ECLI:NL:TAHVD:2026:270 Hof van Discipline 's Gravenhage 250437 250438

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:270
Datum uitspraak: 17-08-2026
Datum publicatie: 19-08-2026
Zaaknummer(s):
  • 250437
  • 250438
Onderwerp:
  • Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van faillissementscurator
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. zijn medeadvocaten, subonderwerp: Regels die betrekking hebben op de juridische strijd
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Het betreft een klacht over de curator (verweerster) en over de advocaat van de curator (verweerder). De raad van discipline heeft geoordeeld dat verweerders niet actief bij de toenmalige advocaten van klagers of bij klagers om toestemming hadden hoeven vragen om een factuur met een specificatie van de toenmalige advocaten van klagers te mogen gebruiken in de procedure tegen klagers. De raad heeft de klacht daarom ongegrond verklaard. Klagers zijn in beroep gekomen. Het hof is -anders dan de raad- van oordeel dat verweerders in strijd met de kernwaarde vertrouwelijkheid hebben gehandeld door de declaratie met specificatie die onder het beroepsgeheim valt in een procedure tegen klagers te gebruiken. Het hof is daarom van oordeel dat de klacht gegrond is en legt aan verweerders de maatregel van een waarschuwing op.

Beslissing van 17 augustus 2026 
in de zaken 250437 en 250438

naar aanleiding van de hoger beroepen van:

                    1. (klager)
                    2. (klaagster)

                    klagers

                    gemachtigden: mr. W.K. van den Berg en mr. J.V. Mol, advocaten te Amsterdam

                    tegen 

                    1. (verweerster)
                    2. (verweerder)

                    verweerders

                    gemachtigde: mr. A. Al Mansouri, advocaat te Nijmegen


1    INLEIDING

1.1    Het betreft een klacht over de curator (verweerster) en over de advocaat van de curator (verweerder). De raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat verweerders niet actief bij de toenmalige advocaten van klagers of bij klagers om toestemming hadden hoeven vragen om een factuur met een specificatie van de toenmalige advocaten van klagers te mogen gebruiken in de procedure tegen klagers. De raad heeft de klacht daarom ongegrond verklaard. Klagers zijn in beroep gekomen. Het hof van discipline (hierna: het hof) is -anders dan de raad- van oordeel dat verweerders in strijd met de kernwaarde vertrouwelijkheid hebben gehandeld door de declaratie met specificatie die onder het beroepsgeheim valt in een procedure tegen klagers te gebruiken. Het hof is daarom van oordeel dat de klacht gegrond is en legt aan verweerders de maatregel van een waarschuwing op.

1.2    Het  hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klagers in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klagers en verweerders (zaaknummers: 25-267/AL/GLD en 25-268/AL/GLD) een beslissing gewezen op 10 november 2025. In deze beslissing is de klacht van klagers ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:242 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klagers tegen de beslissing is op 9 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van verweerders.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 22 juni 2026. Daar zijn klagers en verweerders, bijgestaan door hun gemachtigden, verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

2.6 Het hof is in raadkamer tot de conclusie gekomen dat partijen zich nog niet hadden uitgelaten op het punt van de ontvankelijkheid van klaagster en heeft bij brief van 2 juli 2026 aan partijen gevraagd zich hieromtrent nader uit te laten. Partijen hebben hierop op 2 juli 2026 respectievelijk 10 juli 2026 gereageerd.  


3    FEITEN

3.1    Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2    Klager is enig bestuurder van [X] BV (hierna ook: [X] en [Y] BV (hierna ook: [Y]). Klaagster, een beheervennootschap waarvan klager enig bestuurder is, is van [X] en [Y] de grootaandeelhouder.

3.3    Op 19 mei 2020 heeft de rechtbank Gelderland de faillissementen van de vennootschappen [X] en [Y] uitgesproken met benoeming van verweerster tot curator. Verweerder is als (toenmalige) kantoorgenoot van verweerster voor haar gaan optreden als de advocaat.

3.4    De advocaten mrs. D en P van [G advocaten] hebben in de periode voor het faillissement van [Y] bijstand verleend. Op 9 juni 2020 is door een secretaresse namens [G advocaten] aan het kantoor van verweerster het volgende gemaild:

    Middels deze dien ik een vordering in die [naam advocatenkantoor] heeft op [B]. Het betreft een     totaal bedrag van € 9.224,39. De specificaties heb ik in de bijlage (*) toegevoegd. Ik verzoek u     vriendelijk om deze vordering in uw administratie op te nemen en mij op de hoogte te houden     van de verdere afwikkeling.

In de bijgevoegde urenspecificatie van 4 mei 2020 inzake [Y] staan onder meer de volgende werkzaamheden vermeld:

    van mr. D:

    - op 3 april 2020:        Bestudering eigen aangifte, overleg [mr P]               0,50

                                            Telefonisch overleg met [naam cliënt]               1,00

    van mr. P:

    - op 7 april 2020:             Onderzoek reglementen, tel. overleg griffie en  

                                                 e-mail inz. behandeling eigen aangifte           0,30

    - op 28 april 2020:           Div. e-mail, opstellen conceptnotulen,

                                                  opdracht eigen aangifte                               2,00


3.5    Op 1 augustus 2023 heeft verweerster klager aansprakelijk gesteld voor tekorten in de faillissementen van [X] en [Y]. 

3.6    Op 21 mei 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden bij de rechter-commissaris. Hierbij waren klager, de gemachtigde van klager en verweerster (curator) aanwezig. Tijdens die bespreking heeft verweerster de factuur met specificatie getoond en aangegeven dat daaruit zou blijken dat klager niet te goeder trouw als bedoeld in artikel 54 Fw zou zijn geweest en dat dit ook aan klaagster kon worden toegerekend. Op 22 mei 2024 heeft verweerster aan de gemachtigde van klagers de factuur van 9 juni 2020 met urenspecificaties van [G advocaten] doorgestuurd.  

