ECLI:NL:TGZRAMS:2026:202 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9215

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:202
Datum uitspraak: 21-08-2026
Datum publicatie: 21-08-2026
Zaaknummer(s): A2025/9215
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een arbo-arts. Klager is tijdens zijn arbeidsongeschiktheid begeleid door de arbo-arts, die als basisarts onder supervisie van een bedrijfsarts werkzaam was. De klachtonderdelen over beëindiging van de begeleidingsrelatie, informatieverstrekking aan de werkgever, de beoordeling van de belastbaarheid, de omgang met een verzoek om second opinion en werken onder supervisie zijn gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond. Berisping opgelegd.

A2025/9215
Beslissing van 21 augustus 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 21 augustus 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klager,

tegen

C,
arts,
(destijds) werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de arbo-arts,
gemachtigde: mr. N.J.I.A. Nuijten, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1
Klager is tijdens zijn arbeidsongeschiktheid begeleid door de arbo-arts, die als basisarts onder supervisie van een bedrijfsarts werkzaam was. De klacht gaat onder meer over de verzuimbegeleiding, de informatieverstrekking aan de werkgever, de advisering over de belastbaarheid, de omgang met een verzoek om een second opinion en het werken onder supervisie.

1.2
De arbo-arts heeft de klachten bestreden en aangevoerd dat hij zorgvuldig en binnen de afspraken over supervisie heeft gehandeld.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en legt de arbo-arts de maatregel van berisping op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1
Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 november 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de door klager overgelegde stukken, waaronder geluidsopnamen, ontvangen op 30 maart 2026 en 18 mei 2026;
- een aanvullende productie nummer 5 betreft de getekende supervisieovereenkomst van 1 januari 2023, ontvangen op 3 april 2026;
- de aanvullende bijlage 32, bestaande uit een brief van de werkgever van klager van
september 2023, ontvangen op 17 juni 2026;
- het verzoek van klager om de mondelinge behandeling achter gesloten deuren te laten plaatsvinden, ontvangen op 23 juni 2026 (en ter zitting ingetrokken).

2.2
De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt nadat klager had meegedeeld daarvan af te zien.

2.3
De zaak is behandeld op de openbare zitting van 10 juli 2026, gelijktijdig maar niet gevoegd met een klacht tegen de betrokken bedrijfsarts (zaaknummer A2025/9216). De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De gemachtigde van klager heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

3. Wat is er gebeurd?
3.1
Klager is sinds mei 2004 werkzaam geweest bij E in D, laatstelijk in de functie van receiving clerk.

3.2
Klager is van 11 oktober 2019 tot 6 oktober 2021 uitgevallen wegens een longembolie met chronische klachten. In die periode is tussen klager en zijn werkgever een geschil ontstaan over de re-integratie.

3.3
Op 22 september 2022 heeft klager zich opnieuw ziekgemeld. De werkgever heeft voor de verzuimbegeleiding aanvankelijk F ingeschakeld.

3.4
In januari 2023 heeft een bedrijfsarts van F een probleemanalyse opgesteld.

3.5
In juli 2023 heeft de werkgever de verzuimbegeleiding ondergebracht bij G (hierna: arbodienst). Het dossier van klager is in het kader van deze overgang aan de arbodienst overgedragen.

3.6
Verweerder was ten tijde van de gebeurtenissen als arts werkzaam bij G en verrichtte werkzaamheden in het kader van de verzuimbegeleiding.

3.7
Verweerder verrichtte zijn werkzaamheden als arbo-arts onder supervisie van een geregistreerd bedrijfsarts (hierna: de bedrijfsarts). Tussen verweerder en de bedrijfsarts bestond een schriftelijke supervisieovereenkomst, waarin een zogenoemd ‘licht supervisieregime’ was vastgelegd, omdat de arbo-arts op basis van diens kennis, ervaring en bekwaamheid in staat werd geacht grotendeels zelfstandig te functioneren.

3.8
Op 7 augustus 2023 heeft klager bij G een eerste gesprek gehad met een arboverpleegkundige. In het medisch dossier is vermeld dat sprake was van ziekte en een arbeidsconflict, en dat mediation zou worden ingezet.


3.9
Op 3 oktober 2023 heeft klager een consult gehad met de arbo-arts. In het medisch dossier zijn onder meer klachten vermeld van slecht slapen, prikkelbaarheid, nachtmerries, verminderde concentratie en vermoeidheid. Ook is vastgelegd dat klager onder behandeling was van een psycholoog. Ten behoeve van een arbeidsdeskundig onderzoek is een Inzetbaarheidsprofiel (IZP) opgesteld.

3.10
Naar aanleiding van het consult van 3 oktober 2023 is in het medisch dossier vastgelegd dat klager geen toestemming had gegeven voor het opvragen van medische informatie bij zijn psycholoog. Klager heeft de juistheid van deze vermelding betwist.

3.11
In de terugkoppeling van 3 oktober 2023 aan de werkgever is vermeld dat klager geen toestemming had gegeven voor het opvragen van informatie bij zijn behandelaar. Verder is vermeld dat klager op dat moment geen werkzaamheden kon verrichten, dat een mediationtraject was gestart en dat geadviseerd is deze mediation voort te zetten.

3.12
Op 9 oktober 2023 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de vermelding dat hij geen toestemming had gegeven voor het opvragen van medische informatie bij zijn psycholoog. Klager heeft tevens verzocht om verdere begeleiding door een andere arts.

3.13
In een interne e-mail van 9 oktober 2023 heeft de arbo-arts vermeld dat met klager was besproken dat hij toestemming voor het opvragen van medische informatie mocht weigeren en dat een weigering in de terugkoppeling aan de werkgever zou worden vermeld.

3.14
Op 10 oktober 2023 heeft klager bij G een klacht ingediend over de verslaglegging van het consult van 3 oktober 2023. Klager stelde zich op het standpunt dat ten onrechte was vastgelegd dat hij geen toestemming had gegeven voor het opvragen van medische informatie bij zijn behandelaar en verzocht om correctie van deze vermelding.

