ECLI:NL:TGZCTG:2026:168 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2991

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:168
Datum uitspraak: 19-08-2026
Datum publicatie: 20-08-2026
Zaaknummer(s): C2025/2991
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager is na verwijzing in psychiatrische behandeling geweest van 2000 tot 2018. Klager heeft op 21 mei 2025 een klacht tegen de huisarts ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege. Klager verwijt de huisarts dat hij naar een psychiater is verwezen zonder daarbij een concrete hulpvraag in de verwijsbrief te formuleren, dat de huisarts in de jaren daarna verlengingen van de verwijzing heeft afgegeven en dat de huisarts niet heeft gereageerd of gehandeld op verslagen van de psychiater. Deze klachten gaan over de periode 2000 tot en met 2013. Daarnaast verwijt klager de huisarts meer in het algemeen een nalatigheid gedurende de 18-jarige psychiatrische behandeling van klager, door gedurende deze behandeling zich niet op de hoogte te laten stellen van het verloop van de behandeling en deze te beoordelen. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft beslist dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht, deels vanwege verjaring en deels omdat de klacht onvoldoende duidelijk is. Het Centraal Tuchtcollege volgt het Regionaal Tuchtcollege in het oordeel over de verjaring. Voor het overige verklaart het Centraal Tuchtcollege klager wél ontvankelijk in de klacht, omdat de klacht naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoende duidelijk is. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht in zoverre ongegrond.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg
 

Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2991 van:

A., wonende te B.,

appellant, klager in eerste aanleg,

hierna: klager,
 

tegen
 

C., huisarts,

destijds werkzaam te B.,

verweerder in beide instanties,

hierna: de huisarts,

gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam te Utrecht.

1. Kern van de zaak

1.1       Klager heeft op 21 mei 2025 een klacht tegen de huisarts ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam. Klager verwijt de huisarts dat hij naar een psychiater is verwezen zonder daarbij een concrete hulpvraag in de verwijsbrief te formuleren, dat de huisarts in de jaren daarna verlengingen van de verwijzing heeft afgegeven en dat de huisarts niet heeft gereageerd of gehandeld op verslagen van de psychiater. Deze klachten gaan over de periode 2000 tot en met 2013. Daarnaast verwijt klager de huisarts meer in het algemeen een nalatigheid gedurende de 18-jarige psychiatrische behandeling van klager, door gedurende deze behandeling zich niet op de hoogte te laten stellen van het verloop van de behandeling en door de behandeling niet te beoordelen.

1.2       De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft beslist dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht, deels vanwege verjaring en deels omdat de klacht onvoldoende duidelijk is. Het Centraal Tuchtcollege volgt het Regionaal Tuchtcollege in het oordeel over de verjaring. Voor het overige verklaart het Centraal Tuchtcollege klager wél ontvankelijk in de klacht, omdat de klacht naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoende duidelijk is. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht in zoverre ongegrond en zal dat hieronder toelichten.

2. Verloop van de procedure

2.1        Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 19 augustus 2025 in Amsterdam met nummer A2025/8532. De beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2        Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de stukken van de procedures in eerste aanleg en beroep.

2.3        De zaak is op de zitting van 15 juli 2026 behandeld. Daar waren aanwezig klager en de huisarts, laatstgenoemde bijgestaan door mr. C.J. van den Ham. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klager zijn aan het dossier toegevoegd.

3. Feiten

3.1       Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.

3.2       In 2000 is klager (door de voorganger van de huisarts) verwezen naar een psychiater en is de psychiatrische behandeling van klager gestart. Na een praktijkovername in november 2000 werd de huisarts de nieuwe huisarts van klager. De huisarts heeft meerdere keren op verzoek van de behandelend psychiater een verlenging van de verwijzing afgegeven.

3.3       In 2013 overleed de toenmalige psychiater van klager. De behandeling is toen voortgezet door een andere psychiater.