3.7    In zijn e-mail van 29 mei 2024 heeft de gemachtigde van klagers aan verweerster geschreven hoe de bespreking bij de rechter-commissaris in zijn optiek was verlopen. Verder heeft hij daarin aan verweerster geschreven:

    De rechter-commissaris besloot de bespreking met de mededeling dat hij procesvolmacht geeft tenzij hem binnen twee weken het bericht bereikt dat wij vruchtbaar schikkingsoverleg hebben gevoerd.

    Overleg met cliënten heeft inmiddels opgeleverd dat huns inziens het stuk dat ter tafel kwam     niet kan leiden tot het bewijs van een onrechtmatigde daad begaan door een van cliënten of     beiden, i.e. dat hen op enig moment de overschrijding van de zogenaamde peildatum zou zijn     te verwijten. Ik zal daarom namens cliënten geen schikkingsvoorstel doen in vervolg op de     gevoerde bespreking.

3.8    Op 16 juli 2024 heeft verweerder namens verweerster klagers gedagvaard door betekening van de dagvaarding op het kantooradres van hun advocaat, tevens gemachtigde in deze procedure. In de dagvaarding staat, voor zover relevant in deze procedure, het volgende geschreven:

    138. Het staat vast dat klaagster vanaf 1 mei 2020 aanzienlijke bedragen van [X] en [Y] heeft ontvangen. [Klaagster] is uitsluitend gerechtigd tot deze bedragen indien hiervoor een juridische rondslag bestaat. De enige denkbare juridische grondslag betreft de verrekening     van de ontvangen bedragen met de vordering die [klaagster] op [X] en [Y] in rekening     courant stelt te hebben. Dat deze verrekening niet mogelijk is op grond van artikel 54 Fw,     heeft de Curator in het bovenstaande toegelicht. (…)

    Goede trouw

    140. [Klager] stelt verder ten onrechte dat hij op 1 mei 2020 niet wist dat de faillissementen te  verwachten. Dit standpunt is onhoudbaar op basis van het enkele feit dat [klager] zijn advocaat    in april 2020 al opdracht had gegeven om de eigen aangiftes voor te bereiden. [Klager] wist dan ook dat de faillissementen te verwachten waren. De Curator verwijst hiervoor naar onderstaande door de advocaat van [X] en [Y] overgelegde urenspecificatie (productie 38),     waaruit blijkt dat deze advocaat al in ieder geval vanaf 3 april 2002 bezig was met de eigen  aangifte: (…)

3.9    Op 18 juli 2024 heeft verweerster, na daartoe op 11 juli 2024 verkregen verlof van de voorzieningenrechter, conservatoir beslag laten leggen op twee onroerende zaken die in eigendom zijn van klager. In het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag is door verweerders onder meer het volgende opgenomen:

    12. De gevorderde beslagen zijn nodig ter verzekering van het verhaal door de Curator in het     belang van de gezamenlijke schuldeisers, Hierbij heeft de Curator gekozen voor een beslag op     onroerende zaken, hetgeen voor [klager] en [klaagster] veel minder bezwarend is dan     bijvoorbeeld derdenbeslag onder een bank.

    13. Verder is van belang dat uit de kadastrale gegevens blijkt dat [klager] meer onroerend goed     in eigendom heeft. De Curator verwacht echter dat de gevorderde beslagen voldoende     zekerheid bieden ter dekking van de vorderingen van de Curator. Aangezien de Curator geen     zekerheid heeft over de hoogte van de hypothecaire financieringen en de (executiewaarde) van     de onroerende zaken, is beslag op drie onroerende zaken noodzakelijk om voldoende     zekerheid te verkrijgen. Voor het geval de vordering ten opzichte van én partij afgewezen wordt,     heeft de Curator er bovendien belang bij ten laste van [klager] èn [klaagster] beslag te leggen.

    14. Zoals ook blijkt uit bijgaande conceptdagvaarding, verzet [klager] zich tegen de acties van     de Curator en heeft hij ook de nodige verwijten richting de Curator gemaakt. Daarnaast verwijt     de Curator [klager] dat hij zijn eigen belang, en dat van [klaagster], heeft laten prevaleren boven     het belang van [X] en haar schuldeisers. Gezien deze opstelling van [klager] vreest     de     Curator dan ook dat [klager] het verhaal door de Curator zal frustreren. Bovendien heeft     [klager] zich tegenover de Curator laten ontvallen dat hij zijn woning wenst te verbouwen en     hiervoor financiering nodig heeft. Dit zal tot gevolg hebben dat de onroerende zaken mogelijk     verder bezwaard worden. Gezien het vorenstaande is dan ook sprake voor gegronde vrees voor     verduistering.

3.10       De gemachtigde van klagers heeft op 22 juli 2024 aan verweerders het volgende gemaild:

    om 13:48 uur:

    U hebt conservatoir beslag doen leggen op aan cliënten [klagers] in eigendom toebehorende     onroerende zaken. Art 725 jo, 711 Rv verlangt daarvoor vrees voor verduistering en daar schort     het bij cliënten aan.

