ECLI:NL:TGZRSHE:2026:146 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025-9203
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:146 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-08-2026 |
| Datum publicatie: | 19-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025-9203 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Gedeeltelijke gegronde klacht tegen huisarts. Maatregel berisping. De dochter van patiënte verwijt verweerder dat hij geen gesprek heeft gevoerd met patiënte en klaagster over het proces van palliatieve sedatie en de morfinepomp niet tegelijk met de sedatie heeft gestart waardoor patiënte ontwenningsverschijnselen kreeg. Daarnaast heeft verweerder geen overdracht geregeld voor wanneer verweerder niet bereikbaar was. Ook wordt verweerder verweten dat hij zijn app-berichten onprofessioneel heeft afgesloten. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 19 augustus 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B], klaagster,
gemachtigde: mr. M.H.M. Mook, werkzaam in Leusden, tegen:
[C],
huisarts, werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de huisarts.
1. De zaak in het kort
1.1 De moeder van klaagster (hierna: patiënte) is in mei 2025 overleden. Twee
dagen eerder was de
huisarts bij patiënte gestart met palliatieve sedatie. In haar klacht stelt klaagster
– samengevat
– dat de huisarts die palliatieve sedatie niet heeft uitgevoerd conform de daarvoor
geldende eisen
en dat hij is tekortgeschoten in zijn communicatie.
1.2 De huisarts verzoekt het college de klacht van klaagster in alle vijf onderdelen
ongegrond te
verklaren.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat één van de vijf klachtonderdelen ongegrond
is en dat de
overige vier onderdelen gegrond zijn. In verband daarmee legt het college aan de
huisarts de
maatregel van berisping op. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 7 november 2025;
- de brief van de secretaris aan klaagster van 15 december 2025;
- de brief van de gemachtigde van klaagster, ontvangen op 18 december 2025;
- de brief van de gemachtigde van klaagster, ontvangen op 7 januari 2026;
- de USB-stick van de gemachtigde van klaagster, ontvangen op 7 januari 2026;
- het verweerschrift met de bijlage, ontvangen op 25 februari 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026. De partijen zijn
verschenen.
Klaagster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van
klaagster hebben
hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van klaagster en de huisarts
hebben elk een
pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Patiënte leed aan hartfalen met dyspneu, benauwdheid en angstklachten. Zij
verbleef in
verband daarmee tot 17 april 2025 in het ziekenhuis. Verweerder was vanaf medio
april 2025 haar
huisarts. Patiënte verbleef na haar ontslag uit het ziekenhuis tot aan haar overlijden
in mei 2025
in de woning van klaagster, haar dochter.
3.2 De huisarts heeft patiënte in het ziekenhuis bezocht, maar daarvan geen aantekening
gemaakt
in haar medisch dossier. Van 17 april 2025 tot aan haar overlijden heeft de huisarts
patiënte bijna
dagelijks in de woning van klaagster bezocht. Ook had hij in die periode tweemaal
per dag
app-contact met klaagster over haar moeder: in de ochtend en in de avond. Meerdere
van die
app-berichten sloot de huisarts af met een aantal hartjes.
3.3 Patiënte gebruikte, ook na haar ontslag uit het ziekenhuis, oraal toegediende
morfine. Haar
medisch dossier vermeldt in dat verband (alle citaten voor zover van belang en letterlijk
weergegeven):
- op 18 april 2025: “MORFINE DRANK 2MG/ML (SULFAAT)”
- op 21 april 2025: “MORFINE DRANK 10MG=5ML (SULFAAT) FL (2MG/ML)”.
3.4 Patiënte wenste, wanneer zij in haar stervensfase zou belanden, palliatief
te worden
gesedeerd. Dit heeft zij met de huisarts besproken. Hij heeft daarover in het medisch
dossier
genoteerd:
- op 21 april 2025: “bij aanwezig zijn van dochter , schoonzoon en klein kind:
eindgesprek :
terminale sedatie, uitleg etc.”
