ECLI:NL:TADRAMS:2026:174 Raad van Discipline Amsterdam 26-582/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:174
Datum uitspraak: 17-08-2026
Datum publicatie: 21-08-2026
Zaaknummer(s): 26-582/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in familierechtkwestie. Het stond verweerster in het belang van haar cliënte en op grond van de beschikbare informatie vrij om het OTS-verzoek en het verzoek van een RvdK-onderzoek in te dienen. De omstandigheid dat de rechtbank deze verzoeken heeft afgewezen, betekent niet dat verweerster door de indiening van deze verzoeken klachtwaardig heeft gehandeld. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam

van 17 augustus 2026 
in de zaak 26-582/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 9 juli 2026 met kenmerk 2534834/EvR/JN, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager en zijn ex-partner hebben verschillende procedures tegen elkaar gevoerd, onder meer over de zorgregeling, vakanties, reizen naar het buitenland en paspoorten ten aanzien van hun twee minderjarige kinderen. Verweerster staat de ex-partner van klager hierin bij.
1.2    Op 13 juni 2023 heeft de ex-partner van klager een melding gedaan bij Veilig Thuis. De politie heeft op 3 april 2024 een melding bij Veilig Thuis gedaan. 
1.3    Op 25 juli 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager, zijn ex-partner en een Beschermingstafel. Tijdens dat gesprek zijn afspraken gemaakt over hulpverlening en communicatie.
1.4    Op 10 september 2024 heeft de Beschermingstafel geadviseerd dat de kinderen met een kindbehartiger praten en dat partijen een mediationtraject starten om te werken aan hun onderlinge verhouding en aanpassing van het ouderschapsplan.
1.5    Op 3 oktober 2024 heeft Veilig Thuis het onderzoek naar de meldingen afgerond en het dossier gesloten. Veilig Thuis heeft vastgesteld dat het partijen niet lukte om met behulp van mediation overeenstemming te bereiken over regelzaken rondom de opvoeding van hun kinderen. Veilig Thuis heeft geadviseerd:
‘om contact op te nemen met een advocaat om de geschillen op te lossen met elkaar en er mogelijk ook een gezag en omgangsonderzoek verricht kan worden door de Raad voor de Kinderbescherming. Indien nodig kan de Raad voor de Kinderbescherming besluiten dit uit te breiden naar een beschermingsonderzoek, dat doen zij echter alleen als zij daar voldoende aanleiding voor hebben.’
1.6    Op 19 oktober 2024 heeft klager bij de deken een klacht over verweerster ingediend, bekend onder kenmerk 25-279/A/A. Klager verweet verweerster in deze klacht dat zij door niet te reageren op twee e-mails van september en oktober 2024 het conflict onnodig heeft geëscaleerd en hem onnodig op kosten heeft gejaagd omdat klager een kort geding heeft moeten starten voor vervangende toestemming voor de vakantie met de kinderen. De raad van discipline Amsterdam heeft deze klacht op 6 oktober 2025 gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel aan verweerster.

1.7    Begin november 2024 is klager, naar aanleiding van geschillen over toestemming voor reizen en vakanties, een kort geding tegen zijn ex-partner gestart. Verweerster heeft namens de ex-partner van klager een conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties ingediend. Op 27 november 2024 heeft de voorzieningenrechter de vordering van klager toegewezen en de vorderingen van de ex-partner van klager in reconventie afgewezen vanwege een gebrek aan belang.

1.8    Op 1 november 2024 heeft verweerster in de bodemprocedure namens de ex-partner van klager een aanvullend verzoekschrift met producties ingediend. Daarbij heeft verweerster verzocht een ondertoezichtstelling (hierna: OTS) uit te spreken dan wel een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) te gelasten. De rechtbank heeft deze aanvullende verzoeken op 20 december 2024 afgewezen en geoordeeld dat geen grond bestaat voor het uitspreken van een OTS of het gelasten van een RvdK-onderzoek.

