces van klager. Geen zorg aan klager onthouden als gevolg van het bereiken van een zorgplafond.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 19 augustus 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B], klager,

tegen:


[C],
psychiater
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de psychiater.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Vanaf eind 2021 was klager in behandeling bij een instelling voor ambulante geestelijke 
gezondheidszorg (hierna: de instelling) waar verweerder als psychiater, tevens geneesheer-directeur 
werkzaam is. Na de intake in 2021 schreef een collega-psychiater de startmedicatie aan klager voor. 
Als opvolger van deze collega-psychiater raakte verweerder in 2022 bij de zorgverlening aan klager 
betrokken. Vanaf het voorjaar van 2023 tot en met augustus 2025 was een verpleegkundig specialist 
GGZ (hierna: de verpleegkundig specialist) de behandelaar van klager. In de zomer van 2024 kwam aan 
het licht dat bij klager in het verleden sprake was geweest van incestproblematiek. Klager maakt 
verweerder diverse verwijten waaronder onvoldoende hulp- en zorgverlening, met name in de periode 
van de zomer van 2024. Daarnaast stelt klager dat hem zorg is onthouden als gevolg van het bereiken 
van het zorgplafond.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  de brief van 31 oktober 2025 van de secretaris aan klager;
-  het klaagschrift, ontvangen op 11 november 2025;
-  de brief van 25 november 2025 van de secretaris aan klager;
-  het verweerschrift, ontvangen op 20 januari 2026;
-  het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 31 maart 2026.
-  Het verweerschrift in H2025/9149, waar verweerder naar verwijst in zijn verweerschrift.


2.2   Gelijktijdig met de klacht tegen de psychiater heeft klager een nagenoeg gelijkluidende 
klacht ingediend tegen de verpleegkundig specialist. Deze klacht is bij het college geregistreerd 
onder nummer H2025/9149. Verweerder verwijst in zijn verweerschrift naar het verweerschrift van de 
verpleegkundig specialist. Uit hoofde van de andere procedure is klager bekend met de inhoud van 
dit verweerschrift. Nadat de verpleegkundig specialist en de psychiater samen bij het mondelinge 
vooronderzoek verschenen om hun verweer toe te lichten, is het verweerschrift van de verpleegkundig 
specialist ambtshalve aan het onderhavige procesdossier toegevoegd.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager was eind september 2021 door zijn huisarts bij de instelling aangemeld in verband met 
diverse klachten, waaronder depressiviteit, angsten en gevoelens van machteloosheid. In oktober 
2021 vond de intake plaats door een collega-psychiater en een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige 
(hierna: SPV). Als conclusie/werkhypothese noteerden zij (alle citaten voor zover van belang en 
letterlijk weergegeven): “Diagnostisch is er sprake van PTSS, waarschijnlijk in combinatie met 
persoonlijkheidsproblematiek en mogelijk ASS” en als DSM-classificatie “Posttraumatische 
stressstoornis (incl. de posttraumatische stressstoornis bij kinderen van 6 jaar en jonger): met 
uitgestelde expressie. Ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis”. De collega-psychiater paste de 
dosering van de reeds eerder voorgeschreven benzodiazepine medicatie aan.

3.2  De behandeling van klager startte eind december 2021. Naast gesprekstherapie vond ook 
EMDR-behandeling plaats door een psycholoog.

3.3   Na het vertrek van de collega-psychiater uit de instelling, raakte verweerder bij de 
zorgverlening aan klager betrokken. Verweerder is ook geneesheer-directeur van de instelling. Het 
eerste gesprek tussen klager en verweerder vond plaats op 25 februari 2022. Hierover noteerde 
verweerder in het dossier:
“ Kennismaking. Wil het hebben over medicatie. (…) Laatste gespr0ek met [naam collega-psychiater]: 
’T Ik slaap wel in maar niet door en mag ik Xanax 2 mg (…). Kreeg dit maar om dat het retard is 
moest hij de tablet verpulveren om effect te hebben. Uitleg gegeven over tolerantie. Gaat om 21:30 
maar bed, slaapt in om 22;00 uur en wordt om 2:00 wakker. Vaak slaapt hij dan niet meer in.
voorheen: tryptizol, depakine, trazolan, clonidine, topamax, nsaid’s, dexeril, Sibelium, cymbalta, 
risperdal.