- op 25 april 2025: “gesprekken over de terminale sedatie etc.”
3.5 De palliatieve sedatie is op 30 april 2025 door de huisarts gestart, kort na
18.00 uur. Hij
heeft patiënte daartoe Midazolam toegediend. Het medisch dossier vermeldt daarover
op die datum:
“(…) MIDAZOLAM INJ/INFOPL 5MG/ML ZAK 100 ML (…)”
Omdat de huisarts verwachtte dat patiënte kort nadien zou komen te overlijden, heeft
hij naast die
Midazolam geen andere sederende of pijnstillende middelen (zoals morfine) voorgeschreven.
3.6 Op 1 mei 2025, in de ochtend, bleek patiënte bij kennis te zijn. De huisarts
heeft kort
nadien daarop de hoeveelheid Midazolam opgehoogd. Bij die gelegenheid heeft hij
aan klaagster gemeld later die dag naar het buitenland te gaan om daar aan een sportevenement
deel te
nemen en daar enkele dagen te verblijven. Ook heeft hij gezegd dat klaagster hem
dag en nacht in
het buitenland kon bellen wanneer daar aanleiding toe bestond.
3.7 Ook op 2 mei 2025, in de ochtend, bleek patiënte bij kennis te zijn. Ook later
op de dag was
dat nog het geval. Klaagster heeft, net als de dag ervoor, contact opgenomen met
het ingeschakelde
thuiszorgteam en de (inmiddels in het buitenland verblijvende) huisarts. Ook de
huisarts nam
vervolgens met dat thuiszorgteam contact op. Aan het einde van de middag/begin van
de avond belde
klaagster opnieuw met de huisarts, die zei de huisartsenpost (hierna: HAP) te zullen
inschakelen.
Enige tijd later zijn een huisarts en een verpleegkundige van de HAP bij klaagster
thuis gekomen en
heeft patiënte een morfine-injectie gekregen. Ook heeft die huisarts beslist dat
een morfinepomp
bij patiënte wordt aangelegd.
3.8 Patiënte is daarna in een diepe slaap gevallen en kort voor middernacht in mei 2025 overleden.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat hij:
a) geen gesprek heeft gevoerd met patiënte en klaagster over het proces van palliatieve
sedatie;
b) de morfinepomp niet tegelijk met de sedatie heeft gestart, waardoor er
ontwenningsverschijnselen zijn ontstaan;
c) zijn app-berichten onprofessioneel heeft afgesloten;
d) voor de avonden/nachten en weekenden geen overdracht heeft geregeld bij een
collega en de HAP.
Hierdoor is er alle dagen geen adequate controle geweest voor onder andere longen,
hart, darmen en
naaldje pomp;
e) niet heeft gehandeld volgens afspraken en het beleid voor palliatieve sedatie
zoals dit in de
beroepsgroep is afgesproken.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder, voorover nodig, in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college begrijpt dat het overlijden van patiënte en het verloop van de
palliatieve
sedatie in haar laatste dagen, voor klaagster en haar overige nabestaanden een verdrietige
gebeurtenis is. Dat neemt niet weg dat het handelen van de huisarts op zakelijke
wijze dient te
worden getoetst aan de voor hem geldende tuchtrechtelijke normen. De criteria voor
de beoordeling
5.2 Bij die beoordeling gaat het om de vraag of de huisarts de zorg heeft verleend
die van hem
verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende
huisarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende
beroepsnormen en
andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen,
is niet
altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) de informatie over het proces van de palliatieve sedatie
5.3 Klaagster stelt dat de huisarts aan patiënte en klaagster in het geheel geen
informatie heeft
gegeven over het proces van de palliatieve sedatie. Hen is niet verteld hoe die
sedatie werkt en
wat daarvan verwacht kan worden.
5.4 De huisarts voert daartegen aan dat hij patiënte en klaagster alle nodige informatie
heeft
gegeven over het hoe en waarom van de palliatieve sedatie. Hij verwijst naar wat
hij daarover in
het medisch dossier heeft genoteerd.
