Zoekresultaten 141-150 van de 2448 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:100 Hof van Discipline 's Gravenhage 260070

    Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Een klacht over een deken is geen middel om de inhoud van een aanwijzingsbeslissing van een deken ter discussie te stellen. Hetgeen verweerster heeft geschreven aan klager over de wijze waarop een advocaat wordt aangewezen en de werkwijze van de aangewezen advocaat is bovendien juist. De mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen is een aanvullende voorziening voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem of haar bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat alsook dat de deken niet gehouden is de advocaat te verplichten iedere door een klager gewenste procedure te voeren (Hof van Discipline 26 januari 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:24).

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:48 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-630/DB/OB

    Verzet. De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en voorts rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:49 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-857/DB/LI

    herstelbeslissing

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:90 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-796/AL/MN

    Klacht over de advocaat van de wederpartij van klager in een huurgeschil. Naar het oordeel van de raad stond het verweerder vrij om op verzoek van zijn cliënt, de huurder, een melding bij de gemeente over klager, de verhuurder, te doen terwijl de procedure bij de kantonrechter nog liep. Van een premature melding was in die zin dan ook geen sprake. Vast staat dat de gemeente op grond van de Wet goed verhuurderschap aan klager een waarschuwing heeft opgelegd. Of dat op grond van alleen de melding van verweerder is gebeurd of op grond van meerdere meldingen over klager, is de raad niet duidelijk geworden. In elk geval is van een ongefundeerde melding door verweerder niet gebleken. Evenmin is de raad gebleken dat verweerder opzettelijk onjuiste feiten of onnodig grievende uitlatingen over klager in zijn stukken heeft gedaan. Verweerder heeft klager niet rauwelijks gedagvaard, nu klager daarvoor was gewaarschuwd. Ook overigens zijn de klachten ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:86 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-119/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster bij het partijdig optreden voor haar cliënte voldoende oog gehad voor de gerechtsvaardigde belangen van klager als wederpartij. Verweerster handelde daarbij in opdracht van haar cliënte en mocht aan reacties van klager termijnen verbinden. Dat verweerster daarna procedures nodeloos is gestart, is niet gebleken. Verweerster mocht afgaan op de van haar cliënte verkregen informatie. Dat haar cliënte niet voor overleg open stond, kan verweerster tuchtrechtelijk niet worden aangerekend. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:47 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-049/DB/OB

    Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Een advocaat moet de hem opgedragen werkzaamheden met de nodige voortvarendheid voor zijn cliënt te verrichten. Van een behoorlijk handelend advocaat mag voorts worden verwacht dat deze de cliënt naar behoren op de hoogte houdt van de voortgang van de zaak of van zaken die de voortgang belemmeren. Verweerster heeft dit verzaakt. De (advocaat van de) man heeft het verzoek ingediend op 19 februari 2024. Verweerster is in februari 2024 haar rechtsbijstand aangevangen. Verweerster heeft het verweerschrift met zelfstandig tegenverzoek alimentatie vervolgens pas op 12 juli 2024 ingediend, bijna vijf maanden later derhalve. Verweerster had er, zoals zij ter zitting heeft verklaard, naar de mening van de raad niet zonder meer vanuit mogen gaan dat de ingangsdatum van de verplichting tot betaling van alimentatie op een eerder moment zou worden gesteld dan de datum van de indiening van het verzoek tot vaststelling van de alimentatie, te meer nu een ingangsdatum in het verleden enkel in uitzonderingsgevallen door de rechter wordt bepaald. In veel gevallen is de ingangsdatum van de verplichting tot het betalen van alimentatie de datum van indiening van het verzoek tot het betalen van alimentatie. Dat is in casu uiteindelijk ook zo bepaald door de rechtbank. Mede gelet op het feit dat klaagster ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zij in haar eentje de kosten van de kinderen droeg, had klaagster, naar verweerster wist of behoorde te weten, belang bij het spoedig indienen van een verzoek tot vaststelling van de (voorlopige) kinderalimentatie. Van feiten en omstandigheden die voldoende rechtvaardiging vormden voor het zo lang uitblijven van indiening van een verzoek tot (voorlopige) vaststelling van de alimentatie is naar het oordeel van de raad niet gebleken. De door verweerster gestelde verplichting om eerst te proberen de kwestie in der minne te regelen kunnen in elk geval niet worden gekwalificeerd als dergelijke feiten en omstandigheden. Ook het feit dat de wederpartij een kort geding procedure aanhangig had gemaakt (en weer had ingetrokken), maakt niet dat het langdurig uitblijven van indiening van een dergelijk verzoek gerechtvaardigd is. Verweerster had naar het oordeel van de raad kortom veel eerder in actie kunnen en moeten komen. Door dit niet te doen heeft verweerster de belangen van klaagster niet naar behoren behartigd. In zoverre gegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:87 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-127/AL/GLD