Beleid:
quetiapine additie aan temazepam 20 mg. Terugkoppeling via collega [naam SPV] voor evt ophoging of 
alternatief.”

3.4   Op 1 maart 2022 stuurde klager een e-mail naar de SPV: “ Ik heb inmiddels besloten dat ik de 
voorgeschreven medicatie, de quetipaine, niet ga gebruiken en dat ik niet en nooit meer 
[verweerder] in mijn leven toelaat. De reden is tweeledig; enerzijds voelt dit nooit meer goed, het 
vertrouwen is volledig weg (…) Ik heb me hiermee voor mijn gevoel kwetsbaar opgesteld, tegenover 
een totaal vreemd persoon, en hij heeft door zijn empathieloze opstelling mij hiermee juist op mijn 
hart getrapt. (…) Anderzijds het medicijn zelf. Vanwege de bijwerkingen van quetiapine. Ik wil 
voorkomen een te hoog cholesterol te krijgen, zodat ik daar ook weer medicatie voor moet slikken. 
(…)”

3.5   Na overleg met verweerder stelde de SPV op 2 maart 2022 aan klager voor de quetiapine te 
vervangen door truxal of promethazine. Klager antwoordde direct per e-mail: “Het beste lijkt ons om 
dan de promethazine te gaan proberen.” Verweerder paste diezelfde dag de medicatie aan.

3.6   In het voorjaar van 2023 stemde klager in met aanvullende behandeling door de verpleegkundig 
specialist. Deze verpleegkundig specialist was vanaf dat moment ook verantwoordelijk voor het 
medicatiebeleid van klager. Over de behandeling van 28 februari 2024 noteerde zij in het dossier: 
“Geopperd voor overleg met psychiater, dhr. geeft in gesprek aan dat hij dat niet ziet zitten. 
Heeft zich een paar jaar geleden erg onheus behandeld gevoeld waardoor geen vertrouwen.”

3.7   In de loop van de tijd vond een achteruitgang in het functioneren van klager plaats. Ook de 
lichamelijke klachten van klager hielden aan. Het appcontact van klager met de instelling nam toe. 
In het dossier noteerde de verpleegkundig specialist enkele malen dat zij overleg voerde met een 
psychiater, niet alleen over medicatie maar ook over een mogelijke opname op een PAAZ. Op 10 juli 
2024 besprak zij dit met klager: “Medicamenteuze optie en PAAZ opname verkend, echter geeft dhr. 
aan dat hij dat niet kan, geen draagkracht en veerkracht meer. Dat kenmerkt zich door geen ruimte 
meer te voelen om weer ergens bijv PAAZ een intake te moeten doen (…). MEdicatie mogelijkheden om 
bijvoorbeeld zijn angsten en bijkomende somatische klachten (…) rustiger te krijgen geen optie, 
daar draagkracht te beperkt is (…) wil zich niet meer focussen op een behandeling heeft al vele 
behandelingen doorlopen (…).”

3.8   In de zomer van 2024 kwam tijdens psychologische sessies aan het licht dat sprake was van 
misbruik door de vader van klager toen klager ongeveer 4 tot 6 jaar oud was. Tijdens de behandeling 
van 17 september 2024 besprak hij dit met de verpleegkundig specialist.

3.9   Vervolgens vond met klager overleg plaats over een nieuw behandelplan. In de 
behandelovereenkomst van 24 oktober 2024 werden behandeldoelen, een behandelvoorstel en aanvullende 
hulpverlening beschreven, waarmee klager instemde. Namens de instelling werd de 
behandelovereenkomst ondertekend door de verpleegkundig specialist als regiebehandelaar en door een 
tweede behandelaar.