5.5 Het college stelt vast dat er tussen klaagster en de huisarts (terecht) niet
ter discussie
staat dat een huisarts aan een patiënt en diens naasten toereikende informatie dient
te geven over
wat het proces van palliatieve sedatie inhoudt, hoe dat proces stapsgewijs verloopt
en welke
omstandigheden zich tijdens dat proces kunnen voordoen. Een en ander opdat de patiënt
in
samenspraak met de arts, op goed ingelichte basis kan besluiten tot die palliatieve
sedatie.
Klaagster stelt dat het daaraan in dit geval heeft ontbroken. De huisarts bestrijdt
dat. Het is dus
het woord van de een tegenover het woord van de ander. Het college kan daarom niet
vaststellen dat
de bedoelde informatie in dit geval niet of onvoldoende is gegeven, temeer niet
omdat de huisarts
op 21 en 25 april 2025 in het medisch dossier heeft opgeschreven dat de informatie
wel is gegeven.
Daarbij staat weliswaar niet gespecificeerd vermeld wat die informatie inhield maar
dat is bij de
verslaglegging in het medisch dossier van de informatieplicht geen vereiste. Het
college is geen
aanleiding gebleken om aan de aantekeningen in het medisch dossier te twijfelen.
Dit betekent dat
dit klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel b) de morfinepomp niet gelijktijdig met de sedatie starten
5.6 Het college begrijpt dit klachtonderdeel aldus, dat de huisarts ten onrechte
heeft nagelaten
om bij het starten van de palliatieve sedatie ervoor te zorgen dat het morfinegebruik
van patiënte
werd voorgezet. Dat was nodig, aldus klaagster, om te voorkomen dat patiënte
ontwenningsverschijnselen kreeg.
5.7 Het college stelt op grond van het verweer van de huisarts vast dat hij bij
de start van de
palliatieve sedatie niet heeft bepaald dat diende te worden voortgegaan met het
morfinegebruik door
patiënte. Hij verklaart dat uit zijn toenmalige aanname dat patiënte kort na de
toediening van
Midazolam zou komen te overlijden. Ook voert hij aan dat patiënte over Fentanylpleisters
beschikte
die zo nodig gebruikt konden worden, dat ook tijdens de palliatieve sedatie desgewenst
kon worden doorgegaan met het in de wangzak van patiënte druppelen van de al eerder
voorgeschreven morfinedrank en dat hij uit voorzorg morfine had besteld die zo nodig
als injectie aan patiënte kon worden toegediend.
5.8 De beroepsnormen die hier voor de huisarts gelden zijn onder meer vastgelegd
in de richtlijn
Multidisciplinaire Richtlijn Palliatieve Sedatie (versie 16 juni 2022) van de Koninklijke
Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) en het Integraal
Kankercentrum
Nederland (IKNL) met het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) als regiehouder.
In die richtlijn
is als aanbeveling verwoord dat bij aanvang van palliatieve sedatie dient te worden
voortgegaan met
al bestaande symptoomgerichte medicatie, waaronder morfine. Het college stelt vast
dat de huisarts
in meerdere opzichten niet heeft gedaan wat van hem in het licht van deze richtlijn
mocht worden
verwacht. Hij heeft niet een eenduidig beleid rond voortgaand morfinegebruik door
patiënte
geformuleerd, hij heeft een dergelijk beleid niet aan patiënte en klaagster meegedeeld
en hij heeft
een dergelijk beleid ook niet in het medisch dossier vermeld. Dat hij aannam dat
patiënte na de
toediening van Midazolam snel zou overlijden, maakt niet dat een dergelijk beleid
achterwege kon
blijven. Aan zijn verweer dat patiënte over Fentanylpleisters beschikte die zo nodig
konden worden
gebruikt, gaat het college voorbij omdat van dergelijke pleisters niets blijkt uit
het medisch
dossier. Hetzelfde geldt voor zijn verweer dat hij morfine voor patiënte had besteld
die haar zo
nodig met een injectie kon worden toegediend. Ook daarover meldt het medisch dossier
niets. Ten
slotte leidt ook zijn verweer dat aan patiënte desgewenst morfine kon worden gegeven
door dat in
haar wangzak te druppelen, niet tot een ander oordeel. Niet alleen vormt dat een
onvoldoende vorm
van voortgaand morfinegebruik, ook is niet gebleken dat hij patiënte en klaagster
daaromtrent
voldoende heeft voorgelicht. Hij heeft hen immers gezegd dat patiënte na de start
van de
palliatieve sedatie niet meer mocht drinken, wat begrijpelijkerwijs is opgevat als
een verbod om
haar oraal enig vocht toe te dienen. Op grond van het voorgaande is dit klachtonderdeel
gegrond.
