ECLI:NL:TGZRSHE:2026:147 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025-8896

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:147
Datum uitspraak: 19-08-2026
Datum publicatie: 19-08-2026
Zaaknummer(s): H2025-8896
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen huisarts. Klaagster, dochter van patiënt, is kennelijk niet ontvankelijk in haar klacht over de medische behandeling van wijlen patiënt vanwege de bijzondere omstandigheid. Klaagster verwijt de huisarts geen ambulance te hebben opgeroepen bij het consult met patiënt. Patiënt is de volgende dag overleden. Ook wordt de huisarts verweten de kinderen van patiënt niet te hebben gewaarschuwd. Patiënt kwam nooit met klaagster op consult bij de huisarts. College: huisarts heeft eerste contactpersoon en patiënt adequaat geïnformeerd. Verweerster kende klaagster niet ten tijde van het genoemde consult en had geen contactgegevens van klaagster.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 19 augustus 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B], klaagster,

tegen:


[C],
huisarts, werkzaam in [D], verweerster,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster verwijt verweerster dat verweerster geen ambulance heeft laten komen toen patiënt, 
de vader van klaagster, bij verweerster op consult kwam. Patiënt is de volgende dag overleden. Ook 
verwijt klaagster verweerster dat zij de kinderen van patiënt niet heeft gewaarschuwd. Patiënt kwam 
vaak alleen op consult bij verweerster of met de zus van klaagster, de eerste contactpersoon 
(hierna: eerste contactpersoon) of met één van zijn kleinkinderen. Verweerster kende klaagster niet 
ten tijde van het genoemde consult.

1.2   Primair heeft verweerster het college verzocht om klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in 
haar klacht te verklaren en subsidiair de klacht als (kennelijk) ongegrond af te wijzen.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat dat klaagster deels kennelijk niet-ontvankelijk is in 
haar klacht en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het 
niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet 
gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  Het dossier bevat de volgende stukken:
-    het klaagschrift, ontvangen op 10 september 2025;
-     het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen per e-mail op 23 december 2025 en per post op 
29 december 2025. Vanwege een geslaagd beroep op artikel 67 lid 3 van de Wet op de beroepen in de 
individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) is dit processtuk niet toegestuurd aan klaagster;
-    de brief van 15 januari 2026 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster;
-    de brief van de gemachtigde van verweerster, ontvangen op 23 januari 2026;
-    de brief van 28 januari 2026 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster;
-    het aangepaste verweerschrift, ontvangen op 10 februari 2026.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1   Patiënt, weduwnaar van 86 jaar, verscheen op 11 juni 2024 samen met zijn kleinzoon, de zoon 
van klaagster, op het consult bij verweerster. Verweerster heeft een anamnese bij patiënt afgenomen 
en zijn klachten uitgevraagd. Hierbij bleek dat patiënt had gebraakt met zwarte stukjes in het 
braaksel. Ook heeft zij lichamelijk onderzoek bij patiënt verricht, aanvullend bloedonderzoek laten 
doen en het medicamenteuze beleid ingesteld. Kort na dit consult heeft verweerster overleg gevoerd 
met de dienstdoende MDL-arts. Verweerster en de MDL-arts constateerden geen alarmsymptomen bij een 
klinisch stabiele patiënt. De vitale functies vertoonden geen afwijkingen en er was geen teken van 
een acute maagbloeding. De MDL-arts zag ook geen indicatie voor een (acute) verwijzing. Verweerster 
heeft daarna haar bevindingen, het overleg met de MDL-arts en het voorgestelde beleid met zowel de 
patiënt als met de eerste contactpersoon besproken. Daarnaast heeft verweerster beiden instructies 
gegeven om bij aanhoudend of toenemend (zwart) braken, verslechtering van de toestand van patiënt 
of bij zorgen direct contact op te nemen. Ook heeft verweerster een telefonische controle voor over 
twee dagen ingepland.

3.2  In juni 2024 is patiënt overleden. Hij was aangetroffen in braaksel. Er heeft geen obductie 
plaatsgevonden.

3.3   Verweerster heeft deze casus vervolgens besproken met twee collega huisartsen en de MDL-arts. 
Het beloop en het medisch beleid zijn hierbij gezamenlijk geëvalueerd. De conclusie was dat 
verweerster zorgvuldig en volgens de richtlijnen had gehandeld.

3.4  Daarna is de volgende review over verweerster op internet geplaatst (alle citaten voor zover 
van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) Mijn vader is (…) gezien door [verweerster] (…) hij gaf bloed over. (…) is hij overleden. (…) 
Geen laatste zorg gehad, dat had anders moeten zijn.”

3.5   Verweerster heeft over deze review contact opgenomen met de eerste contactpersoon van wijlen 
patiënt. Verweerster was vanwege de woorden in de review: “Mijn vader” in de veronderstelling dat 
de eerste contactpersoon deze review had geplaatst.

3.7  Op 2 september 2024 heeft de eerste contactpersoon aan verweerster gemaild:
“(…) Ik heb al 1 bericht gevonden, echter heeft mijn zus er nog 1 geplaatst maar kan deze zo gauw 
niet meer vinden. (…) Kunnen berichten niet verwijderd worden of mag dat niet?”

