Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

Zoekresultaten 11-20 van de 29 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:90 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2188/004A

    Patiënte is overleden aan een tumor in het oog te hebben. Verweerder, oogarts, wordt verweten dat hij na het overlijden afgifte van het medisch dossier heeft getraineerd. Verweerder voert verweer.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:91 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2197-A2021/004B

    Aan oogarts wordt verweten de oogklachten van patiënte niet serieus te hebben genomen, Patiënte bleek een tumor in het oog te hebben, als gevolg waarvan zij uiteindelijk is overleden.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:158 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2021.034

    Klacht tegen psychiater. Volgens klaagster is zij als gevolg van de psychiatrische herbeoordeling (second opinion van verweerder en een collega-psychiater onterecht aangemerkt met een paranoïde waanstoornis ‘leidend tot disfunctioneel gedrag’, een en ander met haar ondercuratelestelling tot gevolg. Klaagster verzoekt een einde te maken aan deze volgens haar verzonnen geestelijke stoornis. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster bij voorzittersbeslissing kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster ontvankelijk, doet de zaak zelf af en verklaart de klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:159 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2021.035

    Klacht tegen psychiater. Volgens klaagster is zij als gevolg van de psychiatrische herbeoordeling (second opinion) van de psychiater en een collega van de psychiater onterecht aangemerkt met een paranoïde waanstoornis ‘leidend tot disfunctioneel gedrag’, een en ander met haar ondercuratelestelling tot gevolg. Klaagster verzoekt een einde te maken aan deze volgens haar verzonnen geestelijke stoornis. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster bij voorzittersbeslissing kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster ontvankelijk, doet de zaak zelf af en verklaart de klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:157 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.218

    Klacht tegen gz-psycholoog. Klaagster is in het verleden bij de gz-psycholoog onder behandeling geweest en staat onder curatele. De gz-psycholoog heeft op klaagsters verzoek een brief geschreven die zij aan de gemeente kon overhandigen. Vervolgens heeft de gz-psycholoog ook aan klaagster zelf en aan haar huisarts een brief geschreven. Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat hij heeft gesteld dat er bij haar sprake was van paranoïde wanen en dat hij negatieve informatie over klaagster aan psychiaters heeft verstrekt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:82 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 122/2020

    Beklaagde, neuroloog, is gevraagd een neurologische expertise te doen in verband met de vaststelling van de wettelijke aansprakelijkheid voor een ongeval waarbij klaagster betrokken is geweest. Beklaagde heeft in 2011 rapport uitgebracht en in 2016 en 2017 nog nadere vragen beantwoord. Het college oordeelt dat het rapport van 2011 uitgebreid gemotiveerd is en als zorgvuldig, compleet en inhoudelijk correct is aan te merken. Beklaagde is niet buiten zijn deskundigheidsgebied getreden. De later gestelde vragen zijn door beklaagde zorgvuldig en uitgebreid beantwoord. Beklaagde heeft op basis van de hem ter beschikking gestelde informatie een advies gegeven over een mogelijke diagnose. Het is niet de taak van een rapporterend arts om een patiënt door te verwijzen. Klacht kennelijk ongegrond

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:87 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2183-A2021/003

     Klaagster verwijt verweerster, tandarts, haar kaak te hebben gebroken bij het trekken van een kies. Dat de kaak gebroken is destijds, is echter niet komen vast te staan. Verder verwijt klaagster verweerster dat zij een declaratie heeft gestuurd voor een prothese, terwijl enkel haar eigen brugprothese is aangepast, alsmede dat ze onvoldoende geïnformeerd is over de behandeling en de risico's. Het college overweegt dat verweerster juist heeft gedeclareerd en dat het verweerster niet in gebreke is gebleven wat betreft de informatievoorziening. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:88 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2070-2020/170

    Klaagsters dienen een klacht in tegen een internist over de behandeling van wijlen hun vader met het verwijt dat zij zonder overleg met hun vader het behandelplan heeft gewijzigd met betrekking tot de total bodyscans. Verweerster betwist de klacht; zij stelt dat het laten maken van een scan van het gehele skelet niet als zinvolle diagnostiek wordt beschouwd, maar dat zij vanwege omstandigheden begrip had voor deze wens van de vader van klaagsters en in overleg met de radioloog bereid is geweest tot het maken van scans van het gehele skelet, die ook daadwerkelijk zijn gemaakt. Bij de laatste twee keer is echter geen total body scan gemaakt . Verweerster heeft de vader van klaagsters geprobeerd uit te leggen hoe dat heeft kunnen gebeuren; zij heeft niet het behandelplan gewijzigd, aldus verweerster. Zij betwist dat haar van het niet maken van een total bodyscan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het college verklaart de klacht (kennelijk) ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:89 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2042-2020/169

    Klaagsters dienen een klacht in tegen een internist over de behandeling van wijlen hun vader met het verwijt dat hij de klachten van hun vader en de verzoeken om nader onderzoek niet serieus heeft genomen, bij voorbeeld gebruik van chemopillen en het laten maken van een 'total bodyscan. Verweerder stelt dat hij zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Hij heeft met de vader van klaagsters de behandelopties doorgenomen en toegelicht. Besproken werd dat het effect van de radiotherapie zou worden afgewacht voordat eventueel werd gestart met medicatie. Er is gezamenlijk besloten tot een expectatief beleid met verdere follow up en met regelmatige beeldvorming. Als de vader ander onderzoek zou hebben gevraagd dan met hem werd afgesproken, dan zou verweerder dat zeker met de patiënt hebben besproken en in het dossier hebben genoteerd. Het college verklaart de klacht (kennelijk) ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2021:25 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen VP2020/05

    Klacht tegen ambulant verpleegkundige GGZ. Klaagster is in maart 2019 in behandeling gekomen bij de instelling waar beklaagde werkzaam is. Vanaf dat moment is beklaagde, als onderdeel van een team hulpverleners, in de hoedanigheid van casemanager betrokken bij de behandeling van klaagster. Vanuit die rol heeft zij maandelijks (meerdere) gesprekken met klaagster gehad. In juli 2020 is klaagster in behandeling gekomen bij een ander team, waarna beklaagde geen betrokkenheid meer heeft gehad bij de behandeling van klaagster. Klaagster voelt zich in de steek gelaten door beklaagde qua zorg en begeleiding. Volgens haar heeft beklaagde minimale zorg verleend en gingen de gesprekken vaak over zeden of intimiteit. Ook heeft zij aangevoerd dat zij haar medicatie te laat kreeg. Uit de rapportages in het elektronisch patiëntendossier blijkt dat beklaagde in de periode dat zij bij de behandeling van klaagster betrokken is geweest regelmatig bij klaagster op bezoek is geweest en gesprekken met klaagster heeft gehad, zowel in persoon als telefonisch. Beklaagde heeft geen afspraken afgezegd en heeft gereageerd op voicemail- en appberichten van klaagster. Uit de rapportages kan niet worden afgeleid dat klaagster niet tevreden was over de wijze waarop/frequentie waarmee zij door beklaagde werd begeleid en evenmin dat beklaagde haar in de steek zou hebben gelaten of enkel minimale zorg zou hebben geleverd. Ook kan niet uit de stukken worden afgeleid dat beklaagde tijdens de gesprekken met klaagster voornamelijk zou hebben gesproken over zeden/intimiteiten. Daarnaast is het college niet gebleken dat medicatie te laat is verstrekt of dat beklaagde ten aanzien van de medicatie een verwijt te maken is. Klacht kennelijk ongegrond.