ECLI:NL:TADRSHE:2026:99 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-555/DB/ZWB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:99 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-08-2026 |
| Datum publicatie: | 20-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-555/DB/ZWB |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Klaagster verwijt verweerster dat zij in rechte in strijd met de waarheid heeft gesteld dat er geen afspraak was gemaakt over de kinderalimentatie en zich ten onrechte heeft verzet tegen het (door klaagsters advocaat) overleggen van correspondentie tussen haar en klaagsters advocaat en haar en haar cliënt. Dat verweerster haar cliënt heeft geadviseerd om in te stemmen met het door klaagsters advocaat voorgestelde alimentatiebedrag van € 337,00 per maand, betekent naar het oordeel van de voorzitter niet dat het verweerster niet vrij stond om te stellen dat er geen bindende alimentatieregeling tot stand was gekomen. Naar het oordeel van de voorzitter kan evenmin tuchtrechtelijk worden verweten dat zij zich heeft verzet tegen het overleggen van correspondentie tussen haar en klaagsters advocaat en haar en haar cliënt. Verweerster heeft genoegzaam gemotiveerd toegelicht dat en waarom zij namens haar cliënt tegen het in het geding brengen van de correspondentie bezwaar heeft gemaakt. Kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 18 augustus 2026
in de zaak 26-555/DB/ZWB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 30 juni 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk K25-070 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster heeft een affectieve relatie gehad met de heer H, hierna: “de man”. Uit deze relatie is een (thans nog minderjarige) dochter geboren. Verweerster heeft klaagsters ex-partner vanaf 2017 bijgestaan in diverse procedures strekkende tot het verkrijgen van gezag over en omgang met de dochter.
1.2 Klaagsters advocaat en verweerster hebben in 2020 gecorrespondeerd over de kinderalimentatie in welk verband alimentatieberekeningen zijn gemaakt. Bij e-mail van 11 december 2020 heeft verweerster aan de man geadviseerd om in te stemmen met het door klaagsters advocaat berekende alimentatiebedrag van € 337,00 per maand. De man heeft dit bedrag met ingang van 14 januari 2021 aan klaagster overgemaakt.
1.3 Op 18 november 2024 heeft klaagsters advocaat een verzoekschrift strekkende tot wijziging van de zorgregeling en vaststelling van kinderalimentatie bij de rechtbank ingediend. In het verzoekschrift heeft klaagsters advocaat gesteld dat partijen hadden afgesproken dat de man ter zake kinderalimentatie maandelijks een bedrag van € 337,00 aan klaagster zou voldoen en dat hij dit aanvankelijk ook had gedaan, maar dat hij per september 2023 minder was gaan betalen en de betaling per september 2024 volledig had gestaakt.
1.4 Op 8 juni 2025 heeft verweerster namens de man een verweerschrift ingediend, waarin de man heeft verzocht om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. In het verweerschrift is onder meer het volgende gesteld:
“Kinderalimentatie
(6) De man verwijst op de eerste plaats naar de afspraken die partijen hebben
gemaakt over de kosten van [de dochter] in het ouderschapsplan. Partijen zijn overeengekomen
dat de vrouw de verblijf overstijgende kosten zal voldoen. Zij is ook de ontvanger
van de kinderbijslag en het kindgebonden budget. De stelling van de vrouw dat partijen
hebben afgesproken dat de man € 337,- per maand zou betalen, is nergens op gebaseerd.
Dat er ooit een berekening is gemaakt, betekent niet dat partijen daarover een afspraak
hebben gemaakt. De berekening dateert van 2020. Waarom is de berekening niet meegenomen
in de eerdere procedure waarin op 26 april 2021 nog een beschikking is afgegeven?
Hoe en wanneer zouden partijen hebben afgesproken dat de man € 337,- per maand dient
te betalen? Er bestaat geen enkele grondslag om thans met een bijdrage van € 335,08
per maand met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023 te vorderen.”
1.5 Ter onderbouwing van de stelling dat partijen hadden afgesproken dat de man ter zake kinderalimentatie maandelijks een bedrag van € 337,00 aan klaagster zou voldoen, heeft klaagsters advocaat bij e-mail van 10 juni 2025 de e-mailcorrespondentie tussen klaagsters advocaat en verweerster en de e-mail van 11 december 2020 van verweerster aan de man overgelegd. Verweerster heeft zich tegen het overleggen van die correspondentie verzet.
