Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

Zoekresultaten 101-110 van de 136 resultaten

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:50 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-341

    Essentie: Dekenbezwaar tegen twee advocaten van hetzelfde kantoor, beiden tevens bestuurder van de stichting derdengelden van kantoor. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder in strijd met (doel en de strekking van) artikel 6.22 lid 3 Voda gehandeld door aan zijn cliënt toestemming te verlenen om overtollige gelden vanwege de ophanden zijnde liquidatie van de vennootschappen van die cliënt over te maken naar de derdengeldenrekening van zijn kantoor. Dat in dit specifieke geval sprake was van een uitzonderingssituatie in de zin van - de Toelichting op - het derde lid van artikel 6.22 Voda en het noodzakelijk was dat die gelden door de cliënt naar de derdengeldenrekening van het kantoor van verweerders werd overgeboekt, is voor de raad niet komen vast te staan. Verweerder heeft zijn cliënt in strijd met artikel 46 Advocatenwet - en Voda - dan ook oneigenlijk gebruik laten maken van de derdengeldenrekening van het kantoor door financiële dienstverlening aan zijn cliënt te faciliteren voor langere tijd, zonder dat daartoe enige advocatuurlijke noodzaak bestond. Door deze ongeoorloofde toestemming en handelwijze heeft verweerder naar het oordeel van de raad ook zijn onafhankelijkheid ten opzichte van zijn cliënt in gevaar gebracht. De raad oordeelt voorts dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid - artikel 10a lid 1 sub a Advocatenwet – en voorts financieel niet integer heeft gehandeld, in strijd met de kernwaarde met artikel 10a lid 1 sub d Advocatenwet. Mede gelet op een aantal strafverzwarende- en strafverlichtende omstandigheden legt de raad aan verweerder een voorwaardelijke schorsing voor vier weken in uitoefening van zijn praktijk op. Verweerster heeft als bestuurder van de stichting derdengelden van het kantoor weliswaar niet zelf aan de cliënt van verweerder toestemming verleend om gelden over te maken naar de derdengeldenrekening van het kantoor, maar heeft als bestuurder van die rekening wel toegestaan dat die - aanzienlijke - gelden voor een aantal weken op de derdengeldenrekening van kantoor geparkeerd stonden. Dat verweerster in die periode heeft onderzocht waarom die gelden daarop stonden of bij verweerder heeft aangedrongen op snelle terugboeking daarvan aan de betreffende cliënt of anderszins actie heeft ondernomen, is de raad niet gebleken. Met dit handelen heeft verweerster als medebestuurder van de stichting derdengelden in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 6.23 leden 1 en 2 Voda door medewerking te verlenen aan de met de artikelen 6.22 lid 3 en 6.19.2 Voda strijdige handelingen van verweerder, zodat ook verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarnaast heeft ook verweerster aldus financieel niet integer gehandeld en ook haar onafhankelijkheid als advocaat in gevaar gebracht, wat in strijd is met de kernwaarden in artikel 10a lid a en d Advocatenwet. Net als bij verweerder heeft naar het oordeel van de raad voor verweerster als verzwarende omstandigheid te gelden dat verweerster vanaf het moment dat zij bekend is geworden met de gelden van de cliënt op de derdengeldenrekening van kantoor, zij veel te lang heeft gewacht met (aandringen op) terugbetaling daarvan of een andere actie. Zij heeft haar verantwoordelijkheid daarin niet genomen. Daar komt nog bij dat ook bij verweerster niet is gebleken waarom zij daarna heeft ingestemd met terugbetaling van verschillende hogere en lagere bedragen dan door de betrokken vennootschappen van de cliënte op de derdengeldenrekening waren overgemaakt; een sluitende verklaring daarvoor ontbreekt. Aan verweerster wordt een berisping opgelegd. Tweemaal proceskostenveroordeling.  

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:51 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-340

