Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

Zoekresultaten 1-10 van de 11782 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:171 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3754

    Ongegronde klacht tegen een internist-nefroloog. De internist was één van de behandelaren van de 19-jarige zoon van klaagster, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. Zij verwijten de internist onder andere dat zij de zoon van klaagster een noodzakelijke nierdialyse heeft onthouden en dat zij moeder en zoon onjuist heeft geïnformeerd over haar zorgen over de forse bloeddrukdaling. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college overweegt dat er in het dossier geen informatie te vinden is die erop wijst dat er een indicatie bestond voor (spoed)dialyse de dag nadat de internist de zoon van klaagster had gezien. Verder leidt het college uit een aantekening van de internist in het dossier af dat de internist de zoon van klaagster langer in het ziekenhuis had willen houden, omdat zij meer zekerheid wilde over de oorzaak van de lage bloeddruk. Daarbij heeft de internist aandacht geschonken aan het afbouwen van prednison. Ook volgt uit die aantekening voldoende dat de internist geprobeerd heeft dit aan klaagster en haar zoon duidelijk te maken. Kennelijk is dit niet gelukt. Het college kan achteraf niet vaststellen dat dit (uitsluitend) aan de internist heeft gelegen. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:172 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3891

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een arts niet in opleiding tot specialist. De arts was betrokken bij de behandeling van de 19-jarige zoon van klaagster, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. Klagers verwijten de arts dat hij de urgentie van de situatie van de zoon niet goed heeft ingeschat en geen ambulance heeft gestuurd, en dat hij de gemeentelijke lijkschouwer onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college overweegt dat de informatie in het dossier de arts, in combinatie met de klachten die de triagiste tegenover hem noemde, aanleiding had moeten geven de situatie van de zoon ernstiger in te schatten dan hij heeft gedaan. Dit klachtonderdeel is gegrond. Het tweede klachtonderdeel is ongegrond. Het college legt geen maatregel op omdat sprake is van een lichte mate van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. Het college merkt nog op dat het in gevallen als deze aanbeveling zou verdienen om een gezamenlijke evaluatie van de gebeurtenissen in de hele keten uit te voeren. Daarnaast is het van belang dat aandacht wordt besteed aan de vraag hoe opleidingstechnisch geïnvesteerd wordt in jonge artsen die niet in opleiding zijn tot specialist, en hoe hun supervisie is geregeld. Publicatie.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:173 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3889

    Gegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster is de moeder van een 19-jarige zoon, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. De huisarts had nachtdienst op de HAP waar klaagster naartoe belde. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. De klacht luidt in het kort dat de huisarts zich onvoldoende heeft geïnformeerd over de toestand van de zoon, waardoor hij de situatie niet juist heeft beoordeeld. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college overweegt dat de huisarts ten minste bij de triagiste had moeten doorvragen naar de aard en ernst van de benauwdheid van de zoon. Het college is zich ervan bewust dat in deze situatie sprake is van een keten van samenwerking en verantwoordelijkheden, waarin de triagiste, de huisarts en de dienstdoende arts in het ziekenhuis allen een eigen rol vervullen. De beoordeling van de ene zorgverlener binnen de keten beïnvloedt echter de besluitvorming van de andere ketenzorgverlener(s). Ieder moet in zijn eigen positie in beginsel op de ander(en) kunnen vertrouwen, maar dit ontslaat – in dit geval – de huisarts niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om zich goed te (laten) informeren. Het college legt geen maatregel op omdat sprake is van een lichte mate van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. Publicatie.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:194 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1286

    Klacht tegen psychiater/psychotherapeut. Klager en verweerster waren destijds collega’s bij een stichting die geestelijke gezondheidszorg verleent. Verweerster heeft na dossieronderzoek in het kader van de klokkenluidersregeling een melding gedaan bij de stichting over de dossiervoering en het declaratiegedrag van klager. Klager verwijt verweerster in deze tuchtzaak dat zij onbevoegd medische dossiers heeft ingezien van cliënten met wie zij geen behandelrelatie had, dat zij geen toestemming heeft gevraagd aan klager – de behandelverantwoordelijke – om de dossiers in te zien en dat zij heeft geweigerd in gesprek te gaan met klager over de melding. Het Regionaal Tuchtcollege heeft bij een voorzittersbeslissing de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:174 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3890

    Ongegronde klacht tegen een internist. De internist was één van de behandelaren van de 19-jarige zoon van klaagster, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. Volgens klagers heeft de internist ondanks de allergie van de zoon voor dit middel barnidipine voorgeschreven en, geen rekening houdend met het angio-oedeem van de zoon, besloten tot afbouw van de prednison. Daarnaast heeft er geen warme overdracht plaatsgevonden toen de internist met vakantie ging. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college is van oordeel dat de internist juist heeft gehandeld door barnidipine voor te schrijven. Er is onvoldoende gebleken dat bij de zoon sprake zou zijn van een allergie voor deze stof. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Wat betreft het stopzetten van de prednison oordeelt het college dat de internist op grond van het medisch dossier en de huidige situatie van de zoon terecht heeft besloten om de prednison af te bouwen. De prednison, die oorspronkelijk was voorgeschreven voor het nefrotisch syndroom, droeg niet meer bij aan de medische situatie en behandeling van de zoon. Een verband tussen het recente begin van de afbouw van de prednison en het angio-oedeem met overlijden tot gevolg is niet komen vast te staan. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:170 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3888