    Met de stelling dat cliënt [klager] verwijten zou maken aan het adres van de curator wordt de     vrees voor verduistering niet aannemelijk gemaakt en evenmin met de stelling dat [klager] eigen     belang en belang van [klaagster] zou hebben laten prevaleren boven dat van [A] en dier     schuldeisers. Apert in strijd met de waarheid is de stelling dat [klager] zich jegens de curator     heeft laten ontvallen dat hij zijn huis wil laten verbouwen en hiervoor een financiering nodig     heeft. [Klager] heeft in een gesprek met de rechter commissaris gezegd dat hij zijn huis wil laten     verbouwen maar dat hij er bij de bank geen financiering voor krijgt zolang de kwestie van de     gestelde bestuurdersaansprakelijkheid nog loopt. Daarmee is dus uitgesloten dat de     onroerende zaken mogelijk verder moeten worden bezwaard.

    Voor [klaagster] geldt mutatis mutandis hetzelfde; zij heeft zich al helemaal niet uitgelaten over     een door haar voorgenomen verbouwing, ook niet bij monde van haar bestuurder. Het doen     beslagleggen is daarmee jegens cliënten een onrechtmatig handelen van de curator. Het is     daarom dat ik de curator namens cliënten verzoek - en zo nodig sommeer- om de gelegde     beslagen per ommegaande te doen opheffen, bij gebreke waarvan cliënten de curator     aansprakelijk zullen houden voor door hen te lijden schade. Overigens achten zij zich vrij.

    Om 15:32 uur:

    U hebt cliënten [klagers] op 16 juli 2024 op mijn kantooradres doen dagvaarden.

    (…) Cliënten wezen mij er op dat de dagvaarding afwijkt van een eerder toegezonden concept.

    Meer in het bijzonder wezen cliënten mij op alinea 140 (139 in concept) en daar genoemde én  overgelegde productie 38. Dat stuk is u door de advocaat van cliënten niet overgelegd om te  dienen tot bewijs van uw stelling(en) - zoals u ten onrechte doet voorkomen - en toch gebruikt u het daarvoor. Cliënten hebben daar bezwaar tegen. U hebt de vertrouwelijkheid die heerst in     de relatie van de advocaat en zijn cliënten doorbroken door kennis te nemen van én aan de     rechtbank te laten zien welke werkzaamheden de advocaat ten behoeve van zijn cliënten op     enig moment heeft verricht. Als u de advocaat gevraagd zou hebben om het te mogen gebruiken     als bewijsstuk tegen zijn cliënten dan had het antwoord daarop zeker ontkennend geweest     omdat hij anders zijn geheimhoudingsverplichting zou hebben geschonden.

    (…)

    Cliënten zijn er niet mee bekend dat u de advocaat hebt gevraagd om diens visie omtrent de  vertrouwelijkheid van de specificatie waaruit van de aard en omvang van diens werkzaamheden valt af te leiden, zodanig zelfs dat u daarmee een van uw stellingen poogt te bewijzen. Evenmin  zijn zij er mee bekend dat er door de deken bemiddeld is tussen de advocaat en u.

    Aldus verzoek ik u namens cliënten om te verklaren welke rechtvaardiging er in uw ogen heeft  bestaan om ten bewijze van een uwer stelling een stuk van een advocaat in te brengen. Dat het hier een specificatie van diens werkzaamheden betreft maakt het in de ogen van cliënten niet  minder laakbaar juist omdat u er mee wilt bewijzen dat u nimmer kunt bewijzen als de advocaat     zich aan zijn geheimhoudingsplicht houdt. Als u niet of niet genoegzaam verklaart hebt u     tenminste de betreffende passages en het overgelegde stuk terug te nemen. Cliënten     overwegen sowieso om te klagen want feitelijk is het kwaad al geschied.

3.11  Op 13 augustus 2024 hebben klagers een klacht over verweerster bij de deken ingediend.

3.12 Op 16 augustus 2024 heeft de gemachtigde van klagers, mr. H, aan [G advocaten] geschreven:

    Op dinsdag 6 augustus en gisteren 15 augustus hadden we telefonisch contact over mogelijke berichtgeving vanuit jouw kantoor aan [verweerster] als curator in de faillissementen van [Y] en   [X], vennootschappen waarvan [klager] bestuurder is. zou die berichtgeving er     niet zijn, zo     begreep ik op 6 augustus jl., liet je me gisteren weten dat [naam] toch op enig     moment     telefonisch contact heeft gehad met de faillissementsmedewerker [naam] van     [verweerster]     en haar later een briefje heeft gestuurd met aangehecht urenspecificatie van  verrichte     werkzaamheden. Mag ik een kopie van dat briefje?

3.13  Op 19 augustus 2024 heeft [G advocaten] aan de gemachtigde van klagers gemaild:

    (…)

    De declaraties met specificaties zijn dus (uitsluitend) door [naam] aan [kantoor van verweerders]  gestuurd en (uitsluitend) met het doel de vorderingen ter verificatie in te dienen.

4    KLACHT

De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat verweerster in haar hoedanigheid van faillissementscurator en verweerder als advocaat van de curator tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) de vertrouwelijkheid te schenden;

Toelichting: Verweerders hebben in de dagvaarding van 16 juli 2024 onder randnummer 140 verwezen naar de als productie 38 overgelegde urenspecificatie van [naam advocatenkantoor]. Daaruit blijkt specifiek de door [naam advocatenkantoor] voor hun toenmalige cliënten - klagers - verrichte werkzaamheden. Verweerders hebben deze inhoudelijke informatie gebruikt om een door hen in de procedure ingenomen stelling (dat dat klager niet te goeder trouw als bedoeld in artikel 54 Fw zou zijn geweest en dat ook aan klaagster kon worden toegerekend) te bewijzen, terwijl de informatie (de urenspecificatie) niet aan verweerders is overgelegd om te dienen tot bewijs van hun stelling(en). Hiermee hebben verweerders de vertrouwelijkheid geschonden die geldt tussen de advocaat en de cliënt.

b) (..) 

c) niet doelmatig en welwillend te handelen.