3.15
Op 23 oktober 2023 heeft de bedrijfsarts schriftelijk op de klacht gereageerd. Zij is daarbij uitgegaan van de informatie van de arbo-arts en de aantekening in het medisch dossier. De bedrijfsarts heeft klager een machtigingsformulier toegezonden voor het opvragen van medische informatie bij zijn behandelaar. Zij heeft klager tevens meegedeeld dat hij zich, indien hij niet tevreden was met de afhandeling van zijn klacht, tot een onafhankelijke geschillencommissie kon wenden.

3.16
Op 24 oktober 2023 heeft klager aan de managementassistente van G meegedeeld dat hij niet tevreden was met de schriftelijke reactie en dat hij in het kader van de klachtafhandeling persoonlijk wilde worden gehoord.

3.17
Op 27 oktober 2023 heeft de bedrijfsarts op het verzoek van klager gereageerd. Zij heeft klager verzocht de oorspronkelijke geluidsopname van het consult van 3 oktober 2023 uiterlijk op 3 november 2023 beschikbaar te stellen, waarna zijn verzoek verder in behandeling zou worden genomen.


3.18
Op 29 oktober 2023 heeft klager meegedeeld dat hij de geluidsopname tijdens een gesprek wilde laten beluisteren en dat hij in het kader van de klachtafhandeling wilde worden gehoord. Op 10 november 2023 heeft klager dit verzoek herhaald. De bedrijfsarts heeft diezelfde dag verwezen naar haar e-mail van 27 oktober 2023.

3.19
Op 28 november 2023 heeft klager opnieuw een consult gehad met de arbo-arts. In het medisch dossier is vastgelegd dat de mediation nog liep. Het eerdere advies om geen werkzaamheden te verrichten en de mediation voort te zetten, is gehandhaafd.

3.20
Tijdens dit consult heeft klager toestemming gegeven voor het opvragen van medische informatie bij zijn psycholoog. Klager heeft de terugkoppeling van 3 oktober 2023 opnieuw aan de orde gesteld en verzocht deze aan te passen. De arbo-arts heeft de terugkoppeling niet gewijzigd, omdat deze volgens hem overeenkwam met hetgeen tijdens het consult van 3 oktober 2023 was besproken.

3.21
Klager heeft meegedeeld dat hij van het consult van 3 oktober 2023 met zijn telefoon een geluidsopname had gemaakt. Volgens de arbo-arts heeft hij voorgesteld de geluidsopname te beluisteren. De oorspronkelijke geluidsopname is tijdens het consult niet beluisterd.

3.22
Op 29 november 2023 heeft klager opnieuw verzocht om een gesprek waarbij de geluidsopname in aanwezigheid van de arbo-arts kon worden beluisterd. Op 4 december 2023 heeft hij dit verzoek herhaald. De bedrijfsarts heeft op 11 december 2023 opnieuw verwezen naar haar e-mail van 27 oktober 2023. Een persoonlijk gesprek tussen klager en de bedrijfsarts heeft niet plaatsgevonden.

3.23
Op 23 december 2023 is een arbeidsdeskundig rapport uitgebracht. Daarin is geconcludeerd dat er voor klager geen mogelijkheden waren om werkzaamheden bij zijn eigen werkgever te hervatten. Geadviseerd is een tweede-spoortraject te starten.

3.24
Op 6 februari 2024 heeft klager opnieuw een consult gehad met de arbo-arts. De mediation was inmiddels zonder resultaat beëindigd. De arbo-arts heeft geadviseerd te starten met het tweede spoor, in eerste instantie met de oriëntatiefase.

3.25
In februari 2024 heeft binnen G overleg plaatsgevonden tussen de casemanager, de bedrijfsarts en de arbo-arts over de belastbaarheid van klager in het kader van de oriëntatiefase van het tweede spoor. Daarbij is besproken dat klager gedurende twintig uur per week belastbaar werd geacht voor activiteiten in het kader van deze oriëntatiefase. Volgens de arbo-arts hield deze beoordeling niet in dat klager in staat werd geacht twintig uur per week reguliere werkzaamheden te verrichten.

3.26
Op 13 februari 2024 is aan de werkgever meegedeeld dat klager gedurende twintig
uur per week kon starten met re-integratieactiviteiten in het kader van de oriëntatiefase van het tweede spoor. Deze beoordeling was op dat moment nog niet tijdens een consult met klager besproken.

3.27
Op 5 maart 2024 heeft klager opnieuw een consult gehad met de arbo-arts. Tijdens dit consult heeft de arbo-arts met klager besproken dat hij voor 20 uur per week inzetbaar werd geacht voor activiteiten in het kader van het tweede spoor. Klager kon zich met deze belastbaarheidsinschatting niet verenigen. In oktober 2023 zijn in het kader van het opstellen van een IZP reeds gegevens over de belastbaarheid en functionele mogelijkheden van klager vastgelegd. Klager heeft bezwaar gemaakt tegen de inhoud en verwerking van deze gegevens en heeft om inzage in en een afschrift van zijn medisch dossier verzocht.

3.28
Tijdens het consult van 5 maart 2024 is de communicatie tussen klager en de arbo-arts moeizaam verlopen. De arbo-arts heeft zich op het standpunt gesteld dat klager zich tijdens het consult agressief heeft gedragen en heeft verklaard dat hij zich door het gedrag van klager onveilig heeft gevoeld. Klager heeft betwist dat hij de arbo-arts heeft bedreigd of zich agressief heeft gedragen.

3.29
Van het consult van 5 maart 2024 is een door klager gemaakte geluidsopname beschikbaar. Daarop is te horen dat klager tijdens het gesprek op momenten zijn stem heeft verheven.

