Zoekresultaten 21-30 van de 48172 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:202 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9215

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een arbo-arts. Klager is tijdens zijn arbeidsongeschiktheid begeleid door de arbo-arts, die als basisarts onder supervisie van een bedrijfsarts werkzaam was. De klachtonderdelen over beëindiging van de begeleidingsrelatie, informatieverstrekking aan de werkgever, de beoordeling van de belastbaarheid, de omgang met een verzoek om second opinion en werken onder supervisie zijn gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond. Berisping opgelegd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:172 Raad van Discipline Amsterdam 26-556/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over een advocaat. Verweerder is op geen enkele wijze inhoudelijk betrokken geweest bij de procedure van de religieuze ontbinding van het huwelijk van klager en diens ex-echtgenote. Verweerder kan tuchtrechtelijk niets worden verweten ten aanzien van de bevoegdheid van de joodse rechtbank, de zittingsdatum of de verstrekking van het dossier. Klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:203 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9216

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klager is in het kader van zijn arbeidsongeschiktheid begeleid door een arbo-arts die onder supervisie van de bedrijfsarts werkte. Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij onvoldoende invulling heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid als supervisor. De klachtonderdelen over de beëindiging begeleidingsrelatie, afhandeling van verzoek second opinion, invulling van de supervisie, en de klachtafhandeling zijn gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond. Berisping opgelegd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:173 Raad van Discipline Amsterdam 26-622/A/NH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Het stond verweerder vrij om in het kader van de door klager gestarte civiele procedure tegen zijn cliënt bij de gemeente een BRP-uittreksel op te vragen vanwege het gerichte vermoeden dat klager niet meer stond ingeschreven bij een Nederlandse gemeente. De omstandigheid dat klager het met deze gang van zaken niet eens is en dat verweerder ook via andere routes aan deze informatie had kunnen komen, zoals klager heeft gesteld, betekent niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld door ervoor te kiezen navraag te doen bij de gemeente. Klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:174 Raad van Discipline Amsterdam 26-582/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in familierechtkwestie. Het stond verweerster in het belang van haar cliënte en op grond van de beschikbare informatie vrij om het OTS-verzoek en het verzoek van een RvdK-onderzoek in te dienen. De omstandigheid dat de rechtbank deze verzoeken heeft afgewezen, betekent niet dat verweerster door de indiening van deze verzoeken klachtwaardig heeft gehandeld. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:168 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2991

    Klager is na verwijzing in psychiatrische behandeling geweest van 2000 tot 2018. Klager heeft op 21 mei 2025 een klacht tegen de huisarts ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege. Klager verwijt de huisarts dat hij naar een psychiater is verwezen zonder daarbij een concrete hulpvraag in de verwijsbrief te formuleren, dat de huisarts in de jaren daarna verlengingen van de verwijzing heeft afgegeven en dat de huisarts niet heeft gereageerd of gehandeld op verslagen van de psychiater. Deze klachten gaan over de periode 2000 tot en met 2013. Daarnaast verwijt klager de huisarts meer in het algemeen een nalatigheid gedurende de 18-jarige psychiatrische behandeling van klager, door gedurende deze behandeling zich niet op de hoogte te laten stellen van het verloop van de behandeling en deze te beoordelen. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft beslist dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht, deels vanwege verjaring en deels omdat de klacht onvoldoende duidelijk is. Het Centraal Tuchtcollege volgt het Regionaal Tuchtcollege in het oordeel over de verjaring. Voor het overige verklaart het Centraal Tuchtcollege klager wél ontvankelijk in de klacht, omdat de klacht naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoende duidelijk is. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht in zoverre ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:169 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3051

    Ongegronde klacht tegen een huisarts. Klager had pijn- en zwellingsklachten aan zijn rechterscheenbeen, hij vermoedde dat dit kwam door een breuk in zijn scheenbeen en hij wilde dat de huisarts hem naar een orthopeed zou verwijzen. Klager is ontevreden over de behandeling van zijn klachten door de huisarts en de beslissing om hem zonder lichamelijk onderzoek te verrichten te verwijzen naar een fysiotherapeut in plaats van naar een orthopeed. Klager zegt dat de huisarts de breuk in zijn scheenbeen niet heeft opgemerkt en dat later bij een MRI-scan in een ziekenhuis in Litouwen alsnog een breek in zijn scheenbeen is vastgesteld. Het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens en zal het beroep van klager verwerpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:170 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3072

    De moeder van klager was ongeneeslijk ziek. Volgens klager heeft de arts, destijds huisarts, een blaasontsteking van zijn moeder niet herkend en niet behandeld waardoor zij sepsis heeft gekregen. Voor klager is ook onduidelijk waarom de arts bepaalde medicatie heeft voorgeschreven. Tot slot verwijt klager de arts dat zij moeder niet heeft bezocht in het weekend voor het overlijden van moeder. Het Regionaal Tuchtcollege heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen die beslissing.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:99 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-555/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Klaagster verwijt verweerster dat zij in rechte in strijd met de waarheid heeft gesteld dat er geen afspraak was gemaakt over de kinderalimentatie en zich ten onrechte heeft verzet tegen het (door klaagsters advocaat) overleggen van correspondentie tussen haar en klaagsters advocaat en haar en haar cliënt. Dat verweerster haar cliënt heeft geadviseerd om in te stemmen met het door klaagsters advocaat voorgestelde alimentatiebedrag van € 337,00 per maand, betekent naar het oordeel van de voorzitter niet dat het verweerster niet vrij stond om te stellen dat er geen bindende alimentatieregeling tot stand was gekomen. Naar het oordeel van de voorzitter kan evenmin tuchtrechtelijk worden verweten dat zij zich heeft verzet tegen het overleggen van correspondentie tussen haar en klaagsters advocaat en haar en haar cliënt. Verweerster heeft genoegzaam gemotiveerd toegelicht dat en waarom zij namens haar cliënt tegen het in het geding brengen van de correspondentie bezwaar heeft gemaakt. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:100 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-562/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De voorzitter stelt vast dat de klacht ziet op – vermeend - nalaten van verweerster op of rond 18 oktober 2016. Klager heeft zich op 26 januari 2026, derhalve ruimschoots na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot de deken gewend. Niet is gebleken dat klager niet eerder dan op 26 januari 2026 heeft kunnen klagen. Dat klager naar eigen zeggen pas in januari 2026 nadere informatie heeft verkregen over het medicijngebruik van zijn moeder en dat notaris G in 2014 uit zijn ambt is gezet, maakt dit niet anders. De voorzitter oordeelt daarom dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts evenmin gebleken. Klacht niet-ontvankelijk.