Toelichting: De keuze van verweerders voor de onroerende goederen waarop zij conservatoir beslag hebben gelegd, is ondoelmatig en niet in het belang van de boedel. Zij hebben alleen maar verhypothekeerde zaken beslagen, terwijl zij weten - want dat staat in het beslagrekest - dat met name klager ook andere onroerende zaken in eigendom heeft die niet verhypothekeerd zijn en waarvan de waarde de ingestelde vorderingen verre overstijgen. Bovendien is de keuze voor beslaglegging des te bezwarender voor klager omdat het vroeg of laat zijn relatie met de hypotheekhouders onder druk zet. Daarnaast is het onbetamelijk dat verweerster hetgeen dat is besproken tijdens het gesprek bij de rechter-commissaris op 21 mei 2024 gebruikt om een conservatoir beslagrekest van argumentatie te voorzien. Dat is niet de bedoeling van een dergelijk gesprek.


5    BEOORDELING RAAD

Klachtonderdeel a) vertrouwelijkheid geschonden

5.1    De raad heeft vastgesteld dat klagers zich voor het eerst in de e-mail van hun gemachtigde van 22 juli 2024 hebben beroepen op de vertrouwelijkheid van de specificaties bij de factuur van hun toenmalige advocaten. In die e-mail heeft de gemachtigde van klagers de verantwoordelijkheid voor het vragen van toestemming voor gebruik van die vertrouwelijke informatie bij verweerster en [G advocaten] gelegd. De raad volgt klagers daarin niet op grond van de volgende specifieke omstandigheden in deze zaak.

5.2    Op 9 juni 2020 heeft een secretaresse van [G advocaten], onder verantwoordelijkheid van twee voormalige advocaten van [Y], een factuur met urenspecificatie ten behoeve van verificatie van hun vordering op de failliet aan verweerster gestuurd. Uit de stukken is de raad niet gebleken dat deze advocaten verweerster toen, of enig later moment, hebben verzocht om de door hun verstrekte informatie vertrouwelijk te behandelen op grond van hun geheimhoudingsplicht richting hun voormalige cliënt of dat zij aan het gebruik daarvan specifieke voorwaarden hebben verbonden.

5.3    Vast staat dat klagers, de voormalige cliënten van [G advocaten], en hun gemachtigde tijdens het gesprek met de rechter-commissaris op 21 mei 2024 ervan op de hoogte raakten dat verweerster informatie uit de specificaties bij de factuur van [G advocaten] van 9 juni 2020 gebruikte om haar standpunt over de peildatum te onderbouwen. Klagers hadden toen meteen tijdens het gesprek bij de rechter-commissaris tegen het gebruik door verweerster van die vermeende vertrouwelijke informatie bezwaar kunnen maken. Dat dit is gebeurd, is de raad niet gebleken.

5.4    Op verzoek van de rechter-commissaris heeft verweerster de dag na het gesprek, op 22 mei 2024, de factuur met specificaties van [G advocaten] aan de gemachtigde van klagers gemaild. Het had in de lijn der verwachting gelegen dat indien klagers bezwaar hadden tegen het gebruik van die informatie door verweerster, zij binnen redelijke termijn daarna verweerster hadden bericht dat zij die informatie niet mocht gebruiken wegens de vertrouwelijkheid daarvan. Uit de stukken is de raad gebleken dat de gemachtigde namens klagers voor het eerst in een e-mail van 22 juli 2024 verweerster heeft gewezen op de vertrouwelijkheid van de door haar in de dagvaarding en als productie 38 gebruikte informatie.

5.5    Tijdens de zitting van de raad heeft de gemachtigde van klagers desgevraagd toegelicht waarom hij  verweerster niet eerder heeft aangesproken op haar vermeende schending van de geheimhoudingsplicht. Volgens de gemachtigde heeft hij direct na het gesprek bij de rechter-commissaris op 22 mei 2024 tegen klager gezegd dat hij aannam dat verweerster die vertrouwelijke advocaat-cliënt informatie niet zou gaan gebruiken in een procedure tegen zijn cliënten omdat dat volgens de regels niet was toegestaan. Hij heeft daaraan toen verder geen aandacht meer besteed omdat de rechter-commissaris partijen had opgedragen om een schikking te beproeven. Tot een schikking is het in de weken erna niet gekomen, zodat klagers in afwachting waren van de daarna door verweerders aangekondigde procedure. Op 16 juli 2024 is de dagvaarding op het kantoor van de gemachtigde van klagers betekend. Toen is door klager en hemzelf ontdekt dat bij die dagvaarding, in afwijking van de concept-dagvaarding die in aanloop naar het gesprek bij de rechter-commissaris van verweerster was ontvangen, door verweerders als productie 38 de vertrouwelijke specificaties bij de factuur van [G advocaten] waren overgelegd. Meteen daarna heeft hij in zijn e-mail van 22 juli 2024 namens zijn cliënten tegen het gebruik daarvan bezwaar gemaakt, en verzocht om die productie terug te trekken.

5.6    Anders dan klagers is de raad van oordeel dat verweerders niet actief bij de toenmalige advocaten van klagers of bij klagers om toestemming hoefden te vragen om de specificaties bij de factuur van [G advocaten] te mogen gebruiken in de procedure tegen klagers. [G advocaten] hebben de bewuste factuur met specificaties op eigen initiatief ter verificatie bij verweerster ingediend zonder aan het gebruik daarvan voorwaarden te verbinden. Klagers zelf hadden tijdens het gesprek bij de rechter-commissaris tegen het gebruik van die factuur met specificaties van hun voormalige advocaten bezwaar kunnen maken. In elk geval hadden dat zij dat binnen een redelijke termijn na ontvangst van die stukken op 22 mei 2024 kunnen doen. Vast staat dat klagers pas twee maanden later, op 22 juli 2024, hun bezwaren kenbaar hadden gemaakt nadat verweerders de informatie in de dagvaarding hadden meegenomen. Naar het oordeel van de raad was deze handelwijze van verweerders in de hiervoor geschetste omstandigheden tuchtrechtelijk dan ook toelaatbaar. Een ander element van gewicht is dat het om een enkele urenspecificatie ging waarin geen inhoudelijk juridisch advies van de toenmalige advocaten aan klagers stond vermeld. Dat tussen hen was gesproken over een faillissementsaanvraag geeft nog geen inzicht in wat toen daadwerkelijk tussen partijen is besproken.

