ECLI:NL:TGZRAMS:2026:203 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9216

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:203
Datum uitspraak: 21-08-2026
Datum publicatie: 21-08-2026
Zaaknummer(s): A2025/9216
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klager is in het kader van zijn arbeidsongeschiktheid begeleid door een arbo-arts die onder supervisie van de bedrijfsarts werkte. Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij onvoldoende invulling heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid als supervisor. De klachtonderdelen over de beëindiging begeleidingsrelatie, afhandeling van verzoek second opinion, invulling van de supervisie, en de klachtafhandeling zijn gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond. Berisping opgelegd.

A2025/9216
Beslissing van 21 augustus 2026

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 21 augustus 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klager,

tegen

C,
arts
(destijds) werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. L. Greebe (waarnemend voor mr. A.W. Hielkema), werkzaam in Utrecht.
 

1. De zaak in het kort
1.1 Klager is in het kader van zijn arbeidsongeschiktheid begeleid door een arbo-arts die onder supervisie van de bedrijfsarts werkte. Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij onvoldoende invulling heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid als supervisor.

1.2 De klacht gaat onder meer over de beëindiging dan wel opschorting van de begeleiding, de second opinion, de uitvoering van de supervisie, het toezicht op de arbo-arts en de afhandeling van de klachten van klager.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klachtonderdelen a), h), i), en l) gegrond zijn en de overige klachtonderdelen ongegrond. Aan de bedrijfsarts wordt de maatregel van berisping opgelegd. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1
Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 november 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de door klager overgelegde stukken, waaronder geluidsopnamen, ontvangen op 30 maart 2026 en 18 mei 2026;
- de aanvulling op het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 21 april 2026;
- de aanvullende bijlage 32, bestaande uit een brief van de werkgever van klager van september 2023, ontvangen op 17 juni 2026;
- het verzoek van klager om de mondelinge behandeling achter gesloten deuren te laten plaatsvinden, ontvangen op 23 juni 2026 (en ter zitting ingetrokken).

2.2
De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3
De zaak is behandeld op de openbare zitting van 10 juli 2026, gelijktijdig maar niet gevoegd met een klacht tegen de betrokken arbo-arts (zaaknummer A2025/9215). De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De gemachtigde van klager heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager is sinds mei 2004 werkzaam geweest bij de E in D, laatstelijk in de functie van receiving clerk.

3.2 Klager is van 11 oktober 2019 tot 6 oktober 2021 uitgevallen wegens een longembolie met chronische klachten. In die periode is tussen klager en zijn werkgever een geschil ontstaan over de re-integratie.

3.3 Op 22 september 2022 heeft klager zich opnieuw ziekgemeld. De werkgever heeft voor de verzuimbegeleiding aanvankelijk F ingeschakeld.

3.4 In januari 2023 heeft een bedrijfsarts van F een probleemanalyse opgesteld.

3.5 In juli 2023 heeft de werkgever de verzuimbegeleiding ondergebracht bij G (hierna: G). Het dossier van klager is in het kader van deze overgang aan G overgedragen.

3.6 Verweerster is sinds 30 maart 2013 geregistreerd als bedrijfsarts. Sinds 1 februari 2017 is zij als bedrijfsarts werkzaam voor G.

3.7 Verweerster had als bedrijfsarts de supervisie over de arbo-arts die betrokken was bij de verzuimbegeleiding van klager. De arbo-arts was als basisarts werkzaam onder haar supervisie. Tussen de bedrijfsarts en de arbo-arts bestond een schriftelijke supervisieovereenkomst, waarin een zogenaamd ‘licht supervisieregime’ was vastgelegd, omdat de arbo-arts op basis van diens kennis, ervaring en bekwaamheid in staat werd geacht grotendeels zelfstandig te functioneren.

3.8 Op 7 augustus 2023 heeft klager bij G een eerste gesprek gehad met een arboverpleegkundige. In het medisch dossier is vermeld dat sprake was van ziekte en een arbeidsconflict.

3.9 Op 3 oktober 2023 heeft klager een consult gehad met de arbo-arts. In het medisch
dossier zijn onder meer klachten vermeld van slecht slapen, prikkelbaarheid, nachtmerries, verminderde concentratie en vermoeidheid. Ook is vastgelegd dat klager onder behandeling was van een psycholoog. Ten behoeve van een arbeidsdeskundig onderzoek is een Inzetbaarheidsprofiel (IZP) opgesteld.

3.10 In het medisch dossier is naar aanleiding van het consult van 3 oktober 2023 vastgelegd dat klager geen toestemming had gegeven voor het opvragen van medische informatie bij zijn psycholoog.

3.11 In de terugkoppeling van 3 oktober 2023 aan de werkgever is vermeld dat klager geen toestemming had gegeven voor het opvragen van informatie bij zijn behandelaar. Verder is vermeld dat klager op dat moment geen werkzaamheden kon verrichten, dat een mediationtraject was gestart en dat geadviseerd is deze mediation voort te zetten.

3.12 Op 9 oktober 2023 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de vermelding dat hij geen toestemming had gegeven voor het opvragen van medische informatie bij zijn psycholoog. Klager heeft tevens verzocht om verdere begeleiding door een andere arts.

3.13 In een interne e-mail van 9 oktober 2023 aan een medewerker van G heeft de arbo-arts vermeld dat met klager was besproken dat hij toestemming voor het opvragen van medische informatie mocht weigeren en dat een weigering in de terugkoppeling zou worden vermeld.