Klachtonderdeel c) onprofessionele afsluiting van de app-berichten van de huisarts
5.9 Klaagster stelt dat zij de hartjes onder de app-berichten van de huisarts
als onprettig heeft
ervaren en dat deze als onprofessioneel zijn aan te merken. Er was geen verstandhouding
waarbinnen
klaagster zich vrij voelde er iets van te zeggen. Zij heeft de hartjes aan haar
moeder ongenoemd
gelaten omdat zij die ook ongepast zou hebben gevonden.
5.10 De huisarts voert aan dat hij met de hartjes patiënte en klaagster enkel een
hart onder de
riem heeft willen steken en hen van zijn betrokkenheid heeft willen verzekeren.
Als klaagster hem
had gezegd het onprettig te vinden, had hij deze direct achterwege gelaten.
5.11 Het college neemt hier als uitgangspunt dat de huisarts patiënte en klaagster
nog maar zeer
kort kende en dat hij de professionele partij in hun relatie was. Daar komt bij
dat patiënte en
klaagster zich in zware en emotionele omstandigheden bevonden. In dat licht bezien
diende de
huisarts in zijn appberichten de nodige voorzichtigheid in acht te nemen, waar het
gaat om de toon en de vormgeving van die berichten. Ook als (zoals het college zonder
meer
van de huisarts aanneemt) zijn bedoelingen goed waren, dan nog had hij zich dienen
te realiseren
dat de hartjes onder zijn appberichten door klaagster en/of patiënte als ongewenst
zouden (kunnen)
worden ervaren. Dat hij dat heeft nagelaten, is onvoldoende professioneel. Dit klachtonderdeel
is
daarom gegrond.
Klachtonderdeel d) geen overdracht aan een andere huisarts (van de HAP)
5.12 Klaagster stelt dat de huisarts ten onrechte heeft nagelaten om voor de avonden,
nachten en
weekenden de situatie rond patiënte over te dragen aan een waarnemende huisarts
(al dan niet van de
HAP). Daardoor, aldus klaagster, was er onvoldoende zicht op de situatie van patiënte
buiten de
werktijden van de huisarts.
5.13 De huisarts voert aan dat hij op 2 mei 2025, nadat klaagster hem telefonisch
had verteld dat
patiënte nog steeds bij kennis was, met de HAP heeft gebeld. Daarop zijn een huisarts
en een
verpleegkundige naar patiënte toegegaan om haar morfine te geven en een morfinepomp
aan te leggen.
Tijdens de zitting heeft de huisarts nader verklaard dat hij ook al op een eerder
moment de HAP had
verteld over de palliatieve sedatie van patiënte. Hij weet niet meer of die overdracht
schriftelijk
of mondeling is gedaan. Zijn voornemen was echter om 24 uur per etmaal, ook tijdens
zijn
buitenlandse verblijf, zelf voor patiënte en klaagster beschikbaar te zijn.
