ECLI:NL:TADRAMS:2026:173 Raad van Discipline Amsterdam 26-622/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:173 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-08-2026 |
| Datum publicatie: | 21-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-622/A/NH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Het stond verweerder vrij om in het kader van de door klager gestarte civiele procedure tegen zijn cliënt bij de gemeente een BRP-uittreksel op te vragen vanwege het gerichte vermoeden dat klager niet meer stond ingeschreven bij een Nederlandse gemeente. De omstandigheid dat klager het met deze gang van zaken niet eens is en dat verweerder ook via andere routes aan deze informatie had kunnen komen, zoals klager heeft gesteld, betekent niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld door ervoor te kiezen navraag te doen bij de gemeente. Klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam
van 17 augustus 2026
in de zaak 26-622/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 16 juli 2026 met kenmerk bb/ss/25-558/2538913, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9. Daarnaast heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van verweerder van 7 augustus 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft een geschil met de cliënt van verweerder, de heer K., over de
verwerking van zijn persoonsgegevens in het kader van de Algemene verordening gegevensbescherming
(hierna: AVG). In het kader van dit geschil heeft klager de heer K. gedagvaard bij
de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).
1.2 Op 27 augustus 2025 heeft verweerder namens zijn cliënt een incidentele conclusie
van onbevoegdheid tevens houdende een incidentele conclusie ingevolge artikel 244
Rv: zekerheidstelling proceskosten door eiser tevens houdende conclusie van antwoord
(hierna: de conclusie) bij de kantonrechter te Alkmaar ingediend. Bij deze conclusie
heeft verweerder een aantal bijlagen gevoegd, waaronder een uittreksel uit het Handelsregister
van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK-uittreksel) van de onderneming van klager
en een uittreksel Basisregistratie Personen (hierna: BRP-uittreksel) ten aanzien van
klager.
1.3 In het door verweerder opgevraagde BRP-uittreksel is vermeld dat klager op 21 juli 2025 is uitgeschreven naar Dubai.
1.4 Op 18 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
1.5 Op 13 juli 2026 heeft de rechtbank klager niet-ontvankelijk verklaard vanwege misbruik van recht.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft onbevoegd een BRP-uittreksel met de persoonsgegevens van
klager opgevraagd;
b) verweerder heeft de persoonsgegevens van klager onbevoegd met derden, mr.
Van der W., gedeeld.
2.2 De voorzitter zal bij de beoordeling ingaan op de klachtonderdelen.
3 VERWEER
3.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerder op dat het opvragen van
het BRP-uittreksel nodig was vanwege het gerichte vermoeden, naar aanleiding van onderzoek
van zijn cliënt, dat klager zich had laten uitschrijven uit Nederland. Volgens verweerder
is dat vermoeden bevestigd door het bericht van de gemeente Den Helder.
Verder betwist verweerder dat hij onbevoegd persoonsgegevens van klager met mr.
Van der W. heeft gedeeld. Daarbij merkt verweerder op dat als hij als advocaat vertrouwelijke
correspondentie met aan andere advocaat over een lopende zaak overlegt, hij de inhoud
daarvan niet zou moeten delen met derden, zoals in dit geval klager. Volgens verweerder
kan hij daar niet nader op ingaan, anders dan wellicht in een vertrouwelijk geheimhoudersgesprek
met de deken.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de
tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46
Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in art.
10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die
regels kunnen, vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46
Advocatenwet, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval
beoordeeld.
4.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond
4.3 De voorzitter oordeelt dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder
geen sprake is. Het stond verweerder als advocaat vrij om in het kader van de door
klager gestarte civiele procedure tegen zijn cliënt bij de gemeente Den Helder een
BRP-uittreksel over klager op te vragen vanwege het gerichte vermoeden dat klager
niet meer stond ingeschreven bij een Nederlandse gemeente. Uit het BRP-uittreksel
dat verweerder van de gemeente heeft ontvangen, blijkt dat dit vermoeden terecht was
aangezien klager op 21 juli 2025 is uitgeschreven naar Dubai. De omstandigheid dat
klager het met deze gang van zaken niet eens is en dat verweerder ook via andere routes
aan deze informatie had kunnen komen, zoals klager heeft gesteld, betekent niet dat
verweerder klachtwaardig heeft gehandeld door ervoor te kiezen navraag te doen bij
de gemeente Den Helder. Klachtonderdeel a) is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.4 De voorzitter oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld door met mr. Van der W., een collega-advocaat, te overleggen over de procedure
tussen klager en de cliënt van verweerder. Het is in de advocatenpraktijk gebruikelijk
en ook geoorloofd om met collega-advocaten onderling te sparren over lopende zaken.
Het is de voorzitter op grond van het klachtdossier niet gebleken dat verweerder daarbij
onnodig en/of op onzorgvuldige wijze persoonsgegevens van klager met mr. Van der W.
heeft gedeeld of dat de (proces)belangen van klager daardoor onnodig of op ontoelaatbare
wijze zijn geschaad. In zoverre is klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond.
4.5 Voor zover klager verweerder in dit verband ook verwijt dat hij de AVG heeft
geschonden, merkt de voorzitter op dat in deze tuchtprocedure geen ruimte is om hierover
te oordelen. Een oordeel hierover is voorbehouden aan de Autoriteit Persoonsgegevens.
In zoverre is klachtonderdeel b) daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Conclusie
4.6 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter klachtonderdeel a), met toepassing
van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.
De voorzitter zal klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j lid 1 onder b Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het verwijt over een AVG-schending en voor het overige zal de voorzitter klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) ten aanzien van het verwijt over een AVG-schending,
met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk, en voor
het overige kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 augustus 2026