3.14 Op 10 oktober 2023 heeft klager bij G een klacht ingediend over de verslaglegging van het consult van 3 oktober 2023. Klager stelde zich op het standpunt dat ten onrechte was vastgelegd dat hij geen toestemming had gegeven voor het opvragen van medische informatie bij zijn behandelaar en verzocht om correctie van deze vermelding.

3.15 Op 23 oktober 2023 heeft de bedrijfsarts de klacht schriftelijk afgehandeld. Zij is daarbij uitgegaan van de informatie van de arbo-arts en de aantekening in het medisch dossier. De bedrijfsarts heeft klager een machtigingsformulier toegezonden voor het alsnog opvragen van medische informatie bij zijn behandelaar. Zij heeft klager tevens meegedeeld dat hij zich, indien hij niet tevreden was met de afhandeling van zijn klacht, tot de onafhankelijke geschillencommissie kon wenden.

3.16 Op 24 oktober 2023 heeft klager aan de managementassistente van G meegedeeld dat hij niet tevreden was met de afhandeling van zijn klacht en dat hij in het kader van de klachtafhandeling wilde worden gehoord.

3.17 Op 27 oktober 2023 heeft de bedrijfsarts op het verzoek van klager gereageerd. Zij heeft klager verzocht de oorspronkelijke geluidsopname van het consult van 3 oktober 2023 uiterlijk op 3 november 2023 beschikbaar te stellen, waarna zijn verzoek over de klachtafhandeling verder in behandeling zou worden genomen.


3.18 Op 29 oktober 2023 heeft klager meegedeeld dat hij de geluidsopname tijdens een gesprek wilde laten beluisteren en dat hij in het kader van de klachtafhandeling wilde worden gehoord. Op 10 november 2023 heeft klager zijn verzoek herhaald. De bedrijfsarts heeft diezelfde dag verwezen naar haar e-mail van 27 oktober 2023.

3.19 Op 28 november 2023 heeft klager opnieuw een consult gehad met de arbo-arts. In het medisch dossier is vastgelegd dat de mediation nog liep. Het eerdere advies om geen werkzaamheden te verrichten en de mediation voort te zetten, is gehandhaafd.

3.20 Tijdens dit consult heeft klager toestemming gegeven voor het opvragen van medische informatie bij zijn psycholoog. Klager heeft de terugkoppeling van 3 oktober 2023 opnieuw aan de orde gesteld en verzocht deze aan te passen. De arbo-arts heeft de terugkoppeling niet gewijzigd. In het medisch dossier is vermeld dat klager van het consult van 3 oktober 2023 audio-opnamen had gemaakt.

3.21 Op 29 november 2023 heeft klager opnieuw verzocht om een gesprek waarbij de geluidsopname in aanwezigheid van de arbo-arts kon worden beluisterd. Op 4 december 2023 heeft hij dit verzoek herhaald. De bedrijfsarts heeft op 11 december 2023 opnieuw verwezen naar haar e-mail van 27 oktober 2023. Een persoonlijk gesprek tussen klager en de bedrijfsarts heeft niet plaatsgevonden.

3.22 Op 23 december 2023 is een arbeidsdeskundig rapport uitgebracht. Daarin is geconcludeerd dat er voor klager geen mogelijkheden waren om werkzaamheden bij zijn eigen werkgever te hervatten. Geadviseerd is een tweede-spoortraject te starten.

3.23 Op 6 februari 2024 heeft klager opnieuw een consult gehad met de arbo-arts. De mediation was op dat moment zonder resultaat beëindigd. De arbo-arts heeft geadviseerd te starten met de oriëntatiefase van het tweede spoor.

3.24 In februari 2024 heeft binnen G overleg plaatsgevonden tussen de casemanager, de bedrijfsarts en de arbo-arts over de belastbaarheid van klager in het kader van de oriëntatiefase van het tweede spoor. Daarbij is een inzet van twintig uur per week besproken. Dit is in een e-mail van 13 februari 2024 aan de werkgever meegedeeld.

3.25 Op 5 maart 2024 heeft klager opnieuw een consult gehad met de arbo-arts. Tijdens dit consult heeft de arbo-arts met klager besproken dat hij voor 20 uur per week inzetbaar werd geacht voor activiteiten in het kader van het tweede spoor. Klager kon zich met deze belastbaarheidsinschatting niet verenigen. In oktober 2023 zijn in het kader van het opstellen van een IZP reeds gegevens over de belastbaarheid en functionele mogelijkheden van klager vastgelegd. Klager heeft bezwaar gemaakt tegen de inhoud en verwerking van deze gegevens en heeft om inzage in en een afschrift van zijn medisch dossier verzocht.


3.26 Tijdens het consult van 5 maart 2024 is de communicatie tussen klager en de arbo-arts moeizaam verlopen. De arbo-arts heeft zich op het standpunt gesteld dat klager zich tijdens het consult agressief heeft gedragen en heeft het verloop van het consult aan de werkgever teruggekoppeld. Naar aanleiding daarvan heeft binnen G overleg plaatsgevonden over de verdere verzuimbegeleiding van klager.

3.27 Van het consult van 5 maart 2024 is een audio-opname beschikbaar. Daarop is te horen dat klager tijdens het gesprek op momenten zijn stem heeft verheven.

