Zoekresultaten 211-220 van de 2047 resultaten

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:230 Raad van Discipline Amsterdam 25-754/A/A

    Voorzittersbeslissing; verweerder mocht de uitspraken van klaagster die (geanonimiseerd) gepubliceerd zijn op de website www.rechtspraak.nl gebruiken voor een artikel. Daarvoor hoefde hij geen toestemming van klaagster te vragen. Klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:224 Raad van Discipline Amsterdam 25-445/A/A/D

    Raadsbeslissing; dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond. Verweerder heeft in de eerste plaats bij zijn bijstand in de aandelenoverdracht niet voldaan aan de verplichtingen in de Wwft en in de Voda door geen (verscherpt) cliëntonderzoek te verrichten. In de tweede plaats heeft verweerder niet voldaan aan de zware zorgplicht die op hem rustte door als enige advocaat op te treden voor twee partijen om een echtscheiding tot stand te brengen. Daarbij heeft verweerder bovendien nagelaten belangrijke afspraken schriftelijk vast te leggen, hetgeen strijd met gedragsregel 16 lid 1 oplevert. In de derde plaats heeft verweerder zijn declaraties niet op de juiste wijze ingericht, doordat deze niet aan zijn cliënten waren gericht of niet duidelijk maakten wie als cliënt moest worden aangemerkt. Hiermee heeft verweerder gehandeld in strijd met gedragsregel 17 lid 2, artikel 7.5 van de Voda en de kernwaarde (financiële) integriteit. Tot slot heeft verweerder in het kader van een eerder opgelegde schorsing de deken niet volledig geïnformeerd over lopende dossiers en is verweerder in die periode van schorsing werkzaamheden blijven verrichten. Bij het bepalen van de hoogte van de maatregel zijn als verlichtende omstandigheden meegewogen dat de verwijtbare gedragingen inmiddels meer dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden en verweerder daarna niet meer tuchtrechtelijk is veroordeeld. Ook is meegewogen dat verweerder zelfinzicht heeft getoond, zich heeft bijgeschoold, zijn werkwijze en zijn kantoorbeleid heeft aangepast waar het het factureren en de vastleggingen voor de Wwft en de Voda betreft. Verder is in het voordeel van verweerder meegewogen dat het tijdsverloop vanaf de start van het onderzoek van de deken (juli 2022) tot de daadwerkelijke indiening van het dekenbezwaar (juli 2025) erg lang is geweest en daarmee zeer belastend voor verweerder. Een schorsing van 26 weken, waarvan 13 weken voorwaardelijk, is passend bevonden.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:276 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-449/AL/GLD

    de klacht van klaagster dat verweerster haar belangen bij het gezamenlijke verzoek tot echtscheiding niet goed heeft behartigd, is te laat ingediend op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet. Het beroep van klaagster op een verschoonbare termijnoverschrijding slaagt niet. De raad kan niet vaststellen dat klaagster in de betreffende periode feitelijk niet in staat was om een klacht over verweerster in te dienen of te laten indienen. De klacht is niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:277 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-331/AL/GLD

    Raadsbeslissing. De raad heeft een klacht over de advocaat van de wederpartij ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:273 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-060/AL/GLD

    verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:274 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-743/AL/OV

    Klagers, opa en vader van de kinderen, beklagen zich over de advocaat van de ex-vrouw van de vader over de omgangsregeling met de (klein)kinderen. Opa is deels kennelijk niet-ontvankelijk. Verweerster mocht afgaan op de van haar cliënte verkregen informatie zonder nader onderzoek. Verweerster heeft in dat kader onweersproken gesteld dat zij beschikt over bewijs ter onderbouwing van haar standpunten. Alhoewel de voorzitter begrijpt dat sommige opmerkingen in de e-mail van verweerster van 29 november 2024 door klagers als pijnlijk of onjuist zijn ervaren, is dat alleen onvoldoende om verweerster daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2025:275 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-321/AL/OV

    Klacht gaat over de advocaat van de wederpartij van klager in een geschil over de omgangsregeling. Verweerder heeft als partijdige belangenbehartiger in twee opvolgende e-mails aan klager het standpunt van zijn cliënte over de omgangsregeling en de mogelijke eenzijdige stopzetting daarvan uiteengezet en klager gewezen op de mogelijkheid om naar de rechter te stappen. Dat klager deze e-mails van verweerder als dreigend en provocerend en escalerend heeft ervaren, begrijpt de raad, maar dat alleen is onvoldoende om verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken, temeer daar de verhuizing van klager naar Spanje de onderliggende oorzaak van het nieuwe geschil over de omgang was. Het was beter geweest als verweerder zijn tweede e-mail niet op zondag aan klager had gestuurd maar een dag later, maar dat is niet dusdanig ernstig dat verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:259 Hof van Discipline 's Gravenhage 240280 en 240281