3.8  Klaagster is vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op de praktijk van verweerster. Hierop 
heeft klaagster niet gereageerd.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klaagster verwijt verweerster met betrekking tot de behandeling van patiënt dat verweerster op 
11 juni 2024;
a)   geen ambulance heeft laten komen en patiënt naar het ziekenhuis heeft laten vervoeren alwaar 
de bloeding gestopt had kunnen worden en de patiënt niet zou zijn overleden;
b)   de kinderen niet heeft gewaarschuwd;
c)   patiënt een vreselijke dood heeft laten sterven, helemaal alleen zonder zorg, zonder zijn 
kinderen.

4.2   Primair heeft verweerster verzocht de klaagster (kennelijk) niet-ontvankelijk te verklaren en 
de klacht dus niet inhoudelijk te beoordelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk 
zal beoordelen, heeft verweerster het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te 
verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder, voor zover nodig, verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1   Het college realiseert zich dat het overlijden van de patiënt een zeer verdrietige 
gebeurtenis is. Ook begrijpt het college dat deze afloop een weerslag heeft op verweerster. Het 
college dient de klacht echter zakelijk te beoordelen.

Ontvankelijkheid klachtonderdelen a) en c) medische behandeling van patiënt
5.2   Verweerster heeft aangevoerd dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klacht omdat 
verweerster grote twijfel heeft of klaagster de wil van patiënt vertegenwoordigt. Verweerster heeft 
aangedragen dat de patiënt met regelmaat het spreekuur van verweerster bezocht. Patiënt kwam vaak 
alleen of werd begeleid door de eerste contactpersoon of door één van zijn kleinkinderen. 
Verweerster heeft klaagster nimmer ontmoet en verweerster was ten tijde van de behandeling niet 
bekend dat klaagster een dochter van patiënt is.
5.3   Het college komt tot het oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is voor zover de 
klacht de medische behandeling van patiënt betreft. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van 
een klager geldt als uitgangspunt dat het recht van een nabestaande van een patiënt om een klacht 
in te dienen over de behandeling van een overleden familielid is afgeleid van de
in het algemeen veronderstelde wil van het overleden familielid. In beginsel 
geldt dat de nabestaanden geacht worden de wil van de overleden patiënt te vertegenwoordigen tenzij 
er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om daaraan te twijfelen.

5.4   Verweerster heeft aangevoerd dat er sprake is van een dergelijke bijzondere omstandigheid. 
Het college overweegt dat uit de e-mail van de eerste contactpersoon na de negatieve review volgt 
dat de eerste contactpersoon geen negatieve review over verweerster heeft willen plaatsen. Immers 
wat betreft de eerste contactpersoon moest deze review worden verwijderd. Ook is niet gebleken dat 
(één van) de overige nabestaanden achter de klacht van klaagster staan. Klaagster was nooit 
aanwezig bij de consulten en daarmee ook niet op de hoogte van de mening van de patiënt over zijn 
behandeling. Tot slot bevatten het procesdossier en het medisch dossier van de patiënt geen 
aanwijzing dat de patiënt had willen klagen over de behandeling door verweerster. Het college is 
niet gebleken dat klaagster de wil van de patiënt vertegenwoordigt met het indienen van deze 
klacht.

5.5   Het college oordeelt dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is voor wat betreft de 
klachtonderdelen a) en c) die de medische behandeling van patiënt betreffen. Dat betekent dat deze 
klachtonderdelen onbesproken blijven.

Klachtonderdeel b) kinderen niet gewaarschuwd
Ontvankelijkheid klachtonderdeel b)
5.6   Het college begrijpt uit dit klachtonderdeel dat klaagster heeft bedoeld te klagen over dat 
zij niet door verweerster is gewaarschuwd. Dit betreft een zelfstandig klachtrecht van klaagster 
als naaste betrekking van de patiënt. Klaagster is daarmee ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

Criteria voor de beoordeling klachtonderdeel b)
5.7   Het college moet de ingediende klacht beoordelen aan de hand van zakelijke criteria. Daarbij 
gaat het erom of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en professionele standaarden. Dat een 
zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk 
verwijt. Verder gaat het college uit van de informatie waarover de huisarts op het moment van 
handelen beschikte of kon beschikken. Dat de patiënt kort na 11 juni 2024 is overleden, moet 
daarbij buiten beschouwing worden gelaten omdat de huisarts die wetenschap op het moment van het 
handelen niet had.

5.8   Het college is gebleken dat verweerster op de dag van het consult haar bevindingen, het 
overleg met de MDL-arts en het voorgestelde beleid met zowel de patiënt als met de eerste 
contactpersoon heeft besproken. Daarbij heeft verweerster beiden adequate instructies gegeven die 
passen bij de situatie zoals deze bekend was op 11 juni 2024. Dat de dag daarna de situatie heel 
anders was geworden en de patiënt is overleden, valt zeer te betreuren maar maakt niet dat
verweerster de dag daarvoor onzorgvuldig heeft gehandeld. In zoverre is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

5.9   Klaagster was daarnaast geen contactpersoon voor patiënt en verweerster had klaagster nooit 
ontmoet. Verweerster had op dat moment niet de contactgegevens van klaagster. Het college is geen 
grond gebleken voor het informeren of waarschuwen van klaagster. Dit klachtonderdeel is voor het 
overige ook kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.10  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in de 
klachtonderdelen a) en c) en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
Het college verklaart:
-  klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdeel a) en c);
-  de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, E. Jansen en T.A.W. Linssen, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar 
uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg-Jeths-van Meerwijk op 19 augustus 2026.