3.28 Op 5 maart 2024 heeft klager verzocht om een second opinion. In verband daarmee is hij verwezen naar H (hierna: H).

3.29 Op 5 maart 2024 is een terugkoppeling over het consult opgesteld. Deze is op 11 maart 2024 aan de werkgever verzonden. In de terugkoppeling is informatie opgenomen over het verloop van de communicatie tijdens het consult.

3.30 Uit het medisch dossier blijkt dat klager op 11 maart 2024 is uitgenodigd voor een gesprek bij H in het kader van de door hem verzochte second opinion. Op 12 maart 2024 heeft een doktersassistente van H de afspraak geannuleerd. Bij schrijven van 14 maart 2024 heeft H aan klager bevestigd dat de afspraak op verzoek van G was geannuleerd. De second opinion heeft niet plaatsgevonden en er is geen nieuwe afspraak gemaakt.

3.31 Na het consult van 5 maart 2024 is de begeleiding van klager door de arbo-arts niet voortgezet.

3.32 Op 19 maart 2024 heeft G een Formal Statement aan de werkgever verstrekt. Daarin heeft G vermeld dat sprake was van ongewenst en onaanvaardbaar gedrag van klager, waaronder het ter discussie stellen van medewerkers en hun handelen, klachten, intimidatie en verbale dan wel non-verbale bedreiging. G heeft om die reden de dienstverlening aan klager met onmiddellijke ingang beëindigd en hem de toegang tot haar locaties ontzegd. In de Formal Statement is verwezen naar eerdere correspondentie over klager.

3.33 Bij brief van 22 maart 2024 heeft de werkgever de loonbetaling aan klager met ingang van die datum opgeschort.

3.34 Bij brief van 27 maart 2024 heeft de gemachtigde van klager de bedrijfsarts opnieuw verzocht klager in het kader van de klachtafhandeling te horen. Daarbij is verzocht binnen veertien dagen meerdere data voor een hoorgesprek voor te stellen. In de brief is vermeld dat klager de geluidsopname van het consult van 3 oktober 2023 tijdens het hoorgesprek wilde laten beluisteren en dat de arbo-arts bereid was daarbij aanwezig te zijn. Tevens is verzocht om verstrekking van een volledig afschrift van het medisch dossier.

3.35 Naar aanleiding van de verzoeken van klager van 24 en 29 oktober 2023, 10 en 29
november 2023, 4 december 2023 en de brief van zijn gemachtigde van 27 maart 2024 heeft geen persoonlijk gesprek tussen klager en de bedrijfsarts plaatsgevonden. De klacht is schriftelijk afgehandeld. In haar brief van 23 oktober 2023 heeft de bedrijfsarts klager gewezen op de mogelijkheid zich tot de onafhankelijke geschillencommissie te wenden.

3.36 Op 19 juni 2024 heeft een arboverpleegkundige van G aan klager een afschrift van zijn medisch dossier verstrekt. De verstrekking is in het medisch dossier vastgelegd.

3.37 Op 8 juli 2024 heeft I klager uitgenodigd voor een fysiek spreekuur bij een bedrijfsarts van I op 10 juli 2024 om 10.15 uur. In de uitnodiging is vermeld dat de werkgever van de uitnodiging op de hoogte was en daarvan een afschrift ontving.

3.38 Op 9 juli 2024 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen klager en de bedrijfsarts van I. Naar aanleiding daarvan heeft klager diezelfde dag per e-mail aan I meegedeeld dat volgens hem onduidelijkheid bestond over de aard en het tijdstip van het consult. Klager heeft daarbij vermeld dat hij ervan uitging dat het fysieke consult was gewijzigd in een telefonisch consult op 9 juli 2024 en dat hij op 10 juli 2024 al afspraken had bij zijn psycholoog en longarts.

3.39 Op 10 juli 2024 heeft I een schriftelijke terugkoppeling aan de werkgever verstrekt. Daarin is vermeld dat klager niet op het spreekuur was verschenen. De werkgever is geadviseerd contact met klager op te nemen om uitleg te vragen.

3.40 Bij vonnis van 7 november 2024 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de werkgever klager voorafgaand aan de loonopschorting niet had gewaarschuwd en dat de loonopschorting daarom niet rechtsgeldig was. De kantonrechter heeft de werkgever veroordeeld tot betaling van het achterstallige salaris vanaf 22 maart 2024.

3.41 Bij brief van 6 mei 2025 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst met klager wegens langdurige arbeidsongeschiktheid opgezegd.

3.42 Tussen klager en G is een geschil ontstaan over de volledigheid van het aan klager verstrekte medisch dossier en over de vraag of G nog over aanvullende, niet aan klager verstrekte dossierstukken beschikte.

3.43 Bij vonnis van 17 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank B geoordeeld dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat G nog over aanvullende, niet aan klager verstrekte informatie beschikte. De vorderingen van klager zijn afgewezen.

3.44 Op 5 november 2025 heeft klager bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg afzonderlijke tuchtklachten ingediend tegen de bedrijfsarts en de arbo-arts.

3.45 Bij brief van 11 april 2026 heeft de bedrijfsarts van I over de gebeurtenissen in juli 2024 meegedeeld dat hij klager op 9 juli 2024 telefonisch had gesproken nadat G hem had verzocht de begeleiding van klager over te nemen. Volgens deze brief heeft de bedrijfsarts zich tijdens het telefoongesprek aan klager voorgesteld en zijn voornemen toegelicht om de begeleiding over te nemen, zonder inhoudelijk op de verzuimbegeleiding in te gaan.