3.10  Op 25 maart 2025 noteerde de EMDR-behandelaar in het dossier:“ Besproken dat we nu vervolgen 
om de twee weken. [klager] vraagt waarom. Hij vraagt of ik het druk heb: ja dat ook en ook kort 
uitgelegd dat [instelling] een instantie is die geen intensieve behandelingen biedt en dan niet 
goed uitkomt met de betalingen van de zorgverzekeraar. Dat we tijdelijk kunnen opschalen indien 
nodig maar dat nu eens per twee weken ook redelijk en haalbaar is Dat herkent hij. Hij bespreekt 
zijn spanning: of dit niet betekent dat we moeten stoppen, besproken dat de behandeling 
vanzelfsprekend een keer stopt, maar dat dit nu niet aan de orde is.”

3.11  Ook noteerde de EMDR-behandelaar over het evaluatiegesprek met klager en
zijn echtgenote op 29 juli 2025: “De behandeling stopt bij [verpleegkundig specialist] ivm haar 
vertrek bij de [naam instelling] en er komt geen andere behandelaar voor haar in de plek. Dat vindt 
[klager] vervelend. Het roept ook gedachten bij hem op als: Hoe zit het met het zorgkostenplafond 
en waarom ben ik daar niet eerder over geïnformeerd. Hij voelt zich sinds dat zijn incest uitkwam 
niet goed door de [naam instelling] gesteund, zijn hulpvraag is groter dan de [instelling] bieden 
kon.”

3.12  De EMDR-behandelaar liet klager op diezelfde dag weten dat na het vertrek van de 
verpleegkundig specialist, verweerder de regiebehandelaar van klager zou zijn.

3.13  Na het vertrek van de verpleegkundig specialist in augustus 2025 heeft klager op
2 september 2025 zijn lopende EMDR-behandeling gestopt en de behandelingsovereenkomst met de 
instelling werd op zijn verzoek beëindigd. De EMDR-behandelaar schrijft daarover in het dossier: 
“We nemen afscheid: wel met een dubbel gevoel omdat ik liever [klager] anders had overgedragen en 
ook op een andere manier. Maar hij gaat met de huisarts verder kijken naar mogelijkheden voor 
vervolgbehandeling. Aangegeven dat hij altijd nog mag bellen voor advies of vragen.”

3.14  In de afsluitende brief van 9 september 2025 aan de huisarts van klager, gezamenlijk 
ondertekend door de EMDR-behandelaar, de verpleegkundig specialist en verweerder, staat vermeld: 
“Betreft: verwijzing i.v.m. overname behandeling” (…) Toch is er meer nodig (dan [naam instelling] 
op dit moment dhr. bieden kan). (…) We zijn zoekend naar een juiste behandelvorm en juiste 
instelling, we denken op dit moment aan (…). In de zoektocht naar een passend vervolgtraject is het 
belangrijk rekening te houden met dhr.’s kwetsbaarheid: (…). Dhr. is zijn vertrouwen in de GGZ 
kwijtgeraakt o.a. doordat hij van [naam instelling] in de periode dat het incest voor hem opleefde 
helaas onvoldoende zorg ervaarde/aangeboden kreeg. Er hebben in de afgelopen periode
verschillende verwijzingen plaatsgevonden maar steeds lijkt de aangeboden
behandelmogelijkheid voor dhr. niet voldoende passend. (…)
Per augustus is zijn regiebehandelaar en verpleegkundig specialist vertrokken bij 
[naam instelling] en wordt dhr. voor deze zorg terugverwezen naar de huisarts. (…) de 
behandelgesprekken zijn dd. 2 september afgerond.”

