ECLI:NL:TADRAMS:2026:172 Raad van Discipline Amsterdam 26-556/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:172
Datum uitspraak: 17-08-2026
Datum publicatie: 21-08-2026
Zaaknummer(s): 26-556/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over een advocaat. Verweerder is op geen enkele wijze inhoudelijk betrokken geweest bij de procedure van de religieuze ontbinding van het huwelijk van klager en diens ex-echtgenote. Verweerder kan tuchtrechtelijk niets worden verweten ten aanzien van de bevoegdheid van de joodse rechtbank, de zittingsdatum of de verstrekking van het dossier. Klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam

van 17 augustus 2026 
in de zaak 26-556/A/A 

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 30 juni 2026 met kenmerk 2520913/EvR/AP, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 06. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 5 augustus 2026.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager is verwikkeld in een echtscheiding met zijn ex-echtgenote. Zij worden hierin bijgestaan door hun advocaten. Naast de  echtscheiding volgens Nederlands recht willen klager en zijn ex-echtgenote hun huwelijk religieus laten ontbinden door de Joodse rechtbank, Beth Din.
1.2    Klager en zijn ex-echtgenote verschillen van mening over de vraag of het Beth Din van de Nederlands Israëlische Hoofdsynagoge (hierna: de NIHS) bevoegd is. Ook vraagt klager zich af of sprake is van mogelijke belangenverstrengeling van het Beth Din van de NIHS.
1.3    Verweerder staat het Beth Din van de NIHS bij, maar is daar geen lid van. De leden van het Beth Din zijn rabbijnen.
1.4    Op 15 juli 2025 heeft verweerder een bericht gestuurd aan de advocaten van klager en zijn ex-echtgenote:
‘(…)
Nu de zitting in juli van dit jaar geen doorgang kon vinden heeft het Beth Din een nieuwe datum vastgesteld te weten voor woensdag 10 september 2025 om 11.00 uur.
(…)
Namens het Beth Din roep ik uw cliënten op aldaar aanwezig te zijn. Tijdens de zitting zal het verdere verloop met uw cliënten besproken worden en kunnen zij uiteraard de bij hun levende vragen aan de orde stellen.’

1.5    De gemachtigde van klager heeft verweerder diverse keren gevraagd om het volledige dossier en het reglement van Beth Din toe te sturen. Op 2 september 2025 heeft de advocaat van klager verweerder gemaild:

‘Reeds gedurende een periode van ruim acht maanden heb ik namens cliënt herhaaldelijk verzocht om het volledige dossier van het Beth Din. Tot op heden is slechts een zeer beperkte selectie van stukken overgelegd. 
(…)
Het volledige dossier, waar de bovengenoemde stukken deel van uitmaken, is essentieel voor een zorgvuldige beoordeling van de rechtspositie van cliënt. Zonder volledige inzage kan client zijn verdediging niet op een verantwoorde wijze voorbereiden. Dit brengt niet alleen risico’s voor zijn rechtspositie met zich mee, maar kan tevens de geldigheid van de procedure en daarmee van een eventueel Get aantasten. 
Namens cliënt verzoek ik u daarom nogmaals en met klem om het volledige dossier, alsmede het reglement van het Beth Din, uiterlijk op 3 september a.s. te verstrekken. (…)’ 

1.6    Op 3 september 2025 heeft verweerder de advocaat van klager gemaild:

‘Wat een verbazingwekkende mail, inderdaad bent u al vele maanden bij de kwestie betrokken en nu komt u met een sommatie van nauwelijks 24 uur.
U vergeeft het mij maar, we gaan daaraan niet voldoen en uw cliënt moet beoordelen of hij komende week op woensdag 10 september aanwezig zal zijn. Overigens waren hij en uzelf al eerder afgereisd naar het Beth Din echter op een verkeerd adres. Kennelijk speelde toen al hetgeen u nu stelt niet.
Bijzonder ook dat u nu eerst het reglement van het Beth Din en de aanvraag voor de Get opvraagt. Ook daarin zit geen logica gegeven uw eerdere bezoek op het verkeerde adres.
Ik zal u het reglement – dat u overigens gewoon had kunnen opvragen bij aanvang van de procedure – alsnog zenden evenals de aanvraag.
U ontvangt de stukken deze week.
Ik wens u een mooie dag.’