3.46 In dezelfde brief van 11 april 2026 heeft de bedrijfsarts van I meegedeeld dat het telefoongesprek van 9 juli 2024 zijn enige gesprek met klager is geweest, dat hij de opdracht van G uiteindelijk niet heeft aanvaard en dat hij klager niet als bedrijfsarts in begeleiding heeft genomen. Verder heeft hij meegedeeld niet over een dossier van klager te beschikken.

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1 Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij:
a) de behandelrelatie heeft beëindigd;
b) het medisch beroepsgeheim heeft geschonden en onjuiste informatie met de werkgever heeft gedeeld;
c) een onjuist en onzorgvuldig advies heeft gegeven;
d) heeft geweigerd gegevens in het medisch dossier te rectificeren;
e) heeft geweigerd een volledig afschrift van het medisch dossier te verstrekken;
f) zonder voorafgaande aankondiging een inzetbaarheidsprofiel (IZP) heeft laten opstellen;
g) de probleemanalyse niet heeft aangepast;
h) het verzoek om een second opinion niet zorgvuldig heeft afgehandeld;
i) de taakdelegatie en supervisie onvoldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd;
j) onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over de functie en positie van de arbo-arts;
k) niet overeenkomstig de STECR-richtlijnen heeft gehandeld;
l) de klachten van klager niet afdoende en onzorgvuldig heeft behandeld.

4.2 De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht in alle onderdelen ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1
De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2
Daarbij wordt rekening gehouden met de voor de bedrijfsarts geldende wettelijke bepalingen, professionele normen, richtlijnen en de stand van de wetenschap ten tijde van het verweten handelen. De omstandigheid dat zij als superviserend bedrijfsarts bij de verzuimbegeleiding betrokken was, brengt niet mee dat iedere handeling van de arbo-arts zonder meer aan haar kan worden toegerekend. Wel rustte op haar een eigen verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige inrichting en uitvoering van de supervisie, haar bereikbaarheid als supervisor en haar handelen op de momenten waarop haar betrokkenheid als bedrijfsarts was aangewezen.

Klachtonderdeel a) Beëindiging van de begeleidingsrelatie
5.3 Het college stelt voorop dat een arts een behandel- of begeleidingsrelatie niet zonder meer eenzijdig kan beëindigen. Daarvoor moeten gewichtige redenen bestaan. Van een arts mag in beginsel worden verwacht dat hij bij een verstoorde relatie eerst met de patiënt, werknemer of andere betrokkene in gesprek gaat, duidelijke grenzen stelt en – indien daartoe aanleiding bestaat – waarschuwt voor de mogelijke gevolgen van het voortduren van het betreffende gedrag. Daarnaast dient te worden onderzocht of de behandel- of begeleidingsrelatie door de-escalerende maatregelen of onder aangepaste voorwaarden kan worden voortgezet. Pas indien van de arts redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat de relatie wordt voortgezet, kan beëindiging aan de orde zijn. In dat geval dient de continuïteit van de noodzakelijke zorg of begeleiding voldoende te worden gewaarborgd. Bij de beoordeling sluit het college aan bij de professionele normen voor de beëindiging van een behandel- of begeleidingsrelatie, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de uitspraken ECLI:NL:TGZREIN:2017:59 en ECLI:NL:TGZREIN:2021:34.

5.4 Uit de stukken en de audio-opname blijkt dat klager tijdens het consult van 5 maart 2024 geïrriteerd was en op momenten zijn stem heeft verheven. Niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een concrete verbale bedreiging. De door de arbo-arts gestelde fysieke gedragingen zijn door klager betwist en kunnen op grond van de beschikbare stukken niet worden vastgesteld. Evenmin is gebleken van een eerder patroon van agressief of bedreigend gedrag. Niet blijkt dat klager voorafgaand aan het niet voortzetten of opschorten van de begeleiding is gewaarschuwd, dat het verloop van het consult met hem is besproken of dat de-escalerende maatregelen zijn getroffen. Ook is niet gebleken dat met klager is onderzocht onder welke voorwaarden de begeleiding kon worden voortgezet. De bedrijfsarts heeft aangevoerd dat de beslissing tot opschorting door de manager van G is genomen. Gelet op haar eigen professionele verantwoordelijkheid als superviserend bedrijfsarts kon zij zich echter niet zonder meer bij die beslissing neerleggen. Van haar mocht worden verwacht dat zij zich zelfstandig een oordeel vormde over de noodzaak en proportionaliteit van de opschorting en zich inspande voor de-escalatie en de continuïteit van de verzuimbegeleiding. Het college is daarom van oordeel dat de bedrijfsarts onvoldoende invulling heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid als superviserend bedrijfsarts. Het klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel b) Schending van het medisch beroepsgeheim en verstrekking van onjuiste informatie
5.5 Op grond van artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een arts gehouden tot geheimhouding van de gegevens die hem in zijn hoedanigheid als arts over de patiënt of werknemer bekend zijn geworden. Verstrekking van medische gegevens aan derden is slechts toegestaan met toestemming van de betrokkene of indien daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. In het kader van de verzuimbegeleiding mag een bedrijfsarts aan de werkgever uitsluitend die informatie verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van diens wettelijke verplichtingen op het gebied van verzuimbegeleiding en re-integratie. Dit volgt tevens uit de professionele standaard, waaronder de Leidraad Bedrijfsarts en privacy en de Leidraad Privacy van de NVAB. Informatie over de aard of oorzaak van de gezondheidsklachten, de behandeling en gedragingen van de werknemer tijdens een medisch consult behoort in beginsel niet tot die noodzakelijke gegevens. Het college beoordeelt of de bedrijfsarts heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts mocht worden verwacht.