3.30
Op 5 maart 2024 heeft klager verzocht om een second opinion. In verband daarmee is hij verwezen naar H (hierna: H).

3.31
Uit het medisch dossier blijkt dat klager op 11 maart 2024 is uitgenodigd voor een gesprek bij H in het kader van de door hem verzochte second opinion. Op 12 maart 2024 heeft een doktersassistente de afspraak geannuleerd. Bij schrijven van 14 maart 2024 heeft H aan klager meegedeeld dat de afspraak op verzoek van de arbodienst was geannuleerd. De second opinion heeft niet plaatsgevonden. Uit de stukken blijkt niet dat daarna een nieuwe afspraak is gemaakt.

3.32
Op 5 maart 2024 heeft de arbo-arts een terugkoppeling over het consult opgesteld. Deze is op 11 maart 2024 aan de werkgever verzonden. In de terugkoppeling is informatie opgenomen over het verloop van de communicatie tijdens het consult.

3.33
Na het consult van 5 maart 2024 is de begeleiding van klager door de arbo-arts niet voortgezet.

3.34
Op 19 maart 2024 heeft de arbodienst een Formal Statement aan de werkgever verstrekt. Daarin heeft de arbodienst vermeld dat sprake was van ongewenst en onaanvaardbaar gedrag van klager, waaronder het ter discussie stellen van medewerkers en hun handelen, klachten, intimidatie en verbale dan wel non-verbale bedreiging. De
arbodienst heeft om die reden de dienstverlening aan klager met onmiddellijke ingang beëindigd en hem de toegang tot haar locaties ontzegd.

3.35
Bij brief van 22 maart 2024 heeft de werkgever de loonbetaling aan klager met ingang van die datum opgeschort.

3.36
Bij brief van 27 maart 2024 heeft de gemachtigde van klager de bedrijfsarts opnieuw verzocht klager in het kader van de klachtafhandeling te horen. Daarbij is verzocht binnen veertien dagen meerdere data voor een gesprek voor te stellen. In de brief is vermeld dat klager de geluidsopname van het consult van 3 oktober 2023 tijdens het gesprek wilde laten beluisteren en dat de arbo-arts bereid was daarbij aanwezig te zijn. Tevens is verzocht om verstrekking van een volledig afschrift van het medisch dossier.

3.37
Naar aanleiding van de verzoeken van klager van 24 en 29 oktober 2023, 10 en 29 november 2023 en 4 december 2023 en de brief van zijn gemachtigde van 27 maart 2024 heeft geen persoonlijk gesprek tussen klager en de bedrijfsarts plaatsgevonden. De klacht is schriftelijk afgehandeld. In haar brief van 23 oktober 2023 heeft de bedrijfsarts klager gewezen op de mogelijkheid zich tot een onafhankelijke geschillencommissie te wenden.

3.38
Op 19 juni 2024 heeft een arboverpleegkundige van de arbodienst aan klager een afschrift van zijn medisch dossier verstrekt. De verstrekking is in het medisch dossier vastgelegd.

3.39
Op 8 juli 2024 heeft I klager uitgenodigd voor een fysiek spreekuur bij een bedrijfsarts van I op 10 juli 2024 om 10.15 uur. In de uitnodiging is vermeld dat de werkgever van de uitnodiging op de hoogte was en daarvan een afschrift ontving.

3.40
Op 9 juli 2024 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen klager en de bedrijfsarts van I. Naar aanleiding daarvan heeft klager diezelfde dag per e-mail aan I meegedeeld dat volgens hem onduidelijkheid bestond over de aard en het tijdstip van het consult. Klager heeft daarbij vermeld dat hij ervan uitging dat het fysieke consult was gewijzigd in een telefonisch consult op 9 juli 2024 en dat hij op 10 juli 2024 al afspraken had bij zijn psycholoog en longarts.

3.41
Op 10 juli 2024 is een schriftelijke terugkoppeling aan de werkgever verstrekt. Daarin is vermeld dat klager niet op het spreekuur was verschenen. De werkgever is geadviseerd contact met klager op te nemen om uitleg te vragen.

3.42
Bij vonnis van 7 november 2024 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de werkgever klager voorafgaand aan de loonopschorting niet had gewaarschuwd en dat de loonopschorting daarom niet rechtsgeldig was. De kantonrechter heeft de werkgever veroordeeld tot betaling van het achterstallige salaris vanaf 22 maart 2024.


3.43
Bij brief van 6 mei 2025 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst met klager wegens langdurige arbeidsongeschiktheid opgezegd.

3.44
Tussen klager en G is een geschil ontstaan over de volledigheid van het aan klager verstrekte medisch dossier en over de vraag of G nog over aanvullende, niet aan klager verstrekte dossierstukken beschikte.

3.45
Bij vonnis van 17 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank B geoordeeld dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat G nog over aanvullende, niet aan klager verstrekte informatie beschikte. De vorderingen van klager zijn afgewezen.

3.46
Op 5 november 2025 heeft klager bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg afzonderlijke tuchtklachten ingediend tegen de bedrijfsarts en de arbo-arts. De klacht tegen de bedrijfsarts is geregistreerd onder zaaknummer A2025/9216.

3.47
Bij brief van 11 april 2026 heeft de bedrijfsarts van I over de gebeurtenissen in juli 2024 meegedeeld dat hij klager op 9 juli 2024 telefonisch had gesproken nadat G hem had verzocht de begeleiding van klager over te nemen. Volgens deze brief heeft de bedrijfsarts zich tijdens het telefoongesprek aan klager voorgesteld en zijn voornemen toegelicht om de begeleiding over te nemen, zonder inhoudelijk op de verzuimbegeleiding in te gaan.

3.48
In dezelfde brief van 11 april 2026 heeft de bedrijfsarts van I meegedeeld dat het telefoongesprek van 9 juli 2024 zijn enige gesprek met klager is geweest, dat hij de opdracht van G uiteindelijk niet heeft aanvaard en dat hij klager niet als bedrijfsarts in begeleiding heeft genomen. Verder heeft hij meegedeeld niet over een dossier van klager te beschikken.