1.7    Op 8 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
1.8    Op 9 september 2025 heeft verweerder de advocaat van klager gemaild:
‘Zoals aangegeven heb ik het Beth Din verzocht mij het reglement en de aanvraag te doen toekomen.
(…)
Ik begrijp in ieder geval dat het ‘reglement’ feitelijk terug te vinden is in de Halaga en niet apart op schrift staat.
(…)
Mocht ik vanavond nog iets ontvangen dan zal ik dat aan u doorzenden.’ 

1.9    Op 8 oktober 2025 heeft verweerder een verslag van de op 10 september 2025 door het Beth Din gehouden zitting gemaild aan de advocaten van klager en de ex-echtgenote van klager.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 
a)    verweerder wekt de schijn van bevoegdheid en geldigheid van procedures bij de Joodse rechtbank; 
b)    verweerder stuurt uitnodigingen als instrument voor nodeloze civiele procedures;
c)    verweerder verzuimt verhinderdata op te vragen voor bijeenkomsten van de Joodse rechtbank;
d)    verweerder weigert het volledige dossier van de Joodse rechtbank aan klager althans aan de advocaat van klager te verstrekken;
e)    verweerder weigert de reglementen van de Joodse rechtbank aan klager althans aan de advocaat van klager te verstrekken;
f)    verweerder heeft een vertrouwelijk stuk, te weten een vermeend proces-verbaal van een bijeenkomst, in de lopende klachtprocedure overgelegd met als enkel doel om klager in een ongunstig en onjuist daglicht te stellen. Verweerder heeft daarbij gerefereerd aan een passage waarvan hij wist dat die valselijk is opgesteld. De advocaat van klager heeft verweerder er, voorafgaand aan het indienen van het verweer door verweerder, op gewezen dat deze passage summier, onvolledig en gedeeltelijk onjuist was.
2.2    De voorzitter zal bij de beoordeling ingaan op de klachtonderdelen. 