5.6 Klager heeft bezwaar gemaakt tegen de vermelding aan de werkgever dat hij geen toestemming had gegeven voor het opvragen van medische informatie bij zijn psycholoog. Ook heeft hij bezwaar gemaakt tegen de informatie over het verloop van het consult van 5 maart 2024 en de kwalificatie van zijn gedrag.
De betreffende terugkoppelingen zijn door de arbo-arts dan wel vanuit Gaan de werkgever verstrekt. Hoewel de bedrijfsarts bij intern overleg betrokken is geweest, kan op grond van de stukken niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat zij de terugkoppelingen vooraf heeft gelezen, de inhoud daarvan heeft bepaald of de verstrekking heeft goedgekeurd. De omstandigheid dat de bedrijfsarts supervisor was, is onvoldoende om de inhoud van iedere door de arbo-arts opgestelde terugkoppeling zonder meer aan haar toe te rekenen. Een persoonlijk tuchtrechtelijk verwijt aan de bedrijfsarts is daarom niet komen vast te staan. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel c) Geven van een onjuist en onzorgvuldig advies
5.7 Een bedrijfsarts moet zijn advies baseren op een zorgvuldig onderzoek en de beschikbare medische en arbeidsgerelateerde gegevens. Het advies moet inzichtelijk, consistent en voldoende begrijpelijk zijn. De werknemer moet worden geïnformeerd over de inhoud en betekenis van het advies. Dit volgt uit de algemene professionele zorgvuldigheidsnorm en de verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts bij de verzuimbegeleiding op grond van artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet.

5.8 Uit de stukken blijkt dat de beoordeling van twintig uur per week betrekking had op activiteiten in het kader van de oriëntatiefase van het tweede spoor en niet op het verrichten van twintig uur reguliere arbeid. Gelet op de duur van de arbeidsongeschiktheid en het doel van de oriëntatiefase acht het college deze opbouw niet onbegrijpelijk.
Wel had duidelijker aan klager moeten worden uitgelegd waarop de twintig uur betrekking hadden. Ook had deze beoordeling met hem moeten worden besproken voordat hierover aan de werkgever werd gecommuniceerd. De uitvoering van de begeleiding en de communicatie daarover waren binnen de taakdelegatie aan de arbo-arts opgedragen. Niet is gebleken dat de bedrijfsarts de betreffende terugkoppeling zelf heeft opgesteld of zodanig bij de communicatie betrokken was dat haar daarvan persoonlijk een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel d) Weigering van rectificatie
5.9 Op grond van artikel 16 van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) kan een patiënt of werknemer verzoeken feitelijk onjuiste persoonsgegevens te laten rectificeren. Dit recht ziet op objectief onjuiste of onvolledige gegevens. Het strekt er niet toe dat een zorgverlener gehouden is een professionele waarneming, medische beoordeling of verslaglegging te wijzigen uitsluitend omdat de betrokkene het daarmee oneens is. Dat volgt ook uit de aard van het medisch dossier als bedoeld in artikel 7:454 BW. Indien een patiënt of werknemer een andere lezing van de feiten heeft of het niet eens is met een professionele beoordeling, kan die visie in beginsel worden toegevoegd aan het medisch dossier, zonder dat de oorspronkelijke aantekening hoeft te worden gewijzigd. Deze uitgangspunten gelden eveneens voor het medisch dossier dat door een bedrijfsarts of arbo-arts in het kader van de verzuimbegeleiding wordt bijgehouden.

5.10 Klager heeft verzocht om rectificatie van de vermelding dat hij tijdens het consult van 3 oktober 2023 geen toestemming had gegeven voor het opvragen van medische informatie bij zijn psycholoog. De bedrijfsarts heeft naar aanleiding van dit verzoek navraag gedaan bij de arbo-arts. Deze heeft bevestigd dat de vermelding volgens hem overeenkwam met hetgeen tijdens het consult was besproken.
Klager heeft zich beroepen op een audio-opname en een door hem opgestelde transcriptie. De bedrijfsarts heeft hem verzocht de oorspronkelijke audio-opname beschikbaar te stellen. Volgens de stukken heeft zij deze opname niet ontvangen. Zonder objectieve aanwijzing dat de dossiervermelding feitelijk onjuist was, mocht de bedrijfsarts in beginsel uitgaan van de dossiernotitie en de toelichting van de arbo-arts. De vraag of de vermelding aan de werkgever mocht worden verstrekt, moet worden onderscheiden van de vraag of de registratie in het medisch dossier feitelijk onjuist was. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel e) Niet verstrekken van een volledig afschrift van het medisch dossier
5.11 Op grond van artikel 7:456 BW heeft een patiënt recht op inzage in en een afschrift van zijn medisch dossier. Een verzoek daartoe moet binnen een redelijke termijn worden afgehandeld. Voor een tuchtrechtelijk verwijt aan de bedrijfsarts moet kunnen worden vastgesteld dat zij persoonlijk bij de behandeling van het verzoek betrokken was of dat zij heeft nagelaten te handelen terwijl dit wel van haar mocht worden verwacht.