5.7    Naar het oordeel van de raad heeft het handelen van verweerster in haar hoedanigheid als curator aldus niet het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Verweerder heeft namens verweerster de factuur met specificatie van [G advocaten] als productie bij de dagvaarding van klagers gevoegd. Dat hij daarmee de belangen van klagers onnodig of onevenredig zonder doel heeft geschaad, is de raad niet gebleken. Klagers konden zich tegen de inhoud van productie 38 in de procedure verweren waarna de civiele rechter daarover zou oordelen, niet de tuchtrechter. Nu verweerders niet tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld, zal klachtonderdeel a) ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel c) ondoelmatig en disproportioneel beslag

5.8  De raad heeft geoordeeld dat uitgangspunt is dat een curator en de advocaat van die curator conservatoir beslag mogen leggen ten laste van een wederpartij. Of de beslaglegging door verweerders onder klager in dit geval onrechtmatig was, is een oordeel dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat verweerster als curator en haar advocaat hun hierboven genoemde maatstaven hebben overtreden. Niet is gebleken dat verweerster met haar keuze om tot beslaglegging onder klager over te gaan het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Zij was niet verplicht om daarin een andere keuze te maken. Dat klagers door de beslaglegging door verweerder namens verweerster onnodig of onevenredig zonder doel in hun belangen zijn geschaad, is de raad uit de stukken ook niet gebleken.

5.9  Nu de raad heeft geconcludeerd dat verweerders in deze tuchtrechtelijk geen verwijt treft, is ook klachtonderdeel c) ongegrond verklaard. 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klagers

Klachtonderdeel a) vertrouwelijkheid geschonden

6.1  Klagers hebben betoogd dat verweerders (de advocaat-curator en de advocaat van de curator) wel degelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld door een urenspecificatie van [G advocaten] in een procedure tegen klagers te gebruiken, zonder hiervoor toestemming te hebben verkregen. Deze specificatie, oorspronkelijk op 9 juni 2020 door een kantoormedewerker van [G advocaten] gedeeld met de curator voor verificatie van een vordering, is op 16 juli 2024 als productie ingebracht. Klagers stellen dat dit handelen in strijd is met de vaste rechtspraak dat declaraties en urenspecificaties onder het beroepsgeheim van een advocaat vallen.

6.2   Het feit dat de informatie rechtmatig is verkregen (door verstrekking van [G advocaten]), vormt geen rechtvaardiging voor het gebruik in rechte tegen de oorspronkelijke cliënt. Volgens klager geldt voor beroepsgeheim geen vereiste van expliciete afspraken over vertrouwelijkheid (in tegenstelling tot confraternele correspondentie); het geheim is een gegeven. Verweerders hadden, zeker na het feit dat de specificatie geen uitdrukkelijke toestemming voor gebruik in een procedure tegen klager impliceerde, moeten verifiëren bij [G advocaten] of het gebruik was toegestaan. Bij twijfel of gebrek aan overeenstemming had de deken moeten worden geraadpleegd. Het oordeel van de Raad dat dit niet nodig was, wordt door klager niet juist geacht.

6.3   Klager is het niet eens met het oordeel van de raad dat klager eerder had moeten bezwaar maken. Het bezwaar van 22 juli 2024 (na de dagvaarding) wordt gezien als tijdig, zeker nu verweerders de informatie pas in een procedure gebruikten en niet louter in een minnelijke regeling. 

6.4   Klagers stellen dat de verantwoordelijkheid voor het beschermen van de vertrouwelijkheid primair bij verweerders lag. Het niet direct bezwaar maken tijdens het eerdere gesprek bij de rechter-commissaris (waar de specificatie uitsluitend voor schikkingen werd gebruikt) kan niet worden gezien als toestemming voor het latere gebruik in de dagvaarding. Klagers verwijzen naar een uitspraak van het Hof van Discipline van 20 januari 2025, gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2025:7, waarbij curatoren die per ongeluk geprivilegieerde e-mails ontvingen en wel degelijk stappen ondernamen (advies vragen aan de deken, overleg met de tegenpartij) om de vertrouwelijkheid te respecteren. In de onderhavige zaak hebben verweerders geen enkele van deze maatregelen getroffen, zelfs niet nadat ze door de advocaat van de klagers op het vertrouwelijke karakter werden gewezen. Dit gebrek aan acties, in combinatie met het gebruik van de informatie in de procedure, vormt volgens klager een duidelijke schending van de kernwaarden van de advocatuur.

6.5 Volgens klagers heeft de raad ten onrechte geoordeeld dat er geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Het gebruik van de urenspecificatie in de procedure, zonder toestemming van de oorspronkelijke advocaat en zonder consultatie van de deken, is in strijd met de beginselen van vertrouwelijkheid en beroepsgeheim, ongeacht de aard van de informatie of de omstandigheid dat het slechts om één specificatie ging.