3.4       In 2018 is de psychiatrische behandeling van klager beëindigd.

3.5       Bij beslissing van 8 oktober 2021 (C202.219 en C2020.220) heeft het Centraal Tuchtcollege de klacht die klager tegen de psychiater/psychotherapeut die hem van 2013 tot 2018 heeft behandeld gegrond verklaard en aan de psychiater/psychotherapeut de maatregel van berisping opgelegd.

4. Beoordeling van het beroep

4.1       Klager verwijt de huisarts dat hij naar een psychiater is verwezen zonder daarbij

een concrete hulpvraag in de verwijsbrief te formuleren, dat de huisarts in de jaren daarna verlengingen van deze verwijzing heeft afgegeven en dat de huisarts niet heeft gereageerd of gehandeld op verslagen van de psychiater. Daarnaast verwijt klager de huisarts een nalatigheid gedurende de 18-jarige psychiatrische behandeling van klager, door gedurende deze behandeling zich niet op de hoogte te laten stellen van het verloop van de behandeling en door de behandeling niet te beoordelen.

4.2       Klager is het niet eens met de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep van klager heeft tot doel dat hij alsnog ontvankelijk wordt verklaard in de klacht en dat de klacht gegrond wordt verklaard.

4.3       De huisarts kan zich vinden in de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en verzoekt daarom om het beroep van klager te verwerpen. Indien het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat klager wél (gedeeltelijk) ontvankelijk is in de klacht, stelt de huisarts zich op het standpunt dat de klacht van klager ongegrond moet worden verklaard.

4.4       Uit het oogpunt van een goede en eerlijke procesorde kunnen in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd die deel uitmaken van de oorspronkelijke klacht die aan het Regionaal Tuchtcollege is voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover in beroep sprake is van uitbreiding van de klacht, kan klager daarin dus niet worden ontvangen.

4.5       Met het Regionaal Tuchtcollege oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat klager niet-ontvankelijk is in zijn op 21 mei 2025 ingediende klacht voor zover deze ziet op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 21 mei 2015. Het Centraal Tuchtcollege gaat niet mee in het standpunt van klager dat hij moet worden ontvangen in zijn volledige klacht omdat hij niet eerder in staat was om een klacht in te dienen. Nog daargelaten de vraag of klager inderdaad niet in staat is geweest om eerder een klacht tegen de huisarts in te dienen – een aantal jaren eerder was hij kennelijk wel in staat om een tuchtklacht in te dienen tegen zijn psychiater – kan het beroep van klager op dit punt niet slagen. In artikel 65 lid 5 van de Wet BIG is bepaald dat de bevoegdheid tot het indienen van een klaagschrift vervalt door verjaring in tien jaren. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het desbetreffende handelen of nalaten is geschied. Na het verstrijken van deze tienjaarstermijn kan een klacht niet meer in behandeling worden genomen. Het gaat hier om een fatale termijn. Deze termijn kan dus niet worden opgeschort; ook niet wanneer de termijn is overschreden als gevolg van omstandigheden die buiten de schuld van de klager liggen. De achtergrond van deze regel is dat het na meer dan tien jaar moeilijk is om nog vast te stellen wat er precies is gebeurd. Ook vindt de wetgever het niet redelijk dat een zorgverlener meer dan tien jaar later nog kan worden berecht voor een volgens een klager gemaakte fout. In zoverre faalt het beroep van klager.

4.6       Anders dan het Regionaal Tuchtcollege, oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat klager wél ontvankelijk moet worden verklaard in de klacht voor zover deze ziet op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden ná 21 mei 2015. Uit het klaagschrift en de aanvullingen daarop volgt dat klager de huisarts verwijt dat hij bij de psychiatrische behandeling van klager onvoldoende vinger aan de pols heeft gehouden en onvoldoende heeft gemonitord, in het bijzonder op de momenten dat een verlenging van de verwijzing moest worden afgegeven. Automatische verlengingen lagen volgens klager niet voor de hand, gelet op de lange duur van de behandeling en de omstandigheid dat het niet beter maar slechter ging met klager. Deze klacht is naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoende duidelijk en zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.