5.12 Klager heeft op 27 maart 2024 om een afschrift van zijn medisch dossier verzocht. Op 19 juni 2024 heeft een arboverpleegkundige van G een afschrift van het dossier aan klager verstrekt. De bedrijfsarts heeft verklaard dat zij het verzoek niet persoonlijk heeft ontvangen en niet bij de verstrekking van het dossier betrokken is geweest.
Uit de stukken kan niet worden vastgesteld dat het verzoek de bedrijfsarts heeft bereikt of dat zij de verstrekking heeft verhinderd of vertraagd. Daarbij neemt het college in aanmerking dat de voorzieningenrechter later geen aanwijzing heeft gezien dat G nog over aanvullende, niet aan klager verstrekte dossierstukken beschikte.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel f) Zonder aankondiging opstellen van een inzetbaarheidsprofiel (IZP)
5.13 Een arts moet de betrokkene op begrijpelijke wijze informeren over de aard en het doel van het onderzoek en over de wijze waarop de verkregen informatie wordt gebruikt. Dit volgt uit de algemene informatieplicht en de professionele zorgvuldigheidsnorm. Het in kaart brengen van de belastbaarheid en functionele mogelijkheden kan binnen de geldende voorwaarden aan een bekwame arbo-arts worden gedelegeerd.

5.14 De bedrijfsarts was niet aanwezig bij het consult van 3 oktober 2023 en heeft het IZP niet zelf opgesteld. Het afnemen van de anamnese en het in kaart brengen van de functionele mogelijkheden konden op grond van de supervisieovereenkomst aan de arbo-arts worden overgelaten. De arbo-arts werd voor deze werkzaamheden bekwaam geacht. Dat vooraf mogelijk onvoldoende aan klager is uitgelegd dat informatie werd verzameld voor een IZP en wat het doel daarvan was, kan onder deze omstandigheden niet persoonlijk aan de bedrijfsarts worden toegerekend. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel g) Niet aanpassen van de probleemanalyse
5.15 De bedrijfsarts is op grond van de Wet verbetering poortwachter en de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar verantwoordelijk voor het opstellen en – indien de medische of arbeidskundige situatie daartoe aanleiding geeft – actualiseren van de probleemanalyse. Daarbij moet de probleemanalyse een actueel en zorgvuldig beeld geven van de beperkingen, mogelijkheden en de te verwachten re-integratie. Niet iedere wijziging in de gezondheidstoestand of het inzicht in de belastbaarheid brengt echter mee dat een geheel nieuwe probleemanalyse moet worden opgesteld. Indien de relevante ontwikkelingen voldoende duidelijk blijken uit latere spreekuurverslagen, actueel belastbaarheidsadvies of andere medische rapportages, kan daarmee aan de verplichting tot actualisering zijn voldaan. Deze uitgangspunten gelden eveneens voor een arbo-arts die onder supervisie werkzaamheden verricht, waarbij de eindverantwoordelijkheid voor de probleemanalyse bij de superviserend bedrijfsarts blijft berusten.

5.16 Uit de stukken blijkt dat ontwikkelingen in de verzuimbegeleiding in vervolgadviezen en terugkoppelingen zijn vastgelegd. Niet is gebleken van een professionele norm op grond waarvan de oorspronkelijke probleemanalyse bij iedere wijziging opnieuw moest worden opgesteld. Evenmin blijkt dat de bedrijfsarts een rechtstreeks verzoek tot aanpassing heeft ontvangen of dat de arbo-arts haar hierover om overleg heeft gevraagd.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel h) Onzorgvuldige afhandeling van het verzoek om een second opinion
5.17 Op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 2.14d van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft een werknemer, onder de daarvoor geldende voorwaarden, recht op een second opinion door een onafhankelijke bedrijfsarts over het advies van de behandelend bedrijfsarts. Dit recht strekt ertoe de werknemer de mogelijkheid te bieden een onafhankelijk medisch oordeel te verkrijgen en het vertrouwen in de verzuimbegeleiding te bevorderen. De behandelend bedrijfsarts is verantwoordelijk voor een zorgvuldige behandeling van een verzoek om een second opinion. Dat brengt mee dat een dergelijk verzoek voortvarend wordt behandeld, dat de werknemer duidelijk wordt geïnformeerd over de procedure en dat de bedrijfsarts, indien zich belemmeringen voordoen, zich actief inspant om de second opinion alsnog doorgang te laten vinden of de werknemer daarover zorgvuldig te informeren. Deze verplichtingen zijn nader uitgewerkt in de NVAB-Leidraad Second Opinion Bedrijfsarts (2019).