1.9    Op 14 november 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerster ingediend.


2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
a)    verweerster heeft zonder feitelijke of juridische onderbouwing zware  kinderbeschermingsmaatregelen (OTS/RvdK-onderzoek) als verzoek in een civiele procedure ingediend. Daarmee heeft verweerster kinderbeschermingsinstrumenten gebruikt als drukmiddel;
b)    verweerster heeft nagelaten om feiten op juistheid te controleren ondanks duidelijke conclusies van Veilig Thuis;
c)    verweerster heeft het door klager gestarte kort geding over toestemming voor reizen en vakanties met de kinderen onnodig en misleidend verzwaard met irrelevante ‘zorgen’;
d)    verweerster heeft geen professionele distantie gehouden ten opzichte van haar cliënte;
e)    verweerster heeft haar de-escalatieplicht geschonden
f)    en daarmee heeft verweerster de kinderen van partijen onnodig belast.
2.2    De voorzitter zal bij de beoordeling ingaan op de klachtonderdelen. 

3    VERWEER
3.1    Verweerster voert verweer tegen de klacht. Verweerster doet allereerst een beroep op niet-ontvankelijkheid van de klacht vanwege ne bis in idem. Volgens verweerster zijn de gedragingen die klager haar nu verwijt al onderdeel geweest van de eerdere klacht waar de raad van discipline Amsterdam op 6 oktober 2025 al op heeft beslist.
3.2    Inhoudelijk betwist verweerster dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband  verwijst  verweerster naar  de informatie van Veilig Thuis. De Beschermingstafel en de RvdK benoemen  dat er zorgen bestonden over de kinderen van partijen en dat het partijen niet lukte om de problematiek gezamenlijk op te lossen. Volgens verweerster zijn deze verzoeken niet als drukmiddel ingezet en mocht zij afgaan op de informatie van haar cliënte. Zij was niet gehouden om die informatie te verifiëren, aldus verweerster.
Verder merkt verweerster op dat het indienen van stukken in het door klager gestarte kort geding gebruikelijk en niet klachtwaardig is. De uit de bodemprocedure overgelegde stukken waren volgens verweerster relevant voor de beoordeling in het kort geding. Daarbij wijst verweerster erop dat zij zelf niet aanwezig was bij de zitting van het kort geding en dat het onduidelijk is hoe zij het kort geding onnodig en misleidend zou hebben verzwaard met irrelevante zorgen.
Daarnaast betwist verweerster dat zij zich met haar cliënte heeft vereenzelvigd, onvoldoende professionele distantie heeft gehouden of het conflict tussen partijen heeft geëscaleerd. Volgens verweerster wilde klager eerst niet meewerken aan de benoeming van een kindbehartiger en heeft zij de rechtbank daarom verzocht een bijzonder curator te benoemen. Verweerster merkt op dat dit verzoek is ingetrokken nadat klager  alsnog  heeft meegewerkt aan de benoeming van een kindbehartiger. 
Tot slot betwist verweerster dat de kinderen van partijen door haar handelen onnodig zijn belast. 
3.3    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Ontvankelijkheid
4.1    Voordat de voorzitter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht moet de voorzitter, gelet op het verweer maar ook ambtshalve, eerst beoordelen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. 
4.2    In het tuchtrecht geldt het zogenaamde ‘ne bis in idem-beginsel’, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
4.3    Verder moeten klachten over het optreden van een advocaat zoveel mogelijk worden gebundeld om te voorkomen dat voor iedere gedraging binnen hetzelfde feitencomplex steeds aparte tuchtprocedures moeten worden gevoerd. Het indienen van een opvolgende klacht kan in zo’n situatie in strijd komen met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde (zie HvD 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111).
4.4    De voorzitter stelt vast dat de verwijten die klager verweerster maakt over hetzelfde feitencomplex gaan (procedures over de zorgregeling en vakanties ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen), maar dat de gedragingen waar klager in deze klacht over klaagt niet dezelfde zijn als de gedragingen waarover de raad in zijn beslissing van 6 oktober 2025 over heeft geoordeeld. In de vorige klacht ging het om escalerend optreden van verweerster door niet te reageren op twee e-mails, terwijl het in de huidige klacht gaat over het optreden van verweerster in een kort geding en een bodemprocedure in november 2024. De klacht is in dit geval daarom ontvankelijk, maar klager dient er rekening mee te houden dat als hij hierna opnieuw een klacht over verweerster indient naar aanleiding van procedures tegen zijn ex-partner over hun minderjarige kinderen, de nieuwe klacht in strijd kan zijn met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde. 
Toetsingskader
4.5    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in art. 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.6    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 
Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
–   het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
