Zoekresultaten 121-130 van de 1199 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:271 Hof van Discipline 's Gravenhage 250446

    Het hof stelt vast dat de klacht ziet op het onderzoek van de deken in de klacht tegen mr. Van G. Klaagster is niet eens met de aanbiedingsbrief die de deken voor beoordeling van de klacht aan de Raad van Riscipline heeft gezonden. Een klacht tegen een -voormalig- deken is geen middel om de inhoud van de aanbiedingsbrief over de klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen. Daarvoor is het klachtrecht niet bedoeld. Een klager kan de klacht tegen de andere advocaat, na onderzoek en betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Klaagster heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. De klacht over mr. van G is inmiddels afgedaan door de Raad van Discipline. Binnen de kaders van die procedure kon klaagster naar voren brengen op welke punten het onderzoek van de deken onjuist of onvolledig was en heeft zij haar klacht nader kunnen toelichten. Dat zij van mening is dat er allerlei manco’s zijn in de tuchtprocedure maakt niet dat zij achteraf kan klagen over de inhoud van de aanbiedingsbrief van de deken. Daarom zal de voorzitter de klacht tegen de -voormalig- deken niet verwijzen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:268 Hof van Discipline 's Gravenhage 240369

    Klacht over advocaat van de wederpartij ongegrond. Hoewel verweerster haar woorden over klager in een e-mail aan de advocaat van klager wellicht anders had kunnen kiezen, is het hof van oordeel dat verweerster met haar opmerking over de geestelijke toestand van klager de grenzen van de vrijheid die haar als advocaat van de wederpartij toekomt bij de behartiging van de belangen van haar cliënte niet heeft overschreden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verweerster steeds in overleg met en met instemming van haar cliënte heeft gehandeld. Daarnaast is het hof van oordeel dat de bewoordingen in de e-mail moeten worden bezien tegen de achtergrond van het tussen klager en zijn ex-echtgenote bestaande geschil over de beëindiging van hun relatie en de zorg voor de kinderen. Tegen die achtergrond zijn de door verweerster in de e-mail gekozen bewoordingen naar het oordeel van het hof niet onbetamelijk.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:250 Hof van Discipline 's Gravenhage 240152

    Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de eigen advocaat. Klager verwijt verweerder a) juridisch ondermaats te hebben gepresteerd, b) hem onvoldoende te hebben geïnformeerd en op onzorgvuldige wijze zijn werkzaamheden te hebben neergelegd, c) geen althans onvoldoende partijdigheid te hebben betracht en onvoldoende in het belang van klager te hebben gehandeld en d) niet te beschikken over een adequate klachtenregeling. Alleen klachtonderdeel b) is gegrond verklaard en aan verweerder is de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van zes weken opgelegd. Klager en verweerder komen hiertegen in beroep. Het hof acht klachtonderdeel a) en d) alsnog gegrond en legt verweerder de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken op.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:263 Hof van Discipline 's Gravenhage 250338H

    Herzieningsverzoek, niet-ontvankelijk. Artikel 1.3 herzieningsprotocol niet van toepassing. Geen schending van fundamentele rechtsbeginselen in de procedure voorafgaand aan de beslissing waarbij het beklag van verzoeker tegen de beslissing van de deken ongegrond is verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:264 Hof van Discipline 's Gravenhage 250236H

    Herzieningsverzoek van klager kennelijk niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:265 Hof van Discipline 's Gravenhage 250196H

    Herzieningsverzoek stuit af op artikel 1.3 van het herzieningsprotocol. Verzoeker is geen advocaat aan wie een maatregel is opgelegd. Niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:266 Hof van Discipline 's Gravenhage 250299

    Verzet na afwijzende verwijzing ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Deze heeft de juiste maatstaf gehanteerd en niet is gebleken dat hij van onjuiste of onvolledige feiten is uitgegaan. De mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen is een aanvullende voorziening voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat. Daarbij hoort ook dat de deken in het algemeen niet gehouden is de advocaat te verplichten iedere door klager gewenste procedure te voeren. De door de (waarnemend) deken in de aanwijzingsbeslissing gestelde voorwaarde, inhoudende dat in eerste instantie enkel advies hoefde te worden uitgebracht over de juridische haalbaarheid van de zaak en dat verdere (proces)bijstand (alleen) hoefde te worden verleend als de aangewezen advocaat de zaak juridisch haalbaar zou achten, is naar het oordeel van het hof objectief gerechtvaardigd en niet in strijd met de wet.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:267 Hof van Discipline 's Gravenhage 240152

    Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de eigen advocaat. Klager verwijt verweerder a) juridisch ondermaats te hebben gepresteerd, b) hem onvoldoende te hebben geïnformeerd en op onzorgvuldige wijze zijn werkzaamheden te hebben neergelegd, c) geen althans onvoldoende partijdigheid te hebben betracht en onvoldoende in het belang van klager te hebben gehandeld en d) niet te beschikken over een adequate klachtenregeling. Alleen klachtonderdeel b) isgegrond verklaard en aan verweerder is de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van zes weken opgelegd. Klager en verweerder komen hiertegen in beroep. Het hof acht klachtonderdeel a) en d) alsnog gegrond en legt verweerder de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken op.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:262 Hof van Discipline 's Gravenhage 250161W

    Het wrakingsverzoek is gedaan direct nadat de mondelinge behandeling na beraadslaging was hervat en voordat de behandeld kamer enige beslissing kon meedelen. Gelet daarop is het wrakingsverzoek voorbarig en mist wrakingsgrond 1 feitelijke grondslag. Daarbij is een beslissing over de vraag of stukken in behandeling kunnen worden genomen en aan het dossier kunnen worden toegevoegd een procesbeslissing. Op grond van vaste rechtspraak kan een onwelgevallige (processuele) beslissing van het hof geen grond vormen voor wraking. In dit geval is er echter geen sprake van een beslissing. Voor zover is bedoeld te stellen dat de behandelend kamer reeds door het aan de orde stellen van de toelaatbaarheid van de stukken blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, is daarvan naar het oordeel van het hof niet gebleken. Verder heeft de voorzitter niet ontkend dat de gemachtigde van verzoekster e-mailberichten in kopie heeft ontvangen die namens de voorzitter door de griffie van het hof aan de verwerende advocaat in de hoofdzaak waren gestuurd. Ook wrakingsgrond 2 mist daarmee feitelijke grondslag.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:231 Raad van Discipline Amsterdam 25-756/A/A

    Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij. Verweerster heeft terecht aangevoerd dat op haar als advocaat de plicht rust om (uitsluitend) de belangen van haar cliënten te behartigen. Dat klager het inhoudelijk niet eens is met het standpunt dat verweerster namens haar cliënten heeft verkondigd, betekent nog niet dat verweerster daarmee in strijd met gedragsregel 8 (of 21 Rv) heeft gehandeld. Daarvan is pas sprake als verweerster bewust onjuiste informatie naar voren heeft gebracht. Daarvan is de voorzitter niet gebleken. De vraag of het standpunt dat verweerster namens haar cliënten heeft ingenomen inhoudelijk juist is of dat klager gelijk heeft, valt buiten de reikwijdte van dit tuchtrechtelijk geschil.