Klachtonderdeel c) ondoelmatig en disproportioneel beslag

6.6   Ten aanzien van dit klachtonderdeel is aangevoerd dat de raad ten onrechte heeft geoordeeld dat de keuze van verweerders voor beslaglegging het vertrouwen in de advocatuur niet heeft geschaad. De beslaglegging op verhypothekeerde onroerende zaken is volgens klagers niet doelmatig, disproportioneel en zonder legitiem doel. Er waren voldoende bezittingen beschikbaar zonder hypotheek. Het oordeel van de raad dat niet is gebleken dat verweerster met haar keuzes ten aanzien van de beslaglegging ten laste van klager c.s. het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad, is volgens klagers niet juist. Dat geldt ook voor het oordeel van de raad dat niet is gebleken dat klager c.s., door de beslaglegging door verweerder namens verweerster onnodig of onevenredig zonder doel in hun belangen zijn geschaad. Verweerders hebben ervoor gekozen beslag te leggen op onder meer het woonhuis van klager en zijn grootste beleggingsobject. Verweerders wisten dat op deze onroerende zaken aanzienlijke hypotheken rustten. Het is onbegrijpelijk dat verweerders beslag hebben gelegd op de verhypothekeerde onroerende zaken tenzij zij in het Kadaster hadden kunnen zien dat klager maar liefst zes percelen onroerend goed en een woonhuis in eigendom heeft die niet verhypothekeerd zijn.

6.7  Ten tweede zijn de beslagen disproportioneel. Het is evident dat een beslag op het verhypothekeerde woonhuis en het grootste beleggingsobject van klager aanzienlijk schadelijker voor hem is dan beslag op onverhypothekeerde landbouwgronden. Een en ander kan immers de verhouding met de hypotheekhouders onder druk zetten. In het geval van klager gold in het bijzonder dat er hypothecaire leningen afliepen en van cruciaal belang was dat hij een nieuwe financiering kon krijgen. Vanwege de beslagen kon klager niet bij een andere bank terecht. Hierdoor moest klager  de nieuwe hypotheek wel bij dezelfde bank afsluiten als zijn voormalige hypotheek (de Rabobank), waardoor hij weinig mogelijkheden had om een gunstige rente overeen te komen. Verweerster had als ervaren curator kunnen weten dat een dergelijk beslag voor klager problemen zou kunnen veroorzaken. Zij heeft er desondanks voor gekozen om op de verhypothekeerde onroerende zaken beslag te laten leggen. Het heeft er de schijn van dat verweerster juist voor deze beslagobjecten heeft gekozen om extra druk op klager uit te oefenen, om zo een schikking te forceren.


Verweer verweerders

6.8   Verweerders hebben gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


7    BEOORDELING HOF

Ontvankelijkheid

7.1    Na de behandeling ter zitting op 22 juni 2026, heeft het hof aan partijen verzocht zich uit te spreken over de vraag of [G Beheer] B.V.(klaagster), als grootaandeelhouder van de failliet, in deze procedure een rechtstreeks eigen belang heeft bij de klacht tegen verweerders.  

7.2  Namens klagers is op deze vraag de volgende reactie gegeven:

    “[G Beheer] was grootaandeelhouder van de gefailleerde vennootschappen  [X] en [Y] De heer [B] was enig bestuurder van de gefailleerde vennootschappen en van [G Beheer].

    Verweerders, (..), hebben de urenspecificaties van [G advocaten] in het geding gebracht in  een procedure tegen [G Beheer] en [B]. Uit die urenspecificaties bleek  specifiek de voor klagers verrichte werkzaamheden (zie ook de beslissing van de Raad van  Discipline, rov. 3.1     (a)).

    In de procedure van de curator tegen [B] en [G Beheer] heeft de curator gesteld  dat een  belangrijke oorzaak van de faillissementen van [X] en [Y], kort gezegd,     was dat [B] in de     periode voor het faillissement alle beschikbare middelen aan [X] had onttrokken, zodat de  rekening courantvordering van [G Beheer] op [X] was verlaagd (randnummer 11 dagvaarding).     De curator heeft zich daarbij op  het standpunt gesteld dat de vermeende wetenschap van [B]     van het faillissement op 1 mei 2020 (hetgeen werd afgeleid uit de ingebrachte     urenspecificaties) ook aan [G Beheer] kon worden toegerekend omdat [B] daarvan enig     bestuurder was (randnummer 14 dagvaarding). Volgens de curator  was [G Beheer]     daardoor vanaf 1 mei 2020 niet     meer te goeder trouw in de zin van art. 54 Faillissementswet.     Op die grond vordert de curator     terugbetaling door [G Beheer] van bedragen die in de periode     tussen 1 mei 2020 en de     faillissementen op 19 mei 2020 waren ontvangen. Het betreft een     bedrag van EUR 227.719,28 dat [G Beheer] van [X] zou hebben ontvangen en EUR     10.373,88 van [Y].

    Uit al het voorgaande blijkt dat de vertrouwelijke informatie uit de urenspecificatie ook betrekking
    had op de (rechts)positie van [G Beheer]. Zonder de aan de urenspecificatie ontleende
    wetenschap van [B] had de curator de gestelde wetenschap van [G Beheer] niet op  dezelfde  wijze kunnen onderbouwen. Door deze informatie in een procedure tegen [G     Beheer] te   gebruiken heeft de curator [G Beheer] in een rechtstreeks eigen belang heeft getroffen.[G     Beheer] moet daarom ontvankelijk worden verklaard met betrekking tot klachtonderdeel 1.”

Verweerders hebben dit niet of onvoldoende weersproken.