4. De klacht en de reactie van de arbo-arts
4.1
Klager verwijt de arbo-arts dat hij:
a) de behandelrelatie heeft beëindigd;
b) het medisch beroepsgeheim heeft geschonden en onjuiste informatie met de werkgever heeft gedeeld;
c) een onjuist en onzorgvuldig advies heeft gegeven;
d) heeft geweigerd gegevens in het medisch dossier te rectificeren;
e) heeft geweigerd een volledig afschrift van het medisch dossier te verstrekken;
f) zonder voorafgaande aankondiging een inzetbaarheidsprofiel (IZP) heeft opgesteld dan wel laten opstellen;
g) de probleemanalyse niet heeft aangepast;
h) het verzoek om een second opinion niet zorgvuldig heeft afgehandeld;
i) zijn werkzaamheden in het kader van de taakdelegatie en supervisie onvoldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd;
j) onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn functie en positie als arbo-arts en over het feit dat hij onder supervisie van een bedrijfsarts werkzaam was;
k) niet overeenkomstig de STECR-richtlijnen heeft gehandeld;
l) de klachten van klager niet afdoende en onzorgvuldig heeft behandeld.

4.2
De arbo-arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3
Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1
De vraag is of de arbo-arts de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht. De norm daarvoor is die van een redelijk bekwame en redelijk handelende arbo-arts. Bij de beoordeling houdt het college rekening met de voor de arbo-arts geldende wettelijke bepalingen, beroepsnormen en professionele standaarden zoals die golden ten tijde van het handelen. Dat achteraf mogelijk een andere handelwijze beter was geweest, is niet zonder meer voldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Verder geldt als uitgangspunt dat een zorgverlener alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor zijn eigen handelen of nalaten. Dat de arbo-arts onder supervisie van een bedrijfsarts werkte, laat zijn eigen professionele verantwoordelijkheid voor de door hem verrichte werkzaamheden onverlet. Bij de beoordeling is wel van belang welke werkzaamheden aan hem waren opgedragen, welke afspraken over supervisie waren gemaakt en op welke momenten overleg met of tussenkomst van de superviserend bedrijfsarts aangewezen was.

Klachtonderdeel a) Beëindiging van de begeleidingsrelatie
5.2 Het college stelt voorop dat een arts een behandel- of begeleidingsrelatie niet zonder meer eenzijdig kan beëindigen. Daarvoor moeten gewichtige redenen bestaan. Van een arts mag in beginsel worden verwacht dat hij bij een verstoorde relatie eerst met de patiënt, werknemer of andere betrokkene in gesprek gaat, duidelijke grenzen stelt en – indien daartoe aanleiding bestaat – waarschuwt voor de mogelijke gevolgen van het voortduren van het betreffende gedrag. Daarnaast dient te worden onderzocht of de behandel- of begeleidingsrelatie door de-escalerende maatregelen of onder aangepaste voorwaarden kan worden voortgezet. Pas indien van de arts redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat de relatie wordt voortgezet, kan beëindiging aan de orde zijn. In dat geval dient de continuïteit van de noodzakelijke zorg of begeleiding voldoende te worden gewaarborgd. Bij de beoordeling sluit het college aan bij de professionele normen voor de beëindiging van een behandel- of begeleidingsrelatie, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de uitspraken ECLI:NL:TGZREIN:2017:59 en ECLI:NL:TGZREIN:2021:34.

5.3 Klager verwijt de arbo-arts dat de begeleiding na het consult van 5 maart 2024 zonder voorafgaande waarschuwing, zonder de-escalerende maatregelen en zonder adequate waarborging van de continuïteit is beëindigd. De arbo-arts heeft aangevoerd dat hij zich tijdens het consult door het gedrag van klager onveilig heeft gevoeld en dat hij niet degene is geweest die heeft besloten de dienstverlening te beëindigen.

5.4 Het college constateert dat uit de geluidsopname blijkt dat klager tijdens het consult
geïrriteerd was en op momenten zijn stem heeft verheven. Op grond van de geluidsopname en de overige stukken kan echter niet worden vastgesteld dat klager de arbo-arts concreet heeft bedreigd of dat sprake was van fysieke agressie. Evenmin blijkt uit het dossier van eerdere incidenten of van een patroon van agressief of bedreigend gedrag tegenover de arbo-arts. De arbo-arts mocht kenbaar maken dat hij het verloop van het gesprek als onveilig had ervaren en mocht zo nodig grenzen stellen aan de wijze waarop het gesprek werd gevoerd. Van hem mocht echter ook worden verwacht dat hij, zo nodig in overleg met zijn supervisor, onderzocht of de begeleiding onder andere voorwaarden kon worden voortgezet. Niet blijkt dat klager eerst is gewaarschuwd, dat een de-escalerend gesprek is aangeboden of dat minder verstrekkende maatregelen zijn overwogen, zoals een vervolggesprek door of in aanwezigheid van de superviserend bedrijfsarts of een andere medewerker.

5.5 Dat de arbo-arts niet het formele besluit heeft genomen om de dienstverlening te beëindigen, betekent niet dat hem geen eigen verantwoordelijkheid toekwam. Gelet op zijn betrokkenheid bij het consult en zijn rol in de verzuimbegeleiding mocht van hem worden verwacht dat hij zijn professionele visie gaf op de mogelijkheden om de begeleiding voort te zetten en dat hij bijdroeg aan een zorgvuldige afronding en overdracht. Niet is gebleken dat hij dit heeft gedaan. Het klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel b) Schending van het medisch beroepsgeheim en het delen van onjuiste informatie
5.6 Op grond van artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een arts gehouden tot geheimhouding van de gegevens die hem in zijn hoedanigheid als arts over de patiënt of werknemer bekend zijn geworden. Verstrekking van medische gegevens aan derden is slechts toegestaan met toestemming van de betrokkene of indien daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. In het kader van de verzuimbegeleiding mag een bedrijfsarts of een onder diens verantwoordelijkheid werkzame arbo-arts aan de werkgever uitsluitend die informatie verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van diens wettelijke verplichtingen op het gebied van verzuimbegeleiding en re-integratie. Dit volgt tevens uit de professionele standaard, waaronder de Leidraad Bedrijfsarts en privacy en de Leidraad Privacy van de NVAB. Het college beoordeelt of de arbo-arts heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende arbo-arts onder supervisie mocht worden verwacht.