1.6 Bij e-mail van 16 juni 2025 heeft de griffier van de rechtbank verweerster als volgt bericht:
“Namens de rechtbank bericht ik u als volgt. In het verweerschrift dat u namens uw cliënt [de man] in bovenvermelde zaak heeft ingediend, wordt vermeld dat sinds 12 februari 2025 bewind is ingesteld over de goederen van uw cliënt. Dit betekent dat uw cliënt in beginsel niet zelfstandig kan optreden als procespartij inzake de alimentatiekwestie, maar dat de bewindvoerder als zodanig dient op te treden. De rechtbank stelt u daarom in de gelegenheid om de bewindvoerder te verzoeken schriftelijke toestemming te geven aan uw cliënt om de procedure zelfstandig te voeren, dan wel om aan te geven of u ook als advocaat optreedt namens de bewindvoerder. Gelet op de datum van de mondelinge behandeling, verneemt de rechtbank graag zo spoedig mogelijk uw reactie.”
1.7 Bij e-mail van 17 juni 2025 heeft verweerster aan de rechtbank medegedeeld dat zij nog geen machtiging van de bewindvoerder had verkregen en heeft zij om aanhouding van de mondelinge behandeling verzocht.
1.8 Op 6 juli 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht tegen verweerster ingediend.
1.9 Op 15 oktober 2025 heeft verweerster zich als advocaat van de man onttrokken omdat zij nog altijd geen machtiging van de bewindvoerder had ontvangen.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft in rechte in strijd met de waarheid gesteld dat er geen afspraak was gemaakt over de kinderalimentatie en zich ten onrechte verzet tegen het (door klaagsters advocaat) overleggen van correspondentie tussen haar en klaagsters advocaat en haar en haar cliënt.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Toetsingskader
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen
daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
4.3 De klacht is kennelijk ongegrond
Klaagster verwijt verweerster dat zij in een processtuk in strijd met de waarheid heeft gesteld dat er geen afspraak was gemaakt over de kinderalimentatie. Verweerster heeft dit verwijt uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken. Verweerster heeft het verweer gevoerd dat het haar taak was om in de gerechtelijke procedure namens haar cliënt verweer te voeren en dat zij niet heeft ontkend dat er een alimentatieberekening is gemaakt, maar heeft gesteld dat een alimentatieberekening onvoldoende bewijst dat partijen een bindende alimentatieregeling hebben getroffen. Verweerster heeft voorts gesteld dat zij het ongepast vond dat klaagsters advocaat vertrouwelijke correspondentie in het geding had gebracht en dat zij dit daarom in de procedure naar voren heeft gebracht.
4.4 De voorzitter overweegt als volgt. Het was de taak van verweerster om de belangen van haar cliënte te behartigen. In dat verband stond het verweerster vrij om op basis van de van haar cliënt verkregen informatie de standpunten van haar cliënt naar voren te brengen. Ook stond het verweerster vrij om namens haar cliënt de processtukken in te richten op een wijze die haar, met het oog op de door haar te behartigen belangen, juist voor kwam. Dat klaagster zich niet in de door verweerster namens haar cliënt naar voren gebrachte standpunten kan vinden, betekent nog niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4.5 Indien en voor zover klaagster het met de door verweerster namens haar cliënt naar voren gebrachte standpunten, waaronder het standpunt dat geen alimentatieregeling was overeengekomen, niet eens was, kon zij dan wel haar advocaat dit in de civiele procedure naar voren brengen. De voorzitter overweegt dat het tuchtrecht niet is bedoeld voor het voeren van een discussie over de juistheid van de standpunten van partijen in een civielrechtelijk geschil. Het is aan de civiele rechter, en niet aan de tuchtrechter, om een oordeel te geven over hetgeen partijen verdeeld houdt, in de onderhavige zaak de vraag of en in hoeverre klaagster en de man een bindende regeling over de te betalen kinderalimentatie waren overeengekomen. Dat verweerster haar cliënt heeft geadviseerd om in te stemmen met het door klaagsters advocaat voorgestelde alimentatiebedrag van € 337,00 per maand, betekent naar het oordeel van de voorzitter niet dat het verweerster niet vrij stond om te stellen dat er geen bindende alimentatieregeling tot stand was gekomen.
4.4 Naar het oordeel van de voorzitter kan evenmin tuchtrechtelijk worden verweten dat zij zich heeft verzet tegen het overleggen van correspondentie tussen haar en klaagsters advocaat en haar en haar cliënt. Ook op dit punt heeft immers te gelden dat het de taak van verweerster was om de belangen van haar cliënt te behartigen en verweerster heeft genoegzaam gemotiveerd toegelicht dat en waarom zij namens haar cliënt tegen het in het geding brengen van de correspondentie bezwaar heeft gemaakt.
4.5 De voorzitter komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerster de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 18 augustus 2026