4.7       Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat het wellicht beter zou zijn geweest als de huisarts, op de momenten waarop verlenging van de verwijzing werd gevraagd, zich zou hebben laten informeren over de behandeling, bijvoorbeeld door vragen te stellen aan de psychiater en klager. Daarvoor bestond echter geen directe aanleiding, zodat de huisarts daartoe niet was gehouden. Anders dan klager stelt, was de huisarts niet verantwoordelijk voor de psychiatrische behandeling. Ook de beoordeling van de effectiviteit van een dergelijke behandeling is in het algemeen niet aan de huisarts. Een monitorende rol zoals door klager geschetst, kon niet van de huisarts worden verwacht. Dat de psychiatrische behandeling lang is voortgezet, kan de huisarts niet worden verweten. Eerst in 2018 raakte de huisarts op de hoogte van de ontevredenheid van klager over de behandeling. Hij heeft toen samen met klager gezocht naar een geschikt alternatief. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege blijkt niet van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de huisarts ná 21 mei 2015, zodat de klacht in zoverre ongegrond wordt verklaard.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart klager niet-ontvankelijk voor zover hij in beroep nieuwe klachten heeft ingediend; verwerpt het beroep voor zover dat strekt tot ontvankelijk-verklaring van klager in de klacht ten aanzien van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 21 mei 2015; vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover is beslist dat klager niet-ontvankelijk is in de klacht ten aanzien van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden ná 21 mei 2015; en doet voor dat deel opnieuw recht: verklaart de klacht in zoverre ongegrond.

Deze beslissing is genomen door Z.J. Oosting, voorzitter, J. Legemaate en H.K.N. Vos, leden-

juristen, en D. Coppoolse en C.A. Lindeboom, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door

N. Germeraad-van der Velden, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 augustus 2026.

                        Voorzitter w.g.                                                 Secretaris w.g.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Voorzittersbeslissing van 19 augustus 2025 naar aanleiding van de klacht van:

A., 

wonende in B.,

klager,

tegen

C.,

huisarts,

werkzaam te B.,

verweerder, hierna ook: de huisarts.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het klaagschrift, ontvangen op 21 mei 2025;
  • de aanvulling op het klaagschrift met bijlagen van 8 juni 2025;
  • de brief van de secretaris van 30 juni 2025;
  • de aanvulling op het klaagschrift van 23 juli 2025.

2. De overwegingen

2.1 De voorzitter moet beoordelen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. De voorzitter is van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht. Voor die beslissing is het volgende van belang.
 

Verjaring

2.2 Klager verwijt de huisarts, samengevat, dat hij hem naar een psychiater heeft verwezen zonder daarbij een concrete hulpvraag in de verwijsbrief te formuleren, dat hij in de jaren daarna verlengingen van deze verwijzing heeft afgegeven en dat hij niet heeft gereageerd of gehandeld op verslagen van de psychiater. Deze klachten gaan over de periode 2000 tot en met 2013. Daarnaast verwijt klager de huisarts meer in het algemeen een nalatigheid gedurende de 18 jarige psychiatrische behandeling van klager, door gedurende deze behandeling, die plaatsvond van 2000 tot 2018, zich niet op de hoogte te laten stellen van het verloop van de behandeling en deze te beoordelen.

2.3 In het tuchtrecht voor de gezondheidszorg geldt een termijn van tien jaar om te klagen over het handelen of nalaten van een zorgverlener. Deze termijn begint te lopen op de dag nadat dit handelen heeft plaatsgevonden of – als sprake is van nalaten – had moeten plaatsvinden. Na het verstrijken van deze tienjaarstermijn kan een klacht niet meer in behandeling worden genomen. Dit is een harde regel, waarvan niet kan worden afgeweken ook niet als de klager goede redenen had om de klacht zo laat in te dienen. De achtergrond van deze regel is dat het na meer dan tien jaar moeilijk is om nog vast te stellen wat er precies is gebeurd. Ook vindt de wetgever het niet redelijk dat een zorgverlener meer dan tien jaar later nog kan worden berecht voor een volgens een klager gemaakte fout.
 