5.14 De hiervoor genoemde richtlijn beveelt aan dat vanaf de start van de palliatieve
sedatie
wordt gezorgd voor continuïteit van zorg. Dat vereist dat een huisarts die een patiënt
palliatief
sedeert, vanaf het begin van die sedatie en zolang die voortduurt, ervoor zorg draagt
dat een
collega-huisarts de zorg kan overnemen tijdens de uren of dagen dat de huisarts
daar zelf niet toe
in staat is. Daartoe dient een tijdige overdracht aan die collega-huisarts plaats
te vinden. Het
voornemen van de huisarts om gedurende zijn verblijf in het buitenland 24 uur per
dag telefonisch
beschikbaar te blijven voor patiënte is naar het oordeel van het college niet realistisch
en ook
onvoldoende. Niet is komen vast te staan dat de huisarts de situatie van patiënte
eerder aan een
collega-huisarts heeft overgedragen dan op 2 mei 2025, de dag van haar overlijden.
Dat er ook al op
een eerder moment aan een collega-huisarts is overgedragen is niet aannemelijk geworden.
Immers de
huisarts heeft daaromtrent geen nadere gegevens verstrekt en omtrent die eerdere
overdracht –
anders dan mocht worden verwacht – niets in het medisch dossier van patiënte vermeld.
De huisarts
heeft aldus verzuimd om vanaf de start van de palliatieve sedatie op 30 april 2025
voor de
overdracht zorg te dragen. Ook is daarbij van belang dat de huisarts al de dag na
de start van de
palliatieve sedatie naar het buitenland is afgereisd. Weliswaar verwachtte hij dat
patiënte kort na
de start van de palliatieve sedatie zou overlijden, maar hij was op de hoogte dat
de sedatie
vooralsnog niet het beoogde effect had dat patiënte buiten kennis raakte. Hem treft
van dit verzuim
een tuchtrechtelijk verwijt. Dit klachtonderdeel is daarom gegrond. Klachtonderdeel
e) niet handelen volgens de afspraken en het in de beroepsgroep geldende beleid rond
palliatieve sedatie
5.15 Tijdens de zitting heeft klaagster gezegd dat dit klachtonderdeel moet worden
gezien als een
samenvatting van de klachtonderdelen a) tot en met d). Aan dit onderdeel liggen
daarom geen andere
bezwaren ten grondslag dan zij bij die vier andere klachtonderdelen heeft verwoord.
5.16 Het college vat dit klachtonderdeel op in de door klaagster omschreven zin.
Dat brengt mee
dat de gegrondheid van de klachtonderdelen b), c) en d) ook tot de gegrondheid van
dit
klachtonderdeel e) leidt, zonder dat daaraan afzonderlijke overwegingen behoeven
te worden gewijd.
Slotsom
5.17 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a) ongegrond is en
dat
klachtonderdelen b), c), d) en e) gegrond zijn.
Maatregel
5.18 Het college heeft gewogen wat de zwaarte is van de aan de huisarts te maken
tuchtrechtelijke
verwijten naar aanleiding van de gegrond geoordeelde klachtonderdelen. Daarbij komt
aan
klachtonderdeel c) (de wijze waarop de huisarts zijn app-berichten afsloot) in dit
geval vanwege de
omstandigheden zoals weergegeven in alinea 5.11 slechts beperkt gewicht toe. Het
zwaartepunt ligt
in dit verband op de kwesties van het niet ingezette morfinebeleid en de ontbrekende
overdracht. De
ernst van die twee verwijten, in onderling verband bezien, rechtvaardigt dat aan
de huisarts de
maatregel van berisping wordt opgelegd.
Publicatie
5.19 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere huisartsen mogelijk iets kunnen leren van wat hiervoor is overwogen,
met name
omtrent de klachtonderdelen b) en d). De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding
van namen of
andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel a) ongegrond;
- verklaart de klachtonderdelen b), c), d) en e) gegrond;
- legt de huisarts de maatregel op van berisping;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, R.A. Steenbergen, lid-jurist,
E. Jansen, T.A.W. Linssen en B.C.A.M. van Casteren-van Gils, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door
F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 19 augustus 2026.