7.3  Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat de vertrouwelijke informatie uit de urenspecificatie ook betrekking had op de (rechts)positie van [G Beheer], aan wie verweerders de gedragingen van klager in de door hen uitgebrachte dagvaarding ook hebben toegerekend. Zonder de aan de urenspecificatie ontleende wetenschap van [B] had de curator de gestelde wetenschap van [G Beheer] niet op dezelfde wijze kunnen onderbouwen. Dit leidt tot de conclusie dat [G Beheer] -ook- een rechtstreeks eigen belang had bij de klacht en ontvankelijk is. 
Klaagster wordt dus ontvankelijk geacht in het beroep.

Toetsingskader

7.4 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. 

Artikel 10a, lid 1 Advocatenwet luidt als volgt:

‘In het belang van een goede rechtsbedeling draagt de advocaat zorg voor de rechtsbescherming van zijn cliënt. Daartoe is de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep:
a. onafhankelijk ten opzichte van zijn cliënt, derden en de zaken waarin hij als zodanig optreedt;
b. partijdig bij de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt;
c. deskundig en kan hij beschikken over voldoende kennis en vaardigheden;
d. integer en onthoudt hij zich van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt; en
e. vertrouwenspersoon en neemt hij geheimhouding in acht binnen de door de wet en het recht gestelde grenzen.’

Maatstaf verweerder

7.5  Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat-curator en advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling ten aanzien van de advocaat (verweerder) aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Maatstaf ten aanzien van verweerster

7.6  Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, kan voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Dat is in ieder geval zo als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen de verweten gedraging en de beroepsuitoefening van advocaat. Als die aanknopingspunten ontbreken kan nog altijd sprake zijn van een gedraging die in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht, omdat de advocaat daarmee -in die andere hoedanigheid- het vertrouwen in de beroepsgroep schaadt. 

7.7     Voor een advocaat die optreedt als faillissementscurator brengt deze maatstaf mee dat niet snel van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen sprake zal zijn. Dat komt onder meer doordat een curator bij de uitoefening van zijn taak rekening moet houden met uiteenlopende belangen omdat hij de boedel vertegenwoordigt en het belang van de schuldeisers van de gefailleerde. Ook speelt een rol dat de curator zijn taak uitoefent onder toezicht van de rechter-commissaris.

7.8    Tot slot staat over de situatie waarin een advocaat een conflict van plichten ervaart, in de “Ten geleide” bij de Gedragsregels 2018 het volgende:

    “Een advocaat die een conflict van plichten ervaart, moeite heeft met het bepalen van zijn     houding of uitleg wil van deze gedragsregels, kan derhalve advies vragen aan de deken in zijn     arrondissement. In enkele gevallen schrijven de gedragsregels voor om dit advies te vragen.” 

Bij het onbedoeld ontvangen van vertrouwelijke informatie wordt door de gedragsregels niet voorgeschreven dat overleg met de deken moet plaatsvinden. 

7.9    Uit de beslissing van het hof van 30 mei 2022 (ECLI:NL:TAHVD:2022:105) volgt echter wel dat advocaten, ook in hoedanigheid van curator, overleg moeten voeren met de deken voordat zij kennisnemen van de inhoud van vertrouwelijke informatie die zij in de failliete boedel aantreffen. In die zaak ging het om een adviesmemorandum, waarvan op voorhand duidelijk was dat dat onder het beroepsgeheim viel en dat daarop het verschoningsrecht rustte nu daarop jegens de curator reeds een beroep was gedaan.  


Klachtonderdeel a) vertrouwelijkheid geschonden

Algemene overwegingen verschoningsrecht en geheimhoudingsplicht advocaat

7.10   Artikel 11a Advocatenwet, lid 1 luidt als volgt:

‘Voor zover niet bij wet anders is bepaald, is de advocaat ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn beroepsuitoefening als zodanig kennis neemt tot geheimhouding verplicht. Dezelfde verplichting geldt voor medewerkers en personeel van de advocaat, alsmede andere personen die betrokken zijn bij de beroepsuitoefening.’

7.11  Het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk om bijstand en advies tot een advocaat moet kunnen wenden houdt in dat de cliënt van een advocaat erop moet kunnen vertrouwen dat wat de cliënt zijn advocaat als zodanig toevertrouwt niet in de openbaarheid komt. Daartoe rust op de advocaat een geheimhoudingsplicht. De advocaat komt dan ook het recht toe zich van een eventuele verplichting tot het verschaffen van informatie te verschonen: het verschoningsrecht. De advocaat die tot geheimhouding is verplicht, moet zich tegenover derden op zijn verschoningsrecht beroepen over hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht ziet daarbij op de wetenschap die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschonings-gerechtigde. Dit betekent dat een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot de wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft verkregen, dat wil zeggen wat hem is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een cliënt die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat. Het belang van het verschoningsrecht is onder meer tot uitdrukking gebracht in artikel 53a Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht, artikel 218 Wetboek van Strafvordering en artikel 165, lid 2, onder b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

7.12   Het verschoningsrecht is niet absoluut. Er kunnen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt of het belang dat de veiligheid van personen wordt gewaarborgd – ook betreffende datgene waarvan de wetenschap de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd – zwaarder moet wegen dan de eerbiediging van het verschoningsrecht. Voorts is het verschoningsrecht niet absoluut op grond van uit de wet volgende inbreuken op het verschoningsrecht, zoals bijvoorbeeld de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en, zoals hierna uiteen wordt gezet, de Wet open overheid (hierna: Woo; tot 1 mei 2022 Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob)) .