2.4 Het klaagschrift is ontvangen op 21 mei 2025. Dat betekent dat de klacht is verjaard voor wat betreft de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 21 mei 2015.

Omschrijving van de klacht

2.5 Voor wat betreft de gebeurtenissen op en na 21 mei 2015, die niet zijn verjaard, voldoet het ingediende klaagschrift niet aan de daaraan gestelde eisen. In artikel 4 van het Tuchtrechtbesluit BIG is bepaald dat een klaagschrift de klacht en de feiten en gronden waarop de klacht berust moet bevatten. Uit het door klager ingediende klaagschrift en de aanvullingen daarop blijkt niet welke concrete handelingen of nalaten klager de huisarts verwijt in deze periode. Door de secretaris is per brief van 30 juni 2025 aan klager medegedeeld dat de klacht onvoldoende duidelijk is. Gevraagd is om duidelijk en kort, in een aantal zinnen, op te schrijven wat de klacht is (“wat heeft dhr. C. volgens u verkeerd gedaan? “) met daarbij de data waarop de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.
 

2.6 De concrete handelingen van de huisarts die klager noemt in de aanvulling van zijn klacht zoals daarna ontvangen op 23 juli 2025 zijn het verwijzen naar medisch specialisten zonder concrete hulpvraag in 2000 en 2013, het niet reageren op verslagen van de psychiater in 2002, 2005 en 2007 en het niet opvragen van het dossier van de psychiater in 2013. Deze verwijten zijn, zoals hierboven besproken, verjaard. Over de periode na 2013 tot aan het einde van de behandeling in 2018 stelt klager in het algemeen dat de huisarts de ‘extreem lange’ behandeling heeft gefaciliteerd, dat hij zich niet op de hoogte heeft laten stellen of gesteld over het verloop van de behandeling en de effectiviteit en mogelijk schadelijke bijwerkingen van de behandeling niet heeft beoordeeld. Deze verwijten zijn te algemeen geformuleerd; daaruit kan niet worden afgeleid wat de huisarts volgens klager onterecht heeft gedaan of nagelaten en wanneer. De huisarts is niet verantwoordelijk voor het handelen van andere zorgverleners. Dat de psychiatrische behandeling lang is voortgezet kan - zonder nadere toelichting - niet de huisarts worden verweten. Ook de beoordeling van de effectiviteit van een dergelijke behandeling is in het algemeen niet aan de huisarts. Klager heeft niet gesteld noch is uit de stukken gebleken dat hij op concrete momenten om hulp van of een beoordeling van de huisarts heeft verzocht.

2.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klager in zijn volledige klacht kennelijk
niet-ontvankelijk is. Voor wat betreft de periode vóór 21 mei 2015 vanwege verjaring en voor de periode daarna omdat de klacht onvoldoende duidelijk is.
 

3. De beslissing

Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.

Deze beslissing is gegeven op 19 augustus 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.

secretaris w.g.                                                                                    voorzitter w.g.

 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- de voorzitter of het college u geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard, of

- het college kennelijk onbevoegd is, of

- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG), maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) te Amsterdam. Het beroepschrift moet zijn ontvangen binnen zes weken nadat het RTG de beslissing aan u heeft verstuurd.

Vanwege mogelijke vertraging bij de bezorging van post, kunt u uw beroep ook per e-mail indienen. Dan weet u zeker dat het RTG uw beroep op tijd ontvangt. U stuurt dan binnen die zes weken uw e-mail naar TG-Amsterdam@minvws.nl. U moet het originele beroepschrift nog wel per post nasturen.

U hoeft bij uw brief of e-mail niet meteen de reden(en) van uw beroep op te geven. U ontvangt van het CTG bericht over de extra tijd die u krijgt om die redenen later toe te sturen.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.