5.7 In de terugkoppeling van 3 oktober 2023 is aan de werkgever meegedeeld dat klager geen toestemming had gegeven voor het opvragen van informatie bij zijn behandelaar. De arbo-arts heeft ter zitting toegelicht dat hij hierover transparant wilde zijn. Naar het oordeel van het college vormt dit geen voldoende rechtvaardiging voor het delen van deze informatie. De vraag of een werknemer toestemming geeft voor het opvragen van medische informatie bij een behandelaar betreft de medische begeleiding en is niet zonder meer informatie die de werkgever nodig heeft. Indien het ontbreken van informatie eraan in de weg stond om een nader advies te geven, had de arbo-arts kunnen volstaan met de zakelijke mededeling dat op dat moment onvoldoende informatie beschikbaar was om een nader
advies te geven.

5.8 Ook informatie over het door de arbo-arts als agressief of onaanvaardbaar ervaren gedrag tijdens het consult van 5 maart 2024 mocht alleen aan de werkgever worden verstrekt voor zover dit noodzakelijk was voor de verzuimbegeleiding. Niet is gebleken dat het voor de werkgever noodzakelijk was kennis te nemen van kwalificaties over het gedrag van klager. Indien het verloop van het consult eraan in de weg stond om tot een inhoudelijke beoordeling of advisering te komen, had met een zakelijke en neutrale mededeling daarover kunnen worden volstaan.

5.9 Het college kan op grond van de beschikbare stukken niet vaststellen dat de vermelding over het ontbreken van toestemming feitelijk onjuist was. Dat neemt niet weg dat onvoldoende is gebleken dat het noodzakelijk was deze informatie aan de werkgever te verstrekken. Het klachtonderdeel is in zoverre gegrond.

Klachtonderdelen c) en f) Onzorgvuldig advies en het zonder voorafgaande aankondiging opstellen van een inzetbaarheidsprofiel (IZP)
5.10 Een advies over de belastbaarheid van een werknemer moet berusten op voldoende onderzoek, inzichtelijk zijn en aansluiten bij de beschikbare medische en arbeidsgerichte informatie. De arts moet de werknemer begrijpelijk informeren over de aard, het doel en de gevolgen van de beoordeling. Indien gegevens worden verzameld voor een inzetbaarheidsprofiel (IZP), moet voor de werknemer duidelijk zijn dat een IZP wordt opgesteld, welk doel dit dient en hoe de daarin opgenomen gegevens in het kader van de re-integratie worden gebruikt. Een en ander volgt uit de algemene informatieplicht en de professionele zorgvuldigheidsnorm.

5.11 Het college behandelt de klachtonderdelen c en f gezamenlijk, omdat beide betrekking hebben op de beoordeling van de belastbaarheid van klager en de wijze waarop de arbo-arts daarover heeft gecommuniceerd.

5.12 De beoordeling dat klager gedurende twintig uur per week belastbaar was, had betrekking op activiteiten in de oriëntatiefase van het tweede spoor en niet op twintig uur reguliere arbeid. Gelet op de langdurige uitval van klager en het doel van de oriëntatiefase acht het college deze beoordeling op zichzelf niet onbegrijpelijk. Niet is gebleken dat de omvang van twintig uur medisch onverantwoord was.

5.13 De beoordeling is echter aan de werkgever meegedeeld voordat de aard, betekenis en omvang daarvan duidelijk met klager waren besproken. Daardoor kon bij klager de indruk ontstaan dat hij gedurende twintig uur per week arbeidsgeschikt werd geacht. De arbo-arts had vooraf aan klager moeten uitleggen dat het uitsluitend ging om activiteiten in de oriëntatiefase van het tweede spoor, wat deze activiteiten inhielden en op welke medische en functionele overwegingen de omvang van twintig uur was gebaseerd.


5.14 Verder blijkt niet dat voorafgaand aan het uitvragen en vastleggen van de belastbaarheidsgegevens duidelijk aan klager is meegedeeld dat een IZP werd opgesteld, wat het doel daarvan was en hoe de daarin opgenomen gegevens zouden worden gebruikt. Op de geluidsopname is een dergelijke voorafgaande uitleg niet te horen. Van de arbo-arts mocht worden verwacht dat hij klager hierover tijdig en begrijpelijk informeerde.
De inhoudelijke beoordeling van de belastbaarheid was niet zonder meer onjuist, maar de voorbereiding en communicatie daarover waren onvoldoende zorgvuldig. De klachtonderdelen c en f zijn gegrond.

Klachtonderdeel d) Weigering van rectificatie

5.15 Op grond van artikel 16 van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) kan een patiënt of werknemer verzoeken feitelijk onjuiste persoonsgegevens te laten rectificeren. Dit recht ziet op objectief onjuiste of onvolledige gegevens. Het strekt er niet toe dat een zorgverlener gehouden is een professionele waarneming, medische beoordeling of verslaglegging te wijzigen uitsluitend omdat de betrokkene het daarmee oneens is. Dat volgt ook uit de aard van het medisch dossier als bedoeld in artikel 7:454 BW. Indien een patiënt of werknemer een andere lezing van de feiten heeft of het niet eens is met een professionele beoordeling, kan die visie in beginsel worden toegevoegd aan het medisch dossier, zonder dat de oorspronkelijke aantekening hoeft te worden gewijzigd. Deze uitgangspunten gelden eveneens voor het medisch dossier dat door een bedrijfsarts of arbo-arts in het kader van de verzuimbegeleiding wordt bijgehouden.