4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klager verwijt de psychiater dat hij:
1) als eindverantwoordelijke slechts éénmaal met klager heeft gesproken, namelijk in 2022;
2) het verloop en de ontwikkeling van het totale proces niet heeft gezien;
3) ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor de klachten van klager over het handelen van de 
verpleegkundig specialist omdat verweerder zijn handtekening zette onder de behandelplannen van de 
verpleegkundig specialist en omdat verweerder medisch gezien eindverantwoordelijk is;
4) de startmedicatie, die was voorgeschreven door een collega van verweerder in 2021, per direct 
veranderde zonder eerst overeenstemming met klager als patiënt daarover te hebben, terwijl klager 
suïcidaal was, aldus de verwijzing van de huisarts van klager;
5) hulp en begeleiding aan klager heeft onthouden bij het uitkomen van de incestproblematiek van 
klager in de zomer van 2024 vanwege het bereiken van het zorgplafond;
6) klager niet heeft geïnformeerd over het reeks bereikte zorgplafond in 2024 en klager in de zomer 
van 2024 aan zijn lot heeft overgelaten door het afromen van afspraken;
7) klager niet heeft behandeld voor de incestproblematiek en de daardoor toegenomen hulpvraag die 
duidelijk werd in augustus 2024. Dit heeft klager bijna zijn leven gekost;
8) klager geen structurele hulp heeft geboden, ook niet nadat de tweede behandelaar klager onheus 
had bejegend. Onder druk van de EMDR-behandelaar zijn gesprekken voor klager ingepland bij twee 
verschillende behandelaren. Dit was voor klager ontoereikend omdat klager voor de 
incestproblematiek langdurige zorg bij één behandelaar nodig had namelijk de verpleegkundig 
specialist die zich niet hiervoor beschikbaar stelde;
9) het zorgplafond de reeds lopende trajecten heeft laten beïnvloeden;
10) bij het vertrek van de verpleegkundig specialist heeft geweigerd voor een opvolgende 
regiebehandelaar te zorgen terwijl klager zijn zorgvragen duidelijk had uitgelegd in zijn e-mail 
van 17 juli 2025;
11) pas na vier jaar behandelen, bij het vertrek van de verpleegkundig specialist en het vertrek 
van klager uit de instelling, klager informeerde dat de instelling niets meer voor klager kon 
betekenen;
12) klager heeft weggeloodst naar onbekwame en ongeschoolde derden op een cruciaal moment, net na 
het uitkomen van het incestverleden van klager;
13) de zorgvraag van klager in de e-mail van 13 november 2024 heeft genegeerd door niet daarop te 
reageren;
14) klager niet informeerde over het zorgplafond waardoor er geen goede hulpverlening mogelijk was, 
klager pijn werd gedaan en dom werd gehouden over het bereiken van het zorgplafond;
15) het beleid voerde dat klager niemand kon raadplegen voor spoedklachten in het weekend. Klager 
werd verboden om te appen of te bellen naar de verpleegkundig specialist wat verweerder is aan te 
rekenen.