7.13 Informatie die onmiskenbaar vertrouwelijk van aard is in de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt, mag niet gebruikt worden door anderen buiten die relatie. Dit betekent dat ook een andere advocaat daarvan geen kennis mag nemen, behoudens uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toestemming van de eerstgenoemde advocaat, zeer bijzondere omstandigheden of wettelijke uitzonderingen. (Vgl. HvD 20 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:7.) Het oordeel omtrent de vraag of informatie binnen de relatie advocaat-cliënt als vertrouwelijk is aan te merken en onder het verschoningsrecht valt, komt in beginsel toe aan de verschoningsgerechtigde advocaat (de informatiebron). Indien deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om informatie waarvan kennisneming zou leiden tot schending van zijn beroepsgeheim, moet dat standpunt worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. (HvD 30 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:105.) 

7.14   In HvD 30 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:105 is geoordeeld dat, als een advocaat in twijfel trekt of de wederpartij een gerechtvaardigd beroep doet op de vertrouwelijkheid van een stuk, hij zonder kennisneming van de inhoud van het stuk de deken moet consulteren over de vraag of het stuk als vertrouwelijk is aan te merken en onder het verschoningsrecht valt, en dat als er geen overeenstemming kan worden bereikt de rechtsvraag of er wel of geen sprake is van verschoningsgerechtigde informatie aan de rechter voorgelegd moet worden.

7.15 Het is vaste rechtspraak van het hof dat declaraties en urenspecificaties onder het beroepsgeheim van een advocaat vallen. De plicht tot geheimhouding behoort tot de kernwaarden van de advocatuur en doorbreking daarvan door de advocaat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde kan komen. 

Toegepast op de zaak in beroep

7.16 Gelet op het bovenstaande is het hof anders dan de raad van oordeel dat verweerders de informatie die aan hen bekend werd door de factuur met een urenspecificatie die op 9 juni 2020 ten behoeve van verificatie van hun vordering op de failliet door [G advocaten] aan hen is gestuurd, niet zomaar mochten gebruiken. Duidelijk is immers dat dit vertrouwelijke informatie was die onder het beroepsgeheim viel, omdat het ging om facturen met een specificatie van de toenmalige advocaten van klagers. 

7.17  Dat mr. H, de advocaat van klagers, pas na twee maanden (aantoonbaar) bezwaar heeft gemaakt tegen het gebruik van de urenspecificatie, biedt voor het hof geen grond om te zeggen dat dat niet meer kon. Van belang is dat de dagvaarding op 16 juli 2024 is betekend. Op dat moment werd het klagers en mr. H duidelijk dat bij die dagvaarding, in afwijking van de concept-dagvaarding die in aanloop naar het gesprek bij de rechter-commissaris van verweerster was ontvangen, door verweerders als productie 38 de vertrouwelijke specificatie bij de factuur van [G advocaten] was overgelegd. Nu mr. H kort daarna, in zijn e-mail van 22 juli 2024, namens zijn cliënten tegen het gebruik daarvan bezwaar heeft gemaakt en heeft verzocht om die productie terug te trekken, heeft hij tijdig kenbaar gemaakt zich te verzetten tegen het gebruik van de specificatie 

7.18 Het hof is dan ook van oordeel dat verweerders in strijd hebben gehandeld met de kernwaarde vertrouwelijkheid. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het hof zal  klachtonderdeel a) gegrond verklaren.


Klachtonderdeel c) ondoelmatig en buitenproportioneel beslag

7.19   Wat bij het hof met betrekking tot dit klachtonderdeel is aangevoerd, is een herhaling van  de gronden die bij de raad naar voren zijn gebracht. Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat uitgangspunt is dat een curator en de advocaat van die curator conservatoir beslag mogen leggen ten laste van een wederpartij. Of de beslaglegging door verweerders onder klager in dit geval onrechtmatig was, is een oordeel dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat verweerster als curator en haar advocaat hun hierboven genoemde maatstaven hebben overtreden. Ook het hof is niet is gebleken dat verweerster met haar keuze om tot beslaglegging onder klager over te gaan het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Zij was niet verplicht om daarin een andere keuze te maken. Gelet op het vorenstaande is klachtonderdeel c) ongegrond.  

Slotsom

7.20  Het hof zal de beslissing van de raad deels vernietigen en de klacht deels gegrond verklaren.

8    MAATREGEL

Verweerders hebben zich onvoldoende rekenschap gegeven van de vertrouwelijkheid die verbonden is aan een omschrijving in de factuur van 9 juni 2020. Er is sprake van een schending van het verschoningsrecht, een recht dat dient ter waarborging van het beroepsgeheim van advocaten, nodig ter uitoefening van de fundamentele taak die advocaten in een democratische samenleving hebben. Dit geldt ook voor een advocaat in de rol van curator. Het hof acht het opleggen van een waarschuwing dan ook op zijn plaats. Het hof heeft daarbij meegewogen dat het gaat om slechts één factuur die verweerders uit andere hoofde al onder zich hadden. 


9    PROCESKOSTEN

9.1 Omdat het hof de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond verklaart, moeten verweerders op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerders door.

9.2    Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerders daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:    
                                                                                                                        
a) € 50,- kosten van klager (forfaitair); 
b) € 1.050,- kosten voor rechtsbijstand van klagers;
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.3     Verweerders moeten op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klagers binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerders door.

9.4    Verweerders moeten op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.


10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1 vernietigt de beslissing van 10 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-267/AL/GLD en 25-268/AL/GLD, voor zover het klachtonderdeel a) betreft;

en doet opnieuw recht:

10.2    verklaart klachtonderdeel a) gegrond;

10.3    bekrachtigt de beslissing van 10 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer25-267/AL/GLD en 25-268/AL/GLD , voor wat betreft klachtonderdeel b);

10.4    legt aan verweerders de maatregel van een waarschuwing op;

10.5    veroordeelt verweerders tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers;

10.6    veroordeelt verweerders tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.100,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.7     veroordeelt verweerders tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald. 


Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin, voorzitter, mrs. M.F. Baaij en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 17 augustus 2026.