5.16 Klager heeft betwist dat hij tijdens het consult van 3 oktober 2023 heeft geweigerd toestemming te geven voor het opvragen van medische informatie. De arbo-arts heeft in het dossier vastgelegd dat klager geen toestemming gaf en heeft in zijn interne e-mail van 9 oktober 2023 bevestigd dat dit volgens hem tijdens het consult was besproken.
Op grond van de beschikbare stukken kan het college niet vaststellen dat de dossiernotitie feitelijk onjuist was. De arbo-arts was daarom niet gehouden de vermelding te verwijderen of te wijzigen. Dat de vermelding, zoals bij klachtonderdeel b is overwogen, niet aan de werkgever had hoeven worden verstrekt, betekent niet dat zij ook uit het medisch dossier moest worden verwijderd. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel e) Weigering een volledig afschrift van het medisch dossier te verstrekken
5.17 Een patiënt of werknemer heeft op grond van artikel 7:456 BW recht op inzage in en een afschrift van zijn medisch dossier. Een verzoek daartoe moet binnen een redelijke termijn worden afgehandeld. Voor een tuchtrechtelijk verwijt aan de arbo-arts moet kunnen worden vastgesteld dat hij persoonlijk verantwoordelijk was voor het niet of niet volledig verstrekken van het dossier, de verstrekking heeft tegengehouden of anderszins onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan een op hem rustende verplichting.

5.18 Niet is gebleken dat de arbo-arts persoonlijk heeft geweigerd een afschrift te verstrekken, de verstrekking heeft tegengehouden of verantwoordelijk was voor de administratieve afhandeling van het verzoek. Uit het medisch dossier blijkt dat een arboverpleegkundige op 19 juni 2024 een afschrift aan klager heeft verstrekt. Voor zover klager stelt dat het verstrekte dossier onvolledig was, kan op grond van de stukken niet worden vastgesteld dat de arbo-arts nog over aanvullende dossiergegevens beschikte of bewust gegevens heeft achtergehouden. Daarbij neemt het college in aanmerking dat de voorzieningenrechter later geen aanwijzing heeft gezien dat G nog over aanvullende, niet aan klager verstrekte dossierstukken beschikte. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel g) Niet aanpassen van de probleemanalyse
5.19 De bedrijfsarts is op grond van de Wet verbetering poortwachter en de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar verantwoordelijk voor het opstellen en – indien de medische of arbeidskundige situatie daartoe aanleiding geeft – actualiseren van de probleemanalyse. Daarbij moet de probleemanalyse een actueel en zorgvuldig beeld geven van de beperkingen, mogelijkheden en de te verwachten re-integratie. Niet iedere wijziging in de gezondheidstoestand of het inzicht in de belastbaarheid brengt echter mee dat een geheel nieuwe probleemanalyse moet worden opgesteld. Indien de relevante ontwikkelingen voldoende duidelijk blijken uit latere spreekuurverslagen, actueel belastbaarheidsadvies of andere medische rapportages, kan daarmee aan de verplichting tot actualisering zijn voldaan. Deze uitgangspunten gelden eveneens voor een arbo-arts die onder supervisie werkzaamheden verricht, waarbij de eindverantwoordelijkheid voor de probleemanalyse bij de superviserend bedrijfsarts blijft berusten.

5.20 Klager verwijt de arbo-arts dat de probleemanalyse niet is aangepast nadat de omstandigheden waren gewijzigd. Uit de stukken blijkt dat ontwikkelingen in de verzuimbegeleiding zijn verwerkt in vervolgadviezen en terugkoppelingen. Niet is gebleken dat een noodzakelijke aanpassing achterwege is gebleven of dat de re-integratie daardoor is belemmerd. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel h) Onzorgvuldige afhandeling van het verzoek om een second opinion
5.21 Op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 2.14d van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft een werknemer, onder de daarvoor geldende voorwaarden, recht op een second opinion door een onafhankelijke bedrijfsarts over het advies van de behandelend bedrijfsarts. Dit recht strekt ertoe de werknemer de mogelijkheid te bieden een onafhankelijk medisch oordeel te verkrijgen en het vertrouwen in de verzuimbegeleiding te bevorderen. De behandelend bedrijfsarts is verantwoordelijk voor een zorgvuldige behandeling van een verzoek om een second opinion. Dat brengt mee dat een dergelijk verzoek voortvarend wordt behandeld, dat de werknemer duidelijk wordt geïnformeerd over de procedure en dat de bedrijfsarts, indien zich belemmeringen voordoen, zich actief inspant om de second opinion alsnog doorgang te laten vinden of de werknemer daarover zorgvuldig te informeren. Deze verplichtingen zijn nader uitgewerkt in de NVAB-Leidraad Second Opinion Bedrijfsarts (2019).

5.22 Klager heeft op 5 maart 2024 om een second opinion verzocht. Vervolgens is bij H een afspraak gemaakt. Deze afspraak is daarna geannuleerd en de second opinion heeft niet plaatsgevonden.

5.23 De arbo-arts heeft aangevoerd dat de organisatorische afhandeling niet tot zijn taken behoorde. Het college volgt hem daarin niet. De arbo-arts was bekend met het verzoek en met het belang daarvan voor klager. Nadat de afspraak was geannuleerd, had hij binnen zijn professionele verantwoordelijkheid de voortgang moeten navragen en zo nodig zijn supervisor of G tot vervolgactie moeten bewegen.
Niet blijkt dat de arbo-arts heeft onderzocht waarom de second opinion niet doorging of dat hij actie heeft ondernomen om alsnog een second opinion tot stand te brengen. Zijn verantwoordelijkheid eindigde onder deze omstandigheden niet bij het doorgeleiden van het verzoek. Het klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel i) Onzorgvuldige uitvoering van de werkzaamheden onder supervisie
5.24 Wanneer een arts die niet als bedrijfsarts is geregistreerd werkzaamheden op het terrein van de bedrijfsgezondheidszorg verricht onder supervisie van een bedrijfsarts, moeten de taakverdeling, bevoegdheden, verantwoordelijkheden en wijze van supervisie voldoende duidelijk zijn vastgelegd. De arts moet binnen de grenzen van zijn bekwaamheid en de gemaakte afspraken handelen en tijdig overleg voeren wanneer de aard of complexiteit van de situatie daartoe aanleiding geeft. Voor de werknemer moet bovendien duidelijk zijn in welke hoedanigheid de arts optreedt, dat hij onder supervisie werkt en wie de superviserend bedrijfsarts is.