5.18 Klager heeft op 5 maart 2024 om een second opinion verzocht. Vervolgens is een afspraak bij een andere arbodienst gemaakt. Deze afspraak is afgezegd en de second opinion heeft niet plaatsgevonden.
De bedrijfsarts heeft aangevoerd dat zij de second opinion heeft aangevraagd en niet verantwoordelijk was voor de afzegging. Haar verantwoordelijkheid eindigde echter niet bij het indienen van de aanvraag. Nadat duidelijk was geworden dat de second opinion niet doorging, had van haar mogen worden verwacht dat zij de voortgang bewaakte, navraag deed naar de reden van het uitblijven daarvan en zo nodig actie ondernam om alsnog een second opinion tot stand te brengen. Niet is gebleken dat zij dit heeft gedaan.
Het klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel i) Onzorgvuldige taakdelegatie en supervisie
5.19 Bij de beoordeling neemt het college het ten tijde van het verweten handelen geldende NVAB-standpunt Delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie van 14 april 2022 tot uitgangspunt. Daaruit volgt onder meer dat de taakverdeling, bevoegdheden en verantwoordelijkheden duidelijk moeten zijn vastgelegd, dat de arts die onder supervisie werkzaamheden verricht daarvoor voldoende bekwaam moet zijn en dat de bedrijfsarts voldoende bereikbaar moet zijn voor overleg en toezicht moet houden op de uitvoering. De intensiteit van de supervisie is mede afhankelijk van de ervaring en bekwaamheid van de arts en van de aard en complexiteit van de situatie. Voor de werknemer moet bovendien voldoende duidelijk zijn in welke hoedanigheid de arts optreedt en onder wiens supervisie hij werkzaam is.

5.20 Tussen de bedrijfsarts en de arbo-arts bestond een schriftelijke supervisieovereenkomst waarin een licht supervisieregime was vastgelegd. De daarin opgenomen taakverdeling en wijze van supervisie waren op zichzelf niet in strijd met de destijds geldende professionele uitgangspunten. Niet is gebleken dat de arbo-arts in algemene zin onvoldoende bekwaam was om de aan hem opgedragen werkzaamheden uit te voeren.

5.21 Het bestaan van een schriftelijke supervisieovereenkomst is echter niet voldoende. Van de bedrijfsarts mocht worden verwacht dat zij ook in de feitelijke uitvoering voldoende invulling gaf aan haar rol als supervisor en bereikbaar was voor overleg wanneer de aard of complexiteit van de situatie daartoe aanleiding gaf. Uit de stukken blijkt onvoldoende dat voor klager duidelijk was dat de arbo-arts onder supervisie werkte, wie de superviserend bedrijfsarts was en op welke wijze hij met haar in contact kon komen.
Verder blijkt dat de bedrijfsarts op verschillende momenten bij de begeleiding betrokken was en intern overleg met de arbo-arts heeft gevoerd. De situatie werd na het consult van 5 maart 2024 echter complexer door de ontstane problemen in de communicatie, de beëindiging dan wel opschorting van de begeleiding en het niet doorgaan van de door klager verzochte second opinion. Deze omstandigheden gaven aanleiding tot een actievere invulling van de supervisie. Niet is gebleken dat de bedrijfsarts voldoende heeft onderzocht of de begeleiding onder aangepaste voorwaarden kon worden voortgezet, dat zij heeft toegezien op een zorgvuldige overdracht of dat zij voldoende vervolg heeft gegeven aan het niet doorgaan van de second opinion.
Daarmee heeft de bedrijfsarts onvoldoende invulling gegeven aan haar verantwoordelijkheid als superviserend bedrijfsarts en is dit klachtonderdeel gegrond.

Klachtonderdeel j) Onvoldoende duidelijkheid over de functie van de arbo-arts
5.22 Een bedrijfsarts is op grond van de Wet BIG verantwoordelijk voor een zorgvuldige en transparante inrichting van de verzuimbegeleiding. Indien werkzaamheden worden verricht door een arbo-arts onder supervisie, moet voor de werknemer voldoende duidelijk zijn wie de begeleiding uitvoert, welke hoedanigheid deze zorgverlener heeft en dat de begeleiding plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van een superviserend bedrijfsarts. Dit volgt ook uit het NVAB-standpunt Delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie (2022).

5.23 Uit de stukken blijkt niet dat de arbo-arts de beschermde titel “bedrijfsarts” heeft gebruikt. In de uitnodigingen is hij als arbo-arts aangeduid. Dat onvoldoende kenbaar was dat de arbo-arts onder supervisie werkte en wie zijn supervisor was, is reeds beoordeeld bij klachtonderdeel i). Dit betekent niet dat sprake was van titelmisbruik. Voor zover dit klachtonderdeel tegen de bedrijfsarts is gericht, is het ongegrond.

Klachtonderdeel k) Niet handelen overeenkomstig de STECR-richtlijnen

5.24 Van een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts mag worden verwacht dat hij handelt overeenkomstig de voor de beroepsgroep geldende professionele standaard. Richtlijnen en werkwijzers van onder meer de STECR en de NVAB geven een belangrijke invulling aan die professionele standaard. Hoewel daarvan gemotiveerd kan worden afgeweken indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, dient een dergelijke afwijking zorgvuldig te worden gemotiveerd en in het dossier kenbaar te zijn. De toepassing daarvan is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval.

