ECLI:NL:TADRARL:2026:170 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-864/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:170 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-08-2026 |
| Datum publicatie: | 19-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-864/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond verzet. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 17 augustus 2026
in de zaak 25-864/AL/MN
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 16 maart 2026 op de klacht van:
klaagster
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 6 augustus 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 16 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2362925 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 16 maart 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter):
- klachtonderdelen a), b), c), d), e) en f) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard,
en
- klachtonderdelen g) en h) kennelijk ongegrond verklaard.
1.4 Op 14 april 2026 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 19 juni 2026. Daarbij waren klaagster, bijgestaan door haar begeleider, en verweerster aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
I) ten onrechte heeft de voorzitter niet aannemelijk geoordeeld dat klaagster vanwege haar psychische gesteldheid pas recent (binnen de eenjaarstermijn als bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet) bekend is geworden met de gevolgen van het handelen en nalaten van verweerster;
II) ten onrechte heeft de voorzitter aangenomen dat klaagster vanaf april/mei 2021 werd bijgestaan door een andere advocaat en een jurist, die tot taak hadden om het handelen van verweerster te beoordelen;
III) klaagster zijn later feiten en stukken bekend geworden op grond waarvan klaagster duidelijk werd wat er op de zitting was afgesproken en welke gevolgen dit voor klaagster had;
IV) ten onrechte heeft de voorzitter het ne bis in idem-beginsel toegepast; de klacht heeft betrekking op nieuwe feiten en omstandigheden die klaagster ten tijde van de eerdere klachtprocedure niet bekend waren; klaagster schetst de gang van zaken rond de zitting;
V) de getroffen financiële regeling is evident scheef en heeft financiële gevolgen voor klaagster;
VI) in de onderhandelingen zijn de pensioenrechten betrokken terwijl de waarde klaagster niet bekend was;
VII) de ex-echtgenoot van klaagster is overbedeeld;
VIII) de voorzitter heeft geoordeeld dat de klachtenfunctionaris tijdig heeft gereageerd; klaagster klaagt ook over het ontbreken van een inhoudelijke beoordeling van haar vragen.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Met betrekking tot de specifiek door klaagster aangevoerde gronden overweegt de raad als volgt.
4.3 De eerste twee verzetsgronden richten zich tegen het oordeel van de voorzitter dat niet aannemelijk is geworden dat klaagster vanwege haar psychische gesteldheid pas recent (binnen de eenjaarstermijn als bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet) bekend is geworden met de gevolgen van het handelen en nalaten van verweerster, waarbij de voorzitter mede van belang acht dat klaagster vanaf april/mei 2021 werd bijgestaan door een andere advocaat en een jurist, die juist tot taak hadden om het handelen van verweerster te beoordelen.
4.4 In haar eerste verzetgrond stelt klaagster dat zij tot november 2023 wilsonbekwaam was en dus niet in staat was de gevolgen van het handelen van verweerster te begrijpen. Klaagster heeft een schriftelijke verklaring van haar psycholoog in het geding gebracht waar dat in staat. Die verklaring helpt klaagster niet. De verklaring van de behandelend psycholoog maakt namelijk niet dat het oordeel van de voorzitter onjuist is. De raad stelt vast dat klaagster op 29 september 2021 bij de deken een klacht over verweerster heeft ingediend over de overdracht van het dossier en over de voorlichting over pensioenverevening. De gestelde wilsonbekwaamheid stond die klacht kennelijk niet in de weg. Niet valt in te zien waarom dit toen het klagen over klachtonderdelen (a t/md en f) wel in de weg heeft gestaan.
4.5 In haar tweede verzetgrond betwist klaagster dat zij vanaf april/mei werd bijgestaan door een andere advocaat en een jurist, die tot taak hadden om het handelen van verweerster te beoordelen. Vaststaat evenwel dat verweerster op 21 juni 2021 de processtukken aan de andere advocaat van klaagster heeft gestuurd nadat verweerster op 12 mei 2021 aan verweerster had aangegeven dat die andere advocaat een second opinion voor haar zou doen. Verder staat vast dat klaagster door een jurist is bijgestaan bij haar eerder klacht over verweerster. Klaagster betwist dat niet, maar voert – naar de raad begrijpt - in feite aan dat zij door de andere advocaat en de jurist inhoudelijk niet of niet goed is bijgestaan. Hoe dan ook, is de voorzitter niet uitgegaan van onjuiste feiten.
4.6 In haar derde verzetgrond stelt klaagster dat zij lange tijd niet over het volledige procesdossier beschikte en dat de gevolgen van het handelen en nalaten van verweerster haar daarom pas later duidelijk werden. Deze stelling van klaagster valt niet te rijmen met het vaststaande feit dat verweerster op 21 juni 2021 de processtukken aan de andere advocaat van klaagster heeft gestuurd en het oordeel van de raad in de eerdere klacht van klaagster over verweerster, dat verweerster onbetwist heeft gesteld dat klaagster beschikte over afschriften van alle dossierstukken, waaronder de gevoerde correspondentie. Ook is de stelling van klaagster te algemeen om conclusies aan te kunnen verbinden. Klaagster laat in het midden wanneer zij de stukken wel heeft ontvangen. Uit wat klaagster aanvoert blijkt niet dat klaagster binnen de eenjaarstermijn als bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bekend is geworden met de gevolgen van het handelen en nalaten van verweerster. De beschikking van de rechtbank dateert van 20 november 2020.
4.7 De vierde tot en met de zevende verzetsgrond richten zich tegen het oordeel van de voorzitter dat het ne bis in idem beginsel in de weg staat aan de behandeling van klachtonderdeel e, waarin wordt gesteld dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de door haar ter zitting gemaakte onvolledige afspraken over de pensioenverevening op haar af te schuiven en tegen haar wil een vaststellingsovereenkomst te laten tekenen zonder daarover overleg met de bewindvoerder te voeren. In haar verzetgronden 4 t/m 7 gaat klaagster in op het handelen en nalaten van verweerster bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst en de gevolgen die de vaststellingsovereenkomst voor haar heeft.
4.8 De raad stelt evenwel vast dat ook de klacht die in 2023 is behandeld ging over de betrokkenheid van verweerster bij het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst.
4.9 Ook de laatste verzetgrond van klaagster slaagt niet. De verwijten aan de klachtfunctionaris gaan verweerster niet aan.
4.10 Gezien het voorgaande hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.11 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. S.J. de Vries en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. S.J. Velsink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 17 augustus 2026