5.25 Het college stelt vast dat tussen de arbo-arts en de superviserend bedrijfsarts een schriftelijke supervisieovereenkomst bestond. De daarin opgenomen taakverdeling en het lichte supervisieregime waren op zichzelf niet in strijd met de destijds geldende uitgangspunten voor taakdelegatie en supervisie. Niet is gebleken dat de arbo-arts in algemene zin onbekwaam was om de aan hem opgedragen werkzaamheden uit te voeren.

5.26 Het bestaan van een schriftelijke supervisieovereenkomst is echter niet voldoende. Voor klager moest duidelijk zijn dat de arbo-arts onder supervisie werkte, welke werkzaamheden hij zelfstandig uitvoerde en wie de superviserend bedrijfsarts was. Uit de stukken blijkt niet dat de arbo-arts dit bij aanvang van de begeleiding duidelijk aan klager heeft meegedeeld. Evenmin blijkt dat in de terugkoppelingen steeds voldoende duidelijk zijn functie, zijn positie onder supervisie en de naam van zijn supervisor waren vermeld.
Toen klager om contact met de bedrijfsarts verzocht en op relevante momenten overleg met de supervisor aangewezen was, had de arbo-arts bovendien duidelijker moeten uitleggen welke rol de bedrijfsarts had en hoe klager met haar in contact kon komen. Het klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel j) Onvoldoende duidelijkheid over de functie van de arbo-arts
5.27 Op grond van artikel 17 van de Wet BIG is de titel 'bedrijfsarts' voorbehouden aan artsen die als zodanig in het BIG-register zijn ingeschreven. Van een redelijk bekwame en redelijk handelende arbo-arts mag worden verwacht dat hij zich tegenover een werknemer duidelijk kenbaar maakt als arbo-arts en geen onduidelijkheid laat bestaan over zijn hoedanigheid of over het feit dat hij werkzaam is onder supervisie van een bedrijfsarts. Deze professionele norm sluit aan bij het NVAB-standpunt Delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie (2022), waarin is neergelegd dat voor werknemers kenbaar moet zijn wie verantwoordelijk is voor de begeleiding en welke rol de superviserend bedrijfsarts vervult.

5.28 Voor zover klager stelt dat de arbo-arts zich ten onrechte als bedrijfsarts heeft gepresenteerd, vindt dit verwijt onvoldoende steun in de stukken. De arbo-arts is in de uitnodigingen als arbo-arts aangeduid. Niet is gebleken dat hij de beschermde titel “bedrijfsarts” heeft gebruikt.

5.29 Dat onvoldoende kenbaar was dat de arbo-arts onder supervisie werkte en wie zijn supervisor was, is beoordeeld bij klachtonderdeel i. Dit betekent niet dat de arbo-arts zich ten onrechte als bedrijfsarts heeft gepresenteerd. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel k) Niet handelen overeenkomstig de STECR-richtlijnen
5.30 Ook van een arbo-arts die onder supervisie werkzaamheden verricht, mag worden verwacht dat hij handelt overeenkomstig de voor de beroepsgroep geldende professionele standaard. De STECR- en NVAB-richtlijnen vormen daarbij een belangrijke professionele norm. Voor zover deze richtlijnen formeel zijn gericht tot de bedrijfsarts, gelden zij voor de arbo-arts naar analogie binnen de werkzaamheden die hij onder supervisie verricht. Indien van een richtlijn wordt afgeweken, dient daarvoor een deugdelijke, in het dossier kenbare motivering te bestaan.

5.31 Uit de stukken blijkt dat het arbeidsconflict tijdens het eerste gesprek bij G is onderkend en dat een mediation traject is ingezet. Vervolgens is geadviseerd de mediation voort te zetten en tijdelijk geen werkzaamheden te verrichten. Nadat de mediation zonder resultaat was beëindigd, is geadviseerd de mogelijkheden binnen het tweede spoor te onderzoeken.
Klager heeft onvoldoende geconcretiseerd welke specifieke aanbeveling uit de STECR Werkwijzer door de arbo-arts niet is gevolgd en waarom het handelen daardoor in strijd was met de professionele standaard. Ook overigens kan op grond van de stukken niet worden vastgesteld dat de arbo-arts op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel l) Onzorgvuldige behandeling van de klachten van klager
5.32 Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moet een klacht over het handelen van een zorgverlener zorgvuldig worden behandeld. Daarbij zijn een behoorlijke informatieverstrekking, een voldoende inhoudelijke reactie en, afhankelijk van de aard van de klacht, het bieden van een passende mogelijkheid om de klacht toe te lichten van belang. Voor tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de arbo-arts moet echter worden vastgesteld dat hij persoonlijk verantwoordelijk was voor de gestelde tekortkoming in de klachtafhandeling.


5.33 De formele behandeling van de klacht van 10 oktober 2023 is hoofdzakelijk uitgevoerd door de bedrijfsarts. De arbo-arts heeft naar aanleiding van de klacht zijn visie gegeven op hetgeen tijdens het consult van 3 oktober 2023 was besproken. Volgens de stukken was hij bereid de geluidsopname te beluisteren en bij een gesprek aanwezig te zijn.