–   het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
–   het verloop van het geschil tot dan toe en
–   de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdelen a) en b zijn kennelijk ongegrond
4.7    De voorzitter stelt voorop dat in deze klachtprocedure geen ruimte is voor een inhoudelijke beoordeling van de achterliggende geschillen tussen klager en zijn ex-partner over de zorg voor hun kinderen. Waar klager in zijn stukken uitgebreid op de problematiek en de betrokkenheid van verschillende instanties ingaat, kan de voorzitter daar in het kader van de beoordeling van de verwijten die hij verweerster maakt dus niet op ingaan. 
4.8    Klachtonderdelen a) en b) gaan over het onderzoek van Veilig Thuis en de daarmee samenhangende verzoeken om OTS en een RvdK-onderzoek. De voorzitter zal deze onderdelen van de klacht daarom gezamenlijk beoordelen.
4.9    De voorzitter oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door in de bodemprocedure in november 2024 een OTS-verzoek en een verzoek om een RvdK-onderzoek bij de rechtbank in te dienen. Het stond verweerster in het belang van haar cliënte en op grond van de beschikbare informatie van de Beschermingstafel en Veilig Thuis vrij om deze verzoeken in te dienen. De omstandigheid dat de rechtbank deze verzoeken heeft afgewezen, betekent niet dat verweerster door de indiening van deze verzoeken klachtwaardig heeft gehandeld. Het is duidelijk dat klager het niet met deze verzoeken eens is, maar dat betekent evenmin dat verweerster klachtwaardig heeft gehandeld door de verzoeken in te dienen. Van het bewust inzetten van deze verzoeken als drukmiddel is de voorzitter niet gebleken en daar zijn in het dossier ook geen  aanknopingspunten voor te vinden. Daarnaast mocht verweerster bij de indiening van deze verzoeken ook afgaan op de informatie die zij van haar cliënte kreeg. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerster deze informatie had moeten verifiëren, is de voorzitter uit het klachtdossier niet gebleken. Klachtonderdelen a) en b) zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond
4.10    De voorzitter kan niet vaststellen dat verweerster het in november 2024 door klager gestarte kort geding onnodig en misleidend heeft verzwaard met irrelevante zorgen. Het stond verweerster vrij om namens en in overleg met haar cliënte verweer te voeren op een wijze die zij in het belang van haar cliënte achtte en om daarbij de stukken in te dienen die zij van belang vond. De omstandigheid dat klager het hier niet mee eens is en dat hij de handelwijze van verweerster in het kort geding als onnodig, misleidend en irrelevant kwalificeert, betekent niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond
4.11    De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerster ten opzichte van haar cliënte onvoldoende professionele distantie heeft gehouden. Verweerster is de advocaat van de wederpartij van klager en zij is gehouden om partijdig te zijn bij de behartiging van de belangen van haar cliënte. Tegelijkertijd dient verweerster als advocaat de standpunten van haar cliënte van een professioneel juridisch filter te voorzien en ten opzichte van haar cliënte en van het geschil onafhankelijk te blijven. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat verweerster in dit opzicht op enigerlei wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het is duidelijk dat klager daar anders over denkt, maar dat betekent niet dat verweerster iets te verwijten valt. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdelen e) en f) zijn kennelijk ongegrond
4.12    De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerster het tussen klager en zijn ex-partner bestaande conflict over hun kinderen door haar optreden heeft geëscaleerd. Verweerster heeft toegelicht dat zij de rechtbank heeft verzocht een bijzonder curator voor de kinderen te benoemen omdat klager aanvankelijk niet wilde meewerken aan de benoeming van een kindbehartiger, maar dat zij dat verzoek heeft ingetrokken nadat bleek dat klager alsnog wilde meewerken. In deze gang van zaken ziet de voorzitter geen escalatie.  Het stond verweerster vrij om in het belang van haar cliënte zo te handelen. Het zou kunnen dat klager het met deze gang van zaken niet eens is, maar dat leidt niet meteen tot de conclusie dat verweerster tuchtrechtelijk over de schreef is gegaan. Tot slot is het de voorzitter niet gebleken dat het aan verweerster te wijten is dat de kinderen van klager en zijn ex-partner onnodig belast zijn en dat zij, zoals door klager gesteld, stress en spanningsklachten hebben ontwikkeld. Het zijn klager en zijn ex-partner die procedures tegen elkaar voeren over de zorg voor en de vakanties met hun kinderen, niet de daarbij betrokken advocaten. Klachtonderdelen e) en f) zijn kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.13    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond;

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door  
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.

Griffier                                           Voorzitter


Verzonden op: 17 augustus 2026