4.2  De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk 
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

De rol van verweerder
5.2   Voor een goede beoordeling van de klacht, is van belang eerst vast te stellen in welke 
hoedanigheid verweerder bij de zorgverlening aan klager betrokken was. Over deze hoedanigheid 
bestaat tussen partijen geen duidelijkheid, aangezien klager en verweerder verschillende begrippen 
hanteren. Hoewel verweerder onder andere stelt dat hij de regiebehandelaar van klager was, heeft 
het college hiervoor geen enkel aanknopingspunt in het dossier gevonden. Behalve het 
kennismakingsgesprek op 25 februari 2022 en enkele medicatievoorschriften kort daarna, zijn in het 
dossier geen notities te vinden over zorgverlening van verweerder aan klager. Nergens uit blijkt op 
welk moment gedurende het behandeltraject van klager, verweerder de rol van regiebehandelaar zou 
hebben gehad, behoudens de beoogde overname van het regiebehandelaarschap van de verpleegkundig 
specialist na diens vertrek. De naam van verweerder komt ook niet in het dossier voor als deelnemer 
aan een multidisciplinair overleg (MDO). Op basis van de dossiernotities stelt het college 
daarentegen vast dat uitsluitend de verpleegkundig specialist de regiebehandelaar van klager was. 
Zij was een van de vaste behandelaren van klager, ondertekende als regiebehandelaar de 
behandelingsovereenkomst van 24 oktober 2024 en schreef, vanaf het moment zij bij de zorgverlening 
betrokken raakte, ook de medicatie voor. Dat de verpleegkundig specialist soms overleg met 
verweerder had, doet aan dat oordeel niet af. Verweerder kon vanuit zijn medische expertise en zijn 
positie als geneesheer-directeur meedenken en was op afstand beschikbaar voor dit overleg. In die 
hoedanigheid was hij slechts enkele malen, en op verzoek van de verpleegkundig specialist, bij de 
zorgverlening aan klager betrokken. Verweerder was daardoor wel gehouden op de juiste wijze (als redelijk bekwaam 
en redelijk handelend psychiater) te reageren op die verzoeken van de verpleegkundig specialist, 
maar hij heeft daardoor niet ook eindverantwoordelijkheid voor de volledige zorg aan klager op zich 
genomen. Vanuit dit perspectief zal het college de klachtonderdelen beoordelen.

5.3  Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel 1) slechts één gesprek in 2022
5.4  Klager verwijt verweerder dat hij slechts éénmaal met klager heeft gesproken.

5.5   Verweerder erkent dat er slechts één gesprek heeft plaatsgevonden. Dit was ter kennismaking, 
inventarisering van de klachten en evaluatie van de door de collega-psychiater voorgeschreven 
medicatie. Hierna heeft klager bij zijn behandelaar aangegeven dat hij geen gesprekken meer wenste 
met verweerder. Deze wens van klager werd gerespecteerd.

5.6   Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Vaststaat dat enkele dagen na het 
kennismakingsgesprek tussen klager en verweerder, klager aan de SPV heeft laten weten dat hij 
verweerder ‘niet en nooit meer in zijn leven wilde toelaten’. Ook toen de verpleegkundig specialist 
op 28 februari 2024 aan klager voorstelde om overleg te plegen met verweerder, gaf klager aan dat 
niet te willen. Nu klager zelf enkele malen expliciet heeft aangegeven geen contact met verweerder 
te willen, kan verweerder niet worden verweten dat er slechts één gesprek heeft plaatsgevonden.

Klachtonderdelen 2) en 3) verloop van het totale proces en verantwoordelijkheid
5.7  Het college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk bespreken omdat ze de verantwoordelijkheid 
voor het behandeltraject van klager betreffen.

5.8   Volgens klager werd het verloop en de ontwikkeling van het totale proces niet door verweerder 
gezien. Daarnaast was hij volgens klager medisch gezien eindverantwoordelijk voor de klachten van 
klager over het handelen van de verpleegkundig specialist omdat verweerder zijn handtekening zette 
onder de behandelplannen van de verpleegkundig specialist.

5.9   Verweerder voert als verweer aan dat hij in de afgelopen jaren periodiek en op indicatie van 
de verpleegkundig specialist overleg voerde over de actuele toestand en de eventueel daarin te 
nemen stappen dan wel voort te zetten behandelinterventies en contacten. Ook voert hij aan dat hij 
als regiebehandelaar en geneesheer-directeur eindverantwoordelijk was en de behandelplannen 
accordeerde.

5.10  Het college oordeelt als volgt. Zoals in alinea 5.16 is overwogen, had verweerder slechts een 
beperkte rol tijdens het gehele behandeltraject van klager. Omdat hij geen regiebehandelaar was, 
was het ook niet zijn taak noch zijn verantwoordelijkheid om het volledige proces van klager te 
volgen. Hij was evenmin verantwoordelijk voor de klachten van klager over het handelen van de 
verpleegkundig specialist, aangezien de verpleegkundig specialist als regiebehandelaar 
(eind)verantwoordelijk was. Verweerder kan op deze punten dan ook geen verwijt worden gemaakt. Deze 
klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 4) wijziging startmedicatie zonder overleg
5.11  Volgens klager heeft verweerder zonder overleg met klager de startmedicatie, die door de 
voorganger van verweerder was voorgeschreven, gewijzigd.