5.25 Uit de stukken blijkt dat het arbeidsconflict tijdens het eerste gesprek bij G fis onderkend. Vervolgens is geadviseerd de mediation voort te zetten en geen werkzaamheden te verrichten. Nadat de mediation zonder resultaat was beëindigd, is geadviseerd de mogelijkheden binnen het tweede spoor te onderzoeken.
Klager heeft onvoldoende geconcretiseerd welke specifieke bepaling of professionele norm door de bedrijfsarts is geschonden en welk persoonlijk handelen of nalaten haar in dit verband wordt verweten. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel l) Onzorgvuldige klachtafhandeling
5.26 Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moet een zorgaanbieder beschikken over een effectieve en laagdrempelige regeling voor de behandeling van klachten. Bij de beoordeling van de wijze waarop de bedrijfsarts zelf op de klacht heeft gereageerd, zijn daarnaast de algemene professionele zorgvuldigheidsnorm en de omstandigheden van het concrete geval van belang. Een persoonlijk gesprek is niet in alle gevallen vereist. De aard en inhoud van een klacht en herhaalde verzoeken van een klager om zijn standpunt mondeling toe te lichten, kunnen echter meebrengen dat van de betrokken zorgverlener mag worden verwacht dat deze onderzoekt of een gesprek kan bijdragen aan verduidelijking van de klacht en herstel van het vertrouwen.

5.27 De bedrijfsarts heeft naar aanleiding van de klacht van klager navraag gedaan bij de arbo-arts. Ook heeft zij klager verzocht de oorspronkelijke audio-opname beschikbaar te stellen en hem een machtigingsformulier toegezonden, zodat alsnog informatie bij de behandelaar kon worden opgevraagd.
De bedrijfsarts heeft het verzoek van klager om persoonlijk te worden gehoord niet gehonoreerd en hem verwezen naar de formele klachten- en geschillenprocedure. Ter zitting heeft zij erkend dat het achteraf bezien beter zou zijn geweest om met klager in gesprek te gaan en dat haar benadering mogelijk te formeel is geweest.
Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts onvoldoende recht heeft gedaan aan het doel van een laagdrempelige klachtenprocedure. Door geen persoonlijk gesprek met klager te voeren en onvoldoende hoor en wederhoor toe te passen, is een mogelijkheid gemist om de achtergrond van de klacht te verduidelijken en de ontstane onvrede mogelijk weg te nemen.
Het klachtonderdeel is gegrond.

Slotsom
5.28 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen a), h), i) en l) gegrond zijn. De klachtonderdelen b), c), d), e), f), g), j) en k) zijn ongegrond.
De schriftelijke supervisieovereenkomst was op zichzelf toereikend. De gegrondverklaring ziet met name op de wijze waarop de bedrijfsarts in de praktijk invulling heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid als supervisor, waaronder haar handelen na het consult van 5 maart 2024, de voortgang van de second opinion, de kenbaarheid van de supervisieverhouding, haar bereikbaarheid en de behandeling van de klacht van klager.

Maatregel
5.29 Nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, moet het college beoordelen welke maatregel passend en geboden is. Het college concludeert tot oplegging van de maatregel van berisping. Ter toelichting dient het volgende.


5.30 De gegrond verklaarde klachtonderdelen raken meerdere wezenlijke aspecten van de verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts als superviserend bedrijfsarts. De tekortkomingen staan niet op zichzelf, maar laten in onderlinge samenhang zien dat de bedrijfsarts op meerdere relevante momenten onvoldoende actief invulling heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid als superviserend bedrijfsarts. Van haar mocht worden verwacht dat zij voldoende bereikbaar was, de voortgang en continuïteit van de begeleiding bewaakte en waar nodig zelfstandig en tijdig ingreep. Dat tussen de bedrijfsarts en de arbo-arts een schriftelijke supervisieovereenkomst bestond en dat de taakdelegatie op papier toereikend was ingericht, maakt dit niet anders. Een supervisieovereenkomst moet ook in de praktijk op voldoende zorgvuldige en kenbare wijze worden uitgevoerd.

5.31 Het college weegt mee dat de bedrijfsarts bij een aantal van de verweten gedragingen niet rechtstreeks betrokken is geweest en dat verschillende klachtonderdelen ongegrond zijn verklaard. Ook neemt het college in aanmerking dat de bedrijfsarts op de zitting heeft gereflecteerd op haar handelen. Zij heeft erkend dat haar benadering bij de klachtafhandeling mogelijk te formeel is geweest en dat het achteraf bezien beter zou zijn geweest om met klager in gesprek te gaan.

5.32 Daar staat tegenover dat de gegrond verklaarde klachtonderdelen betrekking hebben op meerdere essentiële onderdelen van de verzuimbegeleiding en op de kern van de superviserende verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts. De tekortkomingen zien direct op de kenbaarheid van de supervisieverhouding, de bereikbaarheid van de bedrijfsarts, de voortgang van de second opinion, de continuïteit van de begeleiding en de mogelijkheid om de ontstane problemen door middel van persoonlijk contact en de-escalatie op te lossen. Het college heeft niet de indruk dat de bedrijfsarts zich ook voldoende rekenschap heeft gegeven van haar vitale rol bij deze basiselementen van een zorgvuldige verzuimbegeleiding, van de negatieve impact van haar eigen handelen en nalaten bij de vervulling van die rol en de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid daarvan, zoals dit alles is vastgesteld in deze uitspraak.

5.33 Gelet op de aard, de ernst en de samenhang van de gegrond verklaarde klachtonderdelen en de overige omstandigheden van het geval, is het college van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is.


Publicatie
5.34 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere bedrijfsartsen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
• verklaart de klachtonderdelen a), h), i), en l) gegrond;
• legt de bedrijfsarts de maatregel van een berisping op;
• verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
• bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde (TBV) en Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door P.J. van Eekeren, voorzitter, L.W.M. Creemers, lid-jurist, R.P. van Straaten, E. Gorissen en M. Prenger, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door H.S.S. Isfour, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026.