    Verschoningsrecht. Kernwaarden onafhankelijkheid, integriteit en betamelijkheid. Bestuursorgaan als cliënt en Wet open overheid.De oorsprong van de klachten ligt in het strafrechtelijk onderzoek Castor waarin het Openbaar Ministerie via een (heimelijke) strafrechtelijke vordering de beschikking kreeg over e-mailberichten waarvan later is komen vast te staan dat deze onder het verschoningsrecht vielen van de advocaat die de verdachten bijstond. Het hof is van oordeel dat verweerder de kernwaarde onafhankelijkheid heeft geschonden doordat verweerder zomaar op de juridische opvatting van zijn cliënt heeft gevaren dat de e-mails niet onder het verschoningsrecht zouden vallen. Door kennis te nemen van de e-mails en deze voor het advies te gebruiken heeft verweerder zijn eigen verantwoordelijkheid om het verschoningsrecht van een andere advocaat te respecteren niet genomen en daarmee ook de kernwaarden integriteit en betamelijkheid geschonden. Het hof rekent het handelen van verweerder hem, gelet op het fundamentele en essentiële karakter van het verschoningsrecht in de rechtsstaat, zwaar aan. Verweerder heeft met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. Rekening houdend met het betoonde inzicht van verweerder en gelet op alle omstandigheden van dit geval heeft het hof aan verweerder de maatregel van een berisping opgelegd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:223 Raad van Discipline Amsterdam 25-719/A/A

    Voorzittersbeslissing. Verweerster heeft onbetwist aangevoerd dat zij alle producties (waaronder ook de herschreven tijdlijn) eerst nog ter goedkeuring aan haar cliënt M heeft overgelegd. Hierop heeft zij schriftelijk akkoord van cliënt M ontvangen. Vervolgens zijn de producties door verweerster bij het Hof ingediend. Dat verweerster ervan op de hoogte was, of kon zijn, dat klaagster de auteur was van deze tijdlijn, wordt door verweerster gemotiveerd betwist en dit is de voorzitter ook overigens niet gebleken. De naam van klaagster wordt niet als auteur van de tijdlijn vermeld en er bestond voor verweerster ook verder geen aanleiding om dit te kunnen vermoeden. Nu niet klaagster, maar M de cliënt van verweerster was en M ook zijn goedkeuring heeft gegeven voor indiening van de aangepaste tijdlijn, kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Verweerster heeft er verder nog op gewezen dat zij er pas tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof kennis van kreeg dat klaagster het niet eens was met de wijzigingen in haar verklaring omdat het Hof haar liet weten dat klaagster zich daarover rechtstreeks per brief tot het Hof had gewend. Onder die omstandigheden kan het verweerster ook niet (tuchtrechtelijk) verweten worden dat zij geen nadere pogingen heeft gedaan om, toen haar duidelijk werd dat klaagster zich niet in de wijzigingen kon vonden, een oplossing daarvoor te vinden. De klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:258 Hof van Discipline 's Gravenhage 250415

    Niet-verwijzing klacht over deken. Klager klaagt over de volledig uitblijvende behandeling van zijn klacht over wijlen mr. S. Klager stelt dat zijn (daaruit volgende) schade het directe gevolg is van het ontbreken van toezicht, het structureel niet behandelen van de klachten van klager door verweerster en het afschermen van een advocaat die aantoonbaar tegen zijn belangen heeft gehandeld. Uit de bij de klacht bijgevoegde bijlage kan het hof niet afleiden dat verweerster de klacht(en) van klager over wijlen mr. S. niet in behandeling wenst te nemen. Het hof kan hieruit slechts afleiden dat verweerster weigert informatie te verstrekken over de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van wijlen mr. S. In zoverre is de klacht over (het niet behandelen van de klacht over wijlen mr. S door) verweerster door het hof niet te verifiëren en is er in zoverre geen grond tot verwijzing voor onderzoek naar een andere deken. Het hof is niet bevoegd verweerster te bevelen informatie te verstrekken. Het hof is evenmin bevoegd te oordelen over door verweerster al dan niet veroorzaakte schade. Verweerster is ook geen partij in een eventuele door klager jegens (de verzekeraar van) mr. S te beginnen procedure tot verhaal van zijn schade.