5.12  Verweerder betwist dat de startmedicatie zonder overleg met klager is aangepast. Verweerder 
heeft tijdens het kennismakingsgesprek de startmedicatie samen met klager nagelopen en geëvalueerd. 
Volgens verweerder was sprake van overeenstemming op basis van shared decision making.

5.13  Het college kan niet vaststellen dat de startmedicatie zonder overleg met klager is 
aangepast. Het dossier biedt daarvoor geen aanknopingspunt. Uit de dossieraantekeningen van 25 
februari 2022 volgt dat klager en verweerder gesproken hebben over de medicatie en dat verweerder 
uitleg heeft gegeven. Met het oog op de slaapproblemen die klager aangaf, schreef verweerder 
vervolgens quetiapine voor. Dat klager vervolgens enkele dagen later aangaf het niet eens te zijn 
met het voorschrijven van quetiapine, omdat hij bang was voor de bijwerkingen ervan, wil niet 
zeggen dat de aanpassing van de medicatie zonder overleg met klager plaatsvond. Ook dit 
klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdelen 5), 7), 8), 12), 13) en 15)
5.14  Het college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk bespreken omdat ze de zorgverlening aan 
klager betreffen.

5.15  Samengevat luidt de klacht van klager dat hij onvoldoende hulp, begeleiding en behandeling 
heeft ontvangen, in het bijzonder met betrekking tot de incestproblematiek.

5.16  Verweerder betwist de klachtonderdelen en verwijst naar het verweerschrift van de 
verpleegkundig specialist. Hij stelt - samengevat - dat aan alle verplichtingen jegens klager is 
voldaan.

5.17  Voor de beoordeling van deze klachtonderdelen is van belang dat een zorgverlener uitsluitend 
tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen handelen (zie alinea 5.1). 
Daarnaast is de rol die verweerder bij de zorgverlening aan klager vervulde van belang (zie alinea 
5.2). In alinea 5.24 heeft het college al geoordeeld dat verweerder niet verantwoordelijk kan 
worden gehouden voor het gehele proces van klager. Ook is al geoordeeld dat verweerder
niet verantwoordelijk is voor de klachten van klager over het handelen 
van de verpleegkundig specialist, die eindverantwoordelijk was voor de zorgverlening aan klager. 
Deze overwegingen leiden ertoe dat ook deze klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn, zonder dat 
daaraan afzonderlijke overwegingen behoeven te worden gewijd.

Klachtonderdelen 6), 9) en 14)
5.18  Het college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk bespreken omdat ze het zorgplafond 
betreffen.

5.19  Samengevat luidt de klacht van klager dat verweerder hem niet heeft geïnformeerd over het 
bereiken van het zorgplafond, en dat hij klager goede hulpverlening en begeleiding heeft onthouden 
vanwege het bereiken van zorgplafond, meer in het bijzonder bij het uitkomen van de 
incestproblematiek in de zomer 2024.

5.20  Verweerder betwist de klachtonderdelen en verwijst hiervoor naar het verweerschrift van de 
verpleegkundig specialist. Hij stelt - samengevat - dat aan klager nooit zorg is onthouden. Klager 
heeft de behandelingen gehad die de instelling hem kon bieden. In de zomer van 2024 is de zorg 
juist opgeschaald. De financiële situatie van de instelling is nooit een beweegreden geweest voor 
wijzigingen in het behandelplan van klager. Er was dan ook geen reden om klager over een 
zorgplafond te informeren. Verweerder heeft altijd getracht de gezondheidsbelangen van klager zo 
goed mogelijk te behartigen. Gezondheidswinst en lijdensdrukvermindering prevaleren altijd boven 
financiële belangen van de instelling dan wel boven de eisen van de zorgverzekeraar.