5.34 Niet is gebleken dat de arbo-arts zelf verantwoordelijk was voor de beslissing om geen persoonlijk gesprek met klager te voeren of voor de verwijzing naar de onafhankelijke geschillencommissie. Eventuele tekortkomingen in de formele klachtafhandeling kunnen daarom niet zonder meer persoonlijk aan hem worden toegerekend.
Voor zover klager de arbo-arts verwijt dat hij zijn eerdere visie heeft gehandhaafd, geldt dat niet kan worden vastgesteld dat zijn dossiernotitie feitelijk onjuist was. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Slotsom
5.35 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen a), b), c), f), h) en i) gegrond zijn. De klachtonderdelen d), e), g), j), k) en l) zijn ongegrond. De klacht is daarmee gedeeltelijk gegrond.

Maatregel
5.36 Nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, moet het college beoordelen of en zo ja welke maatregel passend en geboden is. Het college concludeert tot oplegging van de maatregel van berisping. Ter toelichting dient het volgende.

5.37 Het college stelt voorop dat de gegrond verklaarde klachtonderdelen betrekking hebben op meerdere wezenlijke aspecten van de professionele verantwoordelijkheid van de arbo-arts. De arbo-arts heeft onvoldoende zorgvuldig gehandeld bij de beëindiging van de begeleiding, de informatieverstrekking aan de werkgever, de beoordeling van de belastbaarheid en de communicatie over het inzetbaarheidsprofiel. Ook heeft hij na het niet doorgaan van de second opinion onvoldoende vervolgactie ondernomen en onvoldoende duidelijk gemaakt dat hij als arbo-arts onder supervisie van een bedrijfsarts werkzaam was.

5.38 Het college acht in het bijzonder van belang dat de arbo-arts zich tijdens het consult van 5 maart 2024 weliswaar onveilig heeft gevoeld, maar dat niet is gebleken dat voorafgaand aan de beëindiging van de begeleiding voldoende is onderzocht of met minder verstrekkende maatregelen kon worden volstaan. Niet blijkt dat een de-escalerend gesprek is aangeboden, dat duidelijke grenzen zijn gesteld of dat is onderzocht of de begeleiding onder aangepaste voorwaarden, bijvoorbeeld in aanwezigheid van de superviserend bedrijfsarts of een andere medewerker, kon worden voortgezet. Evenmin is voldoende gebleken dat de continuïteit van de verzuimbegeleiding zorgvuldig is gewaarborgd.

5.39 Verder heeft de arbo-arts aan de werkgever informatie verstrekt die niet noodzakelijk was voor de verzuimbegeleiding. Van een arbo-arts mag worden verwacht dat hij zich bewust is van zijn beroepsgeheim en zich bij iedere terugkoppeling beperkt tot de informatie die de werkgever voor de re-integratie redelijkerwijs nodig heeft. De mededeling dat klager geen toestemming had gegeven voor het opvragen van informatie bij zijn behandelaar en de informatie over het door de arbo-arts ervaren gedrag van klager voldeden niet aan dit vereiste.

5.40 Ook heeft de arbo-arts onvoldoende zorgvuldig gecommuniceerd over de beoordeling dat klager gedurende twintig uur per week belastbaar was voor activiteiten in de oriëntatiefase van het tweede spoor. Deze beoordeling is aan de werkgever meegedeeld voordat de betekenis en reikwijdte daarvan duidelijk met klager waren besproken. Daarnaast is onvoldoende kenbaar gemaakt dat een inzetbaarheidsprofiel werd opgesteld en met welk doel de belastbaarheidsgegevens werden vastgelegd.

5.41 Het college rekent de arbo-arts verder aan dat hij, nadat de afspraak voor de door klager verzochte second opinion was geannuleerd, niet heeft nagegaan waarom de second opinion geen doorgang vond en geen aantoonbare vervolgactie heeft ondernomen om deze alsnog tot stand te brengen. Gelet op het belang van een second opinion voor een werknemer mocht van hem worden verwacht dat hij de voortgang bewaakte en zo nodig zijn supervisor of de arbodienst tot verdere actie aanzette.

5.42 Tot slot was voor klager onvoldoende kenbaar dat de arbo-arts onder supervisie van een bedrijfsarts werkte, wie de superviserend bedrijfsarts was en hoe de verantwoordelijkheden tussen beiden waren verdeeld. Dat een schriftelijke supervisieovereenkomst bestond en daarin een licht supervisieregime was vastgelegd, neemt niet weg dat de arbo-arts een eigen verantwoordelijkheid had om over zijn functie en positie duidelijkheid te geven.

5.43 Het college houdt er bij de bepaling van de maatregel rekening mee dat de arbo-arts niet het formele besluit heeft genomen om de dienstverlening van G te beëindigen en dat de schriftelijke supervisieovereenkomst inhoudelijk aanwezig en op zichzelf toereikend was.

5.44 De tekortkomingen staan niet op zichzelf, maar raken gezamenlijk aan de kern van de professionele beroepsuitoefening van een arbo-arts: zorgvuldige begeleiding, terughoudende informatieverstrekking aan de werkgever, duidelijke communicatie met de werknemer, adequate opvolging van een verzoek om een second opinion en transparantie over het werken onder supervisie.

5.45 De arbo-arts heeft ter zitting gezegd dat hij, alles achteraf overziend, zich heeft gerealiseerd hoe belangrijk de gespreksvoering is en hoe het kan mislopen als dat niet goed gaat. Het college heeft echter niet de indruk gekregen dat hij zich werkelijk rekenschap heeft gegeven van zijn eigen verantwoordelijkheid, de negatieve impact van zijn eigen handelen en nalaten en de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid daarvan, zoals dit alles in deze uitspraak is vastgesteld.


5.46 Gelet op de aard, de ernst en de samenhang van de gegrond verklaarde klachtonderdelen en de overige omstandigheden van het geval, acht het college de oplegging van een berisping passend en geboden.

Publicatie
5.45 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere arbo-artsen in debat kunnen gaan met elkaar en mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel a), b), c), f), h) en i) gegrond;
- legt de arbo-arts de maatregel op van een berisping
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde (TBV) en Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door P.J. van Eekeren, voorzitter, L.W.M. Creemers, lid-jurist, R.P. van Straaten, E. Gorissen en M. Prenger, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door H.S.S. Isfour, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026.