    Ongegronde klacht tegen een internist-nefroloog. De internist was één van de behandelaren van de 19-jarige zoon van klaagster, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. Klagers verwijten de internist dat hij zoon en zijn moeder onvoldoende heeft geïnformeerd en geen toestemming van zoon heeft verkregen om de dialyselijn te plaatsen. Daarmee zou het zelfbeschikkingsrecht van de zoon geschonden zijn. Verder wordt de internist verweten dat hij bij het plaatsen van de dialyselijn het verkeerde materiaal heeft gebruikt en dat hij daarna onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de op hem rustende zorgplicht en regiefunctie. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college overweegt dat hoewel uit gespreksopnames die tijdens het inbrengen van de lijn zijn gemaakt het duidelijk is  dat de zoon bang was voor het inbrengen van de dialyselijn, niet de conclusie kan worden getrokken dat er geen toestemming was en/of dat de gegeven toestemming voor het plaatsen van de dialyselijn later is ingetrokken. Hoewel de procedure voor de zoon emotioneel verliep, kan het college niet vaststellen dat zijn zelfbeschikkingsrecht is geschonden. Ongegrond. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:193 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1335

    Klacht tegen plastisch chirurg. Tegen klager (ook plastisch chirurg) is bij een geschillencommissie een klacht ingediend. De geschillencommissie (meervoudige kamer) heeft geoordeeld dat klager tekort is geschoten in de informatievoorziening jegens zijn patiënt en dat aan de patiënt een schadevergoeding moet worden betaald. De plastisch chirurg maakte als lid deel uit van de geschillencommissie. De klacht ziet op het handelen van de plastisch chirurg als lid van de geschillencommissie. Klager verwijt dat de plastisch chirurg zich niet heeft gehouden aan de normen die voor hem als deskundige gelden. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht terecht niet-ontvankelijk. 

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:154 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3571

    Ongegronde klacht tegen arts-assistent. Klaagster verwijt de arts-assistent dat zij naar aanleiding van een telefonisch consult op twee onderdelen onjuiste aantekeningen in haar dossier heeft gemaakt.. Het college oordeelt dat de eerste aantekening in de context van andere aantekeningen in het dossier niet onjuist is. De tweede aantekening was een evidente vergissing zonder behandelconsequenties waarvoor de arts-assistent haar excuses heeft aangeboden. Het college acht dit onvoldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:155 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3298

    Klacht tegen neuroloog deels gegrond zonder oplegging van maatregel. De klacht heeft onder meer betrekking op het onderzoek door beklaagde en de door hem gestelde diagnose functionele dystonie. Een van de klachtonderdelen betreft het verwijt dat beklaagde, ondanks een verzoek daartoe van klager, geweigerd heeft de diagnostiek inzake functioneel uit zijn dossier te verwijderen. De klacht is in zoverre gegrond. Het betreft hier een expliciet verzoek om vernietiging waarop artikel 7:455 BW van toepassing is. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat beklaagde op dit verzoek heeft gereageerd. Ook blijkt niet dat klager zijn verzoek niet langer handhaafde. Beklaagde had daarom aan dit verzoek gehoor moeten geven. Door dit niet te doen heeft beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Voor het overige is de klacht ongegrond. De gegrondverklaring is mede gebaseerd op geldende rechtspraak van het CTG over selectieve vernietiging van een dossier op verzoek van een patiënt (ECLI:NL:TGZCTG:2021:61). Omdat deze rechtspraak op het moment van handelen van beklaagde nog geen volledige duidelijkheid bood, legt het college geen maatregel op.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:169 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4177

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij haar onheus heeft bejegend waardoor zij zich tijdens het consult ongemakkelijk en niet veilig heeft gevoeld. Dat het verloop van het consult minder gebruikelijk is geweest blijkt uit het medisch dossier. Dit zegt echter niets over hetgeen zich heeft afgespeeld tijdens het consult. Het college kan niet vaststellen hoe het consult is verlopen. De klacht over het medische beleid is eveneens ongegrond. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.Kennelijk ongegronde klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij haar onheus heeft bejegend waardoor zij zich tijdens het consult ongemakkelijk en niet veilig heeft gevoeld. Dat het verloop van het consult minder gebruikelijk is geweest blijkt uit het medisch dossier. Dit zegt echter niets over hetgeen zich heeft afgespeeld tijdens het consult. Het college kan niet vaststellen hoe het consult is verlopen. De klacht over het medische beleid is eveneens ongegrond. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.