5.21  Het college kan niet vaststellen dat verweerder bij de duur en de inhoud van de aan klager 
verleende zorg een zodanige betrokkenheid had, dat hij voor het door klager gestelde handelen 
verantwoordelijk kan worden gehouden. Alleen al daarom is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond. 
Maar ook bij een grotere betrokkenheid van verweerder, slaagt het klachtonderdeel niet. Het college 
kan namelijk niet vaststellen dat aan klager zorg is onthouden als gevolg van het bereiken van een 
zorgplafond. Nog daargelaten dat klager zijn stellingen niet of onvoldoende heeft onderbouwd en 
verweerder deze stellingen gemotiveerd betwist heeft, biedt het dossier daarvoor ook geen enkel 
aanknopingspunt. Daarentegen wordt het standpunt van verweerder door het dossier ondersteund: gelet 
op de complexe problematiek van klager, heeft hij de behandelingen gekregen die de instelling hem 
kon bieden. Bovendien werd de intensiteit van de behandeling voor klager juist opgeschaald, toen de 
incestproblematiek in de zomer van 2024 naar voren kwam.

5.22  Het zorgplafond betreft uitsluitend een financiële afrekening van de zorgverzekeraar met het 
oog op de kosten van de instelling. Het al dan niet bereiken van een zorgplafond heeft geen invloed 
op de (beslissingen in de) behandelingen en hoeft alleen al om die reden niet met een cliënt 
besproken te worden. Verweerder hoefde klager dan ook niet te informeren.
Het feit dat de EMDR-behandelaar in een gesprek in maart 2025 kort ‘de betalingen van 
de zorgverzekeraar’ heeft aangestipt (alinea 3.10) en ook in juli 2025 noteerde dat klager vragen 
stelde over een ‘zorgplafond’ (alinea 3.11) maakt dit oordeel niet anders. Verweerder treft geen 
tuchtrechtelijk verwijt. De klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

Klachtonderdelen 10) en 11)
5.23  Het college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk bespreken omdat ze de gang van zaken bij 
het vertrek van de verpleegkundig specialist, als regiebehandelaar, betreffen.

5.24  Klager stelt dat verweerder heeft geweigerd een opvolgend regiebehandelaar te regelen en dat 
bij pas bij het vertrek van klager uit de instelling, hem informeerde dat de instelling niets meer 
voor klager kon betekenen.

5.25  Verweerder betwist deze klachtonderdelen en geeft aan dat voldaan is aan alle verplichtingen. 
Bovendien is al in een eerder stadium gesproken over doorverwijzing van klager naar andere 
instellingen om hem met de behandeling verder te helpen.

5.26  Het college volgt klager niet in zijn stellingen. Allereerst is het aan de instelling om te 
bepalen wie de opvolgend regiebehandelaar wordt. Uit het dossier volgt dat de EMDR-behandelaar al 
in juli 2025 aan klager heeft doorgegeven dat de verpleegkundig specialist zou vertrekken en dat 
verweerder de opvolgend regiebehandelaar zou zijn. Van een weigering een opvolgend regiebehandelaar 
te regelen, is dan ook geen sprake.

5.27  Uit de dossieraantekeningen volgt dat de verpleegkundig specialist al ten tijde van het 
opstellen van de behandelovereenkomst van 24 oktober 2024 en ook in februari 2025 met klager 
gesproken heeft over doorverwijzing naar andere instellingen. Dat klager hierover pas na zijn 
vertrek uit de instelling (daags na het vertrek van de verpleegkundig specialist) is geïnformeerd, 
is dan ook onjuist. Verweerder kan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Ook deze 
klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.28  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, L.A.J. Stouthamer-Verschuren en K.P. 
Grootens, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris, en op 19 augustus 2026
in het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.