ECLI:NL:TADRSHE:2026:100 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-562/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:100
Datum uitspraak: 18-08-2026
Datum publicatie: 20-08-2026
Zaaknummer(s): 26-562/DB/ZWB
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De voorzitter stelt vast dat de klacht ziet op – vermeend - nalaten van verweerster op of rond 18 oktober 2016. Klager heeft zich op 26 januari 2026, derhalve ruimschoots na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot de deken gewend. Niet is gebleken dat klager niet eerder dan op 26 januari 2026 heeft kunnen klagen. Dat klager naar eigen zeggen pas in januari 2026 nadere informatie heeft verkregen over het  medicijngebruik van zijn moeder en dat notaris G in 2014 uit zijn ambt is gezet, maakt dit niet anders. De voorzitter oordeelt daarom dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts evenmin gebleken. Klacht niet-ontvankelijk.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch 
van 18 augustus 2026

in de zaak 26-562/DB/ZWB


naar aanleiding van de klacht van:

klager


over:


verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 1 juli 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk K26-019, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 11 en de nagekomen e-mail met bijlagen van klager van 15 juli 2026. De nagekomen e-mails met bijlagen van klager van 13 augustus 2026 15:21 uur en 13 augustus 2026 23:50 uur zijn niet toegevoegd aan het dossier omdat klager met zijn e-mailbericht met bijlagen van 15 juli 2026 reeds gebruik heeft gemaakt van zijn eenmalige gelegenheid om stukken in te dienen als bedoeld in artikel 2.4.1 van het Landelijk Procesreglement voor klachten bij de raden van discipline en de in artikel 2.4.1 genoemde termijn bovendien reeds is verstreken.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Tussen klager en zijn vader en moeder is sprake (geweest) van een geschil. Verweerster heeft klagers vader en moeder vanaf 18 oktober 2016 in dit geschil bijgestaan. 

1.2    Bij aanvang van de rechtsbijstand heeft verweerster kennis genomen van een door notaris G verleden notariële volmacht d.d. 23 augustus 2012, waarin klagers moeder aan klagers vader een algemene volmacht had verleend, onder meer om haar administratie te beheren en om haar in rechte te vertegenwoordigen. 

1.3    Verweerster heeft klagers vader en moeder bijgestaan in een gerechtelijke procedure die heeft geresulteerd in een vonnis van de rechtbank van 20 september 2017 en een arrest van het Hof van 23 juni 2020. Ten tijde van deze procedures leed klagers moeder aan de ziekte van Alzheimer.

1.4    Op 26 januari 2026 heeft klager bij de deken een klacht tegen verweerster ingediend. 
 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende: 
Verweerster heeft verzuimd de rechtsgeldigheid van de volmacht te onderzoeken.

   VERWEER

3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    Ontvankelijkheid

De voorzitter stelt vast dat de klacht ziet op – vermeend - nalaten van verweerster op of rond 18 oktober 2016.

4.2    De voorzitter overweegt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten in het verleden.

4.3    Klager heeft zich op 26 januari 2026, derhalve ruimschoots na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot de deken gewend. Niet is gebleken dat klager niet eerder dan op 26 januari 2026 heeft kunnen klagen. Dat klager naar eigen zeggen pas in januari 2026 nadere informatie heeft verkregen over het  medicijngebruik van zijn moeder en dat notaris G in 2014 uit zijn ambt is gezet, maakt dit niet anders. Klager was namelijk al in 2012 bekend met het feit dat zijn moeder leed aan de ziekte van Alzheimer en dat de akte was verleden door notaris G. De voorzitter oordeelt daarom dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts evenmin gebleken. 

4.4    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

-    de klacht, met toepassing van artikel 46g van de Advocatenwet, niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 18 augustus 2026