3    VERWEER
3.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerder op dat hij de belangen van het Beth Din behartigt en dat zijn opdracht was gericht op de-escalatie en op zakelijke wijze afstand te laten ontstaan tussen het Beth Din en partijen. Daarbij wijst verweerder erop dat hij klager en zijn ex-echtgenote niet kent en dat zijn correspondentie namens het Beth Din plaatsvond met hun advocaten.
Verweerder voert aan dat klachtonderdeel a) gaat over de bevoegdheid van zijn cliënte, het Beth Din, dat klager en zijn ex-echtgenote zich tot het Beth Din hebben gewend en hebben meegewerkt aan de procedure om hun huwelijk religieus te laten ontbinden. Verweerder wijst erop dat dit hun keuze is.
Verder voert verweerder aan dat hij de belangen van zijn cliënte heeft gediend door aan de advocaten van klager en zijn ex-echtgenote door te geven dat er een zitting wordt gehouden. Volgens verweerder heeft zijn cliënte dit verzocht om rust en afstand tussen partijen te realiseren.
Daarnaast merkt verweerder op dat zijn cliënte heeft geprobeerd om rekening te houden met de verhinderdata van partijen, maar dat dit niet is gelukt. Volgens verweerder heeft het Beth Din toen eenzijdig een datum voor de zitting bepaald en heeft hij deze datum aan partijen gecommuniceerd. Beide partijen waren met hun advocaten op de zitting aanwezig.
Ook merkt verweerder op dat hij niet beschikt over het dossier van partijen. Volgens verweerder heeft hij geprobeerd zoveel mogelijk te voldoen aan het verzoek van de advocaat van klager om stukken op te vragen bij zijn cliënte en die aan hem toe te zenden.
Verder voert verweerder aan dat hij er aanvankelijk van uitging dat zijn cliënte beschikte over een schriftelijk reglement en dat hij dit op verzoek van de advocaat van klager bij zijn cliënte heeft opgevraagd. Volgens verweerder bleek dat een dergelijk reglement niet bestaat en heeft hij dit aan de advocaat van klager gemeld. Daarbij merkt verweerder op dat klager zich ook heeft laten bijstaan door een rabbijn en dus op de hoogte moet zijn geweest van alle regels.
Tot slot voert verweerder aan dat het door hem ingezonden stuk het officiële verslag van de zitting van het Beth Din van 10 september 2025 betreft. Volgens verweerder heeft zijn cliënte hem gevraagd om dit aan beide partijen te sturen en dat heeft hij gedaan. Daarbij merkt verweerder op dat uit het verslag valt af te leiden dat hij niet bij de zitting aanwezig was en dat klager zich tijdens de zitting onheus heeft gedragen. Volgens verweerder heeft hij belang bij het indienen van dit vertrouwelijke stuk om zich te verweren tegen de klacht van klager en zijn alle betrokkenen bij deze klachtprocedure aan geheimhouding gebonden.  
3.2    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in art. 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 
Klachtonderdelen a) tot en met f) zijn kennelijk ongegrond
4.2    Klachtonderdelen a) tot en met f) gaan in de kern over het handelen van verweerder als advocaat van het Beth Din dat de religieuze ontbinding van het huwelijk van klager en zijn ex-echtgenote in behandeling heeft. De voorzitter zal deze klachtonderdelen daarom gezamenlijk beoordelen.
4.3    De voorzitter stelt vast dat verweerder het Beth Din van het NIHS heeft bijgestaan, maar dat verweerder op geen enkele wijze inhoudelijk betrokken is geweest bij de procedure van de religieuze ontbinding van het huwelijk van klager en zijn ex-echtgenote en de daarop van toepassing zijnde Joodse regels en wetten. Uit de stukken blijkt dat klager, hoewel hij vraagtekens zet bij de bevoegdheid van het Beth Din van het NIHS en de geldigheid van procedures bij de Joodse rechtbank, en zijn ex-echtgenote de religieuze ontbinding van hun huwelijk hebben laten behandelen door deze Beth Din. Verweerder heeft met die keuze niets te maken en hij heeft daar ook geen invloed op gehad. Verder is het de voorzitter niet gebleken dat verweerder op het versturen van uitnodigingen van het Beth Din voor zittingen en het bepalen van een zittingsdatum enige invloed heeft gehad. Verweerder heeft de uitnodigingen en de zittingsdatum aan de advocaten van klager en zijn ex-echtgenote doorgegeven in opdracht van zijn cliënte, het Beth Din, en het is deze cliënte die heeft besloten tot het houden van een zitting en die de zittingsdatum, blijkbaar zonder rekening te houden met de verhinderdata van partijen, heeft bepaald op 10 september 2025. Deze gang van zaken kan verweerder tuchtrechtelijk niet worden verweten.
4.4    Voor wat betreft de verstrekking van het volledige dossier van het Beth Din oordeelt de voorzitter dat het niet aan verweerder is om het dossier van partijen te verstrekken, maar aan zijn cliënte. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen de advocaat van klager en verweerder blijkt dat verweerder namens zijn cliënte een aantal stukken uit het dossier van partijen aan de advocaat van klager heeft verstrekt. Daarbij was verweerder afhankelijk van welke stukken zijn cliënte wilde verstrekken. Het kan verweerder tuchtrechtelijk niet worden verweten dat de door klager gewenste stukken niet zijn verstrekt.
4.5    Ten aanzien van het gevraagde reglement van het Beth Din stelt de voorzitter op grond van de e-mailcorrespondentie tussen de advocaat van klager en verweerder vast dat verweerder niet heeft geweigerd om het reglement te verstrekken. Op 3 september 2025 heeft verweerder de advocaat van klager toegezegd het reglement toe sturen (zie 1.6) en op 9 september 2025 heeft verweerder de advocaat van klager gemaild dat het reglement is terug te vinden in de Halacha en niet op schrift staat (zie 1.8). In dat kader heeft verweerder onweersproken aangevoerd dat klager zich heeft laten bijstaan door een eigen rabbijn. De voorzitter merkt op dat verweerder er dan ook redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat klager via deze rabbijn op de hoogte was van de Joodse regels en wetgeving die een Beth Din toepast op de religieuze ontbinding van een huwelijk. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder is geen sprake.
4.6    Tot slot oordeelt de voorzitter dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door bij zijn verweer tegen de klacht het verslag te overleggen van de zitting van 10 september 2025 gehouden door het Beth Din. Het stond verweerder vrij om het verslag in deze klachtprocedure over te leggen. Verweerder heeft dit verslag op 
8 oktober 2025 aan de advocaten van partijen gemaild (zie 1.9), zodat ervan uit mag worden gegaan dat klager van de inhoud daarvan al op de hoogte was. De omstandigheid dat klager het niet eens is met een deel van de inhoud van dat verslag betekent niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld door het verslag over te leggen. Het is de voorzitter verder niet gebleken dat verweerder klager door het overleggen van het verslag in een kwaad daglicht heeft willen stellen. 
4.7    Uit het bovenstaande volgt dat klachtonderdelen a), b), c), d), e) en f) kennelijk ongegrond zijn.
Conclusie
4.8    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door  
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.

Griffier                                           Voorzitter


Verzonden op: 17 augustus 2026