    Voorzittersbeslissing. Klaagster kan over de vermeende belangenverstrengeling tussen de twee cliënten van verweerster niet klagen bij gebrek aan een eigen persoonlijk belang daarbij. Dat verweerster vertrouwelijke informatie van klaagster met een cliënt heeft gedeeld, is betwist en niet met concrete stukken onderbouwd. Deels kennelijk niet-ontvankelijk, deels kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:88 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-663/AL/GLD/D

    Dekenbezwaar. Verweerder houdt kantoor in Spanje. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder in strijd gehandeld met de artikelen 4.3 en 4.4. Voda. De raad kan zonder bewijs van de door verweerder gevolgde kwaliteitstoetsen of behaalde opleidingspunten niet vaststellen dat verweerder aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Dat verweerder hierin een uitzonderingspositie van de (toenmalige) deken heeft gekregen is de raad niet gebleken. Met de door verweerder opgeworpen systeemtechnische bezwaren kan de raad niets. Het is aan verweerder om daarover met de deken in contact te treden, die zich bereid heeft verklaard om mee te denken. Verweerder heeft daarnaast in strijd gehandeld met artikel 46 Advocatenwet in combinatie met gedragsregel 29 door niet onverkort aan de verzoeken van de deken te voldoen. Door dat zonder gerechtvaardigde reden na te laten, heeft verweerder het toezicht van de deken belemmerd. Verweerder heeft niet alleen structureel niet voldaan aan artikel 46 Advocatenwet en de hiervoor genoemde verplichtingen uit de Voda, verweerder heeft ook in strijd gehandeld met de kernwaarde deskundigheid als genoemd is artikel 10a lid 1 sub c Advocatenwet. Ook door zijn eigen 'bewijsprobleem' op het bordje van de deken te leggen, heeft verweerder zich niet gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Aan de keuze van verweerder om als advocaat in Nederland ingeschreven te willen blijven, welke keuze blijkens de door verweerder ter zitting gegeven toelichting met name door nostalgische overwegingen is ingegeven, zijn verplichtingen verbonden. Verweerder dient te beseffen dat hij niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Vanwege de ernst van de gedraging en om te voorkomen dat verweerder opnieuw niet aan zijn verplichtingen voldoet door opleidingspunten te behalen en die te bewijzen, acht de raad het op zijn plaats om de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken op te leggen. De raad zal, als stok achter de deur, aan de op te leggen voorwaardelijke schorsing naast de algemene voorwaarden ook een bijzondere voorwaarde verbinden ( binnen vier weken na de uitspraak van de raad alsnog de opgevraagde bewijsstukken over de jaren 2022 tot en met 2024 bij de deken aanleveren).

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:89 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-793/AL/MN

    Verweerster heeft bij aanvang van de opdracht geen toevoeging voor klaagster aangevraagd. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster daarbij onvoldoende zorgvuldig gehandeld (gedragsregel 18). Weliswaar heeft zij de bij aanvang met klaagster gemaakte afspraken in de opdrachtbevestiging vastgelegd, maar verweerster heeft daarin niet, noch in een ander schriftelijk stuk, ook vastgelegd dat klaagster uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van haar eventuele recht op gefinancierde rechtsbijstand en zij ook begreep wat daarvan de gevolgen waren. Daarnaast heeft verweerster zich ontijdig want kort voor een zitting onttrokken (gedragsregel 14 lid 3). Naar het oordeel van de raad had verweerster, ook zonder de (te late) stukken van de wederpartij, naar de zitting bij het gerechtshof moeten gaan om de belangen van haar klaagster te behartigen die daarop ook mocht vertrouwen. Afhankelijk van de uitkomst van die zitting had het verweerster vrijgestaan om zich daarna alsnog aan de zaak van klaagster te onttrekken vanwege de ontstane vertrouwensbreuk. Berisping.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:44 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-590/DB/OB

    Verzet. De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en voorts rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Verzet ongegrond.