ECLI:NL:TGZCTG:2026:169 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3051

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:169
Datum uitspraak: 19-08-2026
Datum publicatie: 20-08-2026
Zaaknummer(s): C2025/3051
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een huisarts. Klager had pijn- en zwellingsklachten aan zijn rechterscheenbeen, hij vermoedde dat dit kwam door een breuk in zijn scheenbeen en hij wilde dat de huisarts hem naar een orthopeed zou verwijzen. Klager is ontevreden over de behandeling van zijn klachten door de huisarts en de beslissing om hem zonder lichamelijk onderzoek te verrichten te verwijzen naar een fysiotherapeut in plaats van naar een orthopeed. Klager zegt dat de huisarts de breuk in zijn scheenbeen niet heeft opgemerkt en dat later bij een MRI-scan in een ziekenhuis in Litouwen alsnog een breek in zijn scheenbeen is vastgesteld. Het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens en zal het beroep van klager verwerpen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3051 van:
A., wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,


tegen


C., huisarts, (destijds) werkzaam in D.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. M.H.M. Mook, werkzaam te Leusden.   
            
1.    De kern van de zaak
1.1    Klager had pijn- en zwellingsklachten aan zijn rechterscheenbeen, hij vermoedde dat dit kwam door een breuk in zijn scheenbeen en hij wilde dat de huisarts hem naar een orthopeed zou verwijzen. Klager is ontevreden over de behandeling van zijn klachten door de huisarts en de beslissing om hem zonder lichamelijk onderzoek te verrichten te verwijzen naar een fysiotherapeut in plaats van naar een orthopeed. Klager zegt dat de huisarts de breuk in zijn scheenbeen niet heeft opgemerkt en dat later bij een MRI-scan in een ziekenhuis in E. alsnog een breuk in zijn scheenbeen is vastgesteld.  

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam heeft de klacht op 10 oktober 2025 ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens en zal het beroep van klager verwerpen.     


2.    Verloop van de procedure in beroep
2.1     Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam van 10 oktober 2025 met nummer A2025/8273 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:239). 

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van het dossier bij het Regionaal Tuchtcollege, van het beroepschrift en het verweerschrift in beroep. 

2.3    De zaak is op de zitting van het Centraal Tuchtcollege van 15 juli 2026 behandeld. De huisarts was op de zitting aanwezig en werd bijgestaan door mr. Mook. Klager is op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting, maar is niet verschenen. 
De huisarts heeft zijn standpunt nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De pleitaantekeningen van mr. Mook zijn aan het dossier toegevoegd. 

3.    De feiten
3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.

3.2    Op 22 december 2023 nam klager telefonisch contact op met zijn huisartsenpraktijk (hierna: de praktijk) wegens pijn in beide scheenbenen. Klager heeft toen het advies gekregen om eerst naar een fysiotherapeut te gaan. 

3.3    De huisarts was op 23 januari 2024 eenmalig als waarnemer werkzaam in de praktijk. Klager kwam die dag op consult bij de huisarts vanwege klachten aan zijn rechteronderbeen. Het medisch dossier vermeldt over dit consult het volgende:

(S)    MG heeft al 8weken lang last van het rechter onderbeen . deed aan hardlopen. Sportrainer die zelf tennist denkt aan stressfracturu
(O)    komt vlot wandelend binnen. geen afw zichtbaar, ni trood nie gezwollen geen drukpijn
(E)    pijn onderbeen
(P)    gaat naar sportfysio

3.4    Op 12 maart 2024 is in E. door middel van een MRI scan een stressfactuur in het rechterscheenbeen van klager vastgesteld.

4.    De klacht
4.1    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de verwijten van klager als volgt samengevat.

Klager verwijt de huisarts dat hij: 
a)    geen lichamelijk onderzoek heeft uitgevoerd en het consult in minder dan 5 minuten heeft afgehandeld;
b)    heeft ontkend dat er bij klager sprake was van een fractuur in het rechterscheenbeen terwijl later bleek dat er wel een fractuur was;
c)    klagers pijn- en zwellingsklachten aan het rechteronderbeen niet serieus heeft genomen en klager niet naar een orthopeed heeft verwezen;
d)    geen follow-up plan heeft voorgesteld en de situatie na verwijzing naar de fysiotherapeut niet heeft gemonitord. 

Klager heeft verder aangevoerd dat een eerder verzoek om een consult voor zijn klachten was geweigerd en dat door het geheel aan gebeurtenissen een duidelijke vertraging is ontstaan in de behandeling van de fractuur. 

De klacht is door het Regionaal Tuchtcollege ongegrond verklaard.

5.    Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
5.1     Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep van klager heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de zaak in volle omvang beoordeelt en de klacht alsnog gegrond verklaart.

5.2    De huisarts heeft verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klager te verwerpen.

Toetsingskader
5.3    Die vraag die ook het Centraal Tuchtcollege moet beantwoorden is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt in het tuchtrecht het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Inhoudelijke beoordeling
5.4    Het Centraal Tuchtcollege komt op basis van de stukken en de mondelinge toelichting daarop tot het oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht in al haar onderdelen terecht ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de behandeling van de zaak in beroep geen aanleiding geeft tot andere beschouwingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege en neemt datgeen wat het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen onder ‘4. De overwegingen van het college’ hier integraal over. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het beroep- en verweerschrift en de toelichting van de huisarts op de zitting geven het Centraal Tuchtcollege wel aanleiding tot enkele aanvullende opmerkingen. 

5.5     De huisarts is op de zitting bevraagd over het verloop van het consult op 23 januari 2024. Uit zijn toelichting en de stukken leidt het college af dat het consult volgens de professionele maatstaven is verlopen. De huisarts heeft toegelicht waar het lichamelijk onderzoek uit heeft bestaan en hoe hij tot zijn advies voor behandeling door een sportfysiotherapeut is gekomen. Verder heeft hij uit eigen ervaringen verklaard dat de sportfysiotherapeut die hij klager had geadviseerd en waar klager naartoe zou gaan laagdrempelig contact met de huisarts opneemt indien hij constateert dat de fysiotherapie onvoldoende resultaat oplevert en patiënt andere zorg nodig heeft. Alles bij elkaar komt het Centraal Tuchtcollege tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege alle klachtonderdelen terecht ongegrond heeft verklaard. 

Conclusie
5.6    Het voorgaande betekent dat het beroep van klager zal worden verworpen. 

6.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verwerpt het beroep.

Deze beslissing is genomen door: Z.J. Oosting, voorzitter, J. Legemaate en H.K.N. Vos, leden-juristen en D. Coppoolse en C.A. Lindeboom, leden-beroepsgenoten en bijgestaan door 
E. van der Linde, secretaris. 

Uitgesproken ter openbare zitting van 19 augustus 2026.
    Voorzitter w.g.                        Secretaris w.g.