    Essentie: Dekenbezwaar tegen twee advocaten van hetzelfde kantoor, beiden tevens bestuurder van de stichting derdengelden van kantoor. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder in strijd met (doel en de strekking van) artikel 6.22 lid 3 Voda gehandeld door aan zijn cliënt toestemming te verlenen om overtollige gelden vanwege de ophanden zijnde liquidatie van de vennootschappen van die cliënt over te maken naar de derdengeldenrekening van zijn kantoor. Dat in dit specifieke geval sprake was van een uitzonderingssituatie in de zin van - de Toelichting op - het derde lid van artikel 6.22 Voda en het noodzakelijk was dat die gelden door de cliënt naar de derdengeldenrekening van het kantoor van verweerders werd overgeboekt, is voor de raad niet komen vast te staan. Verweerder heeft zijn cliënt in strijd met artikel 46 Advocatenwet - en Voda - dan ook oneigenlijk gebruik laten maken van de derdengeldenrekening van het kantoor door financiële dienstverlening aan zijn cliënt te faciliteren voor langere tijd, zonder dat daartoe enige advocatuurlijke noodzaak bestond. Door deze ongeoorloofde toestemming en handelwijze heeft verweerder naar het oordeel van de raad ook zijn onafhankelijkheid ten opzichte van zijn cliënt in gevaar gebracht. De raad oordeelt voorts dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid - artikel 10a lid 1 sub a Advocatenwet – en voorts financieel niet integer heeft gehandeld, in strijd met de kernwaarde met artikel 10a lid 1 sub d Advocatenwet. Mede gelet op een aantal strafverzwarende- en strafverlichtende omstandigheden legt de raad aan verweerder een voorwaardelijke schorsing voor vier weken in uitoefening van zijn praktijk op. Verweerster heeft als bestuurder van de stichting derdengelden van het kantoor weliswaar niet zelf aan de cliënt van verweerder toestemming verleend om gelden over te maken naar de derdengeldenrekening van het kantoor, maar heeft als bestuurder van die rekening wel toegestaan dat die - aanzienlijke - gelden voor een aantal weken op de derdengeldenrekening van kantoor geparkeerd stonden. Dat verweerster in die periode heeft onderzocht waarom die gelden daarop stonden of bij verweerder heeft aangedrongen op snelle terugboeking daarvan aan de betreffende cliënt of anderszins actie heeft ondernomen, is de raad niet gebleken. Met dit handelen heeft verweerster als medebestuurder van de stichting derdengelden in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 6.23 leden 1 en 2 Voda door medewerking te verlenen aan de met de artikelen 6.22 lid 3 en 6.19.2 Voda strijdige handelingen van verweerder, zodat ook verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarnaast heeft ook verweerster aldus financieel niet integer gehandeld en ook haar onafhankelijkheid als advocaat in gevaar gebracht, wat in strijd is met de kernwaarden in artikel 10a lid a en d Advocatenwet. Net als bij verweerder heeft naar het oordeel van de raad voor verweerster als verzwarende omstandigheid te gelden dat verweerster vanaf het moment dat zij bekend is geworden met de gelden van de cliënt op de derdengeldenrekening van kantoor, zij veel te lang heeft gewacht met (aandringen op) terugbetaling daarvan of een andere actie. Zij heeft haar verantwoordelijkheid daarin niet genomen. Daar komt nog bij dat ook bij verweerster niet is gebleken waarom zij daarna heeft ingestemd met terugbetaling van verschillende hogere en lagere bedragen dan door de betrokken vennootschappen van de cliënte op de derdengeldenrekening waren overgemaakt; een sluitende verklaring daarvoor ontbreekt. Aan verweerster wordt een berisping opgelegd. Tweemaal proceskostenveroordeling.  

  • ECLI:NL:TADRAMS:2020:40 Raad van Discipline Amsterdam 20-036/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. In deze procedure gaat het om de vraag of verweerder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat de stukken (ver)vals(t) zijn. Dat heeft klaagster in het licht van het verweer van verweerder onvoldoende onderbouwd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2020:34 Raad van Discipline Amsterdam 19-791/A/A

    Klacht over Gedragsregel 15 ongegrond. Aan alle voorwaarden van Gedragsregel 15 lid 3 is voldaan.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2020:41 Raad van Discipline Amsterdam 20-155/A/A/W

    Wrakingsbeslissing. Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond.  Een nieuw wrakingsverzoek zal niet in behandeling worden genomen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2020:35 Raad van Discipline Amsterdam 19-836/A/A

    Klacht over de eigen advocaat gegrond. Verweerder heeft gedurende ruim vier maanden niets, althans niets betekenisvols voor klaagster gedaan en heeft in die periode ook nauwelijks contact met klaagster gehad. Op de zitting heeft hij weinig inzicht getoond in zijn eigen handelen. Berisping en kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2020:36 Raad van Discipline Amsterdam 19-561/A/A

    Ongegrond verzet

  • ECLI:NL:TADRAMS:2020:37 Raad van Discipline Amsterdam 19-562/A/A

    Ongegrond verzet

  • ECLI:NL:TADRAMS:2020:38 Raad van Discipline Amsterdam 19-778/A/NH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. Klager heeft niet onderbouwd dat verweerder niet met klager wil overleggen of met hem in gesprek wil gaan.

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:49 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-373 19-374

    Het betreft in deze zaak een klacht van de Belastingdienst dat verweerders (1)een fiscaal onderzoek hebben belemmerd en (2)de Belastingdienst dan wel 2 betrokken ambtenaren ten onrechte hebben beschuldigd van schending van hun ambtsgeheim. De Belastingdienst deed onder meer onderzoek naar mogelijke erfbelasting die verschuldigd zou zijn door de erfgenamen van een overledene. Deze overledene had vlak vóór zijn overlijden bijna 1 miljoen euro in contanten had opgenomen van een Duitse bankrekening en bewaarde dat bedrag in koffers in zijn woning in Nederland. Na zijn overlijden heeft zijn huisgenote advies gevraagd aan verweerders t.a.v. het geldbedrag. Die adviseerden haar het geld te storten op de derdengeldrekening van hun kantoor. De Belastingdienst was van oordeel dat de erfgenamen mogelijkerwijs rechthebbende waren op het geldbedrag, wat door verweerders werd betwist, en zochten contact met hen. Daarop hebben verweerders de erfgenamen een intimiderende brief gestuurd waarin zij dreigden met allerlei maatregelen als de erfgenamen contact zochten met de Belastingdienst. Het doel was kennelijk de erfgenamen er van te weerhouden in gesprek te gaan met de Belastingdienst door hen angst aan te jagen en te verbieden met de Belastingdienst in contact te treden. Verweerders achtten de brief acceptabel omdat het standpunt van de Belastingdienst juridisch onhoudbaar was en stelden dat niet de erfgenamen rechthebbende waren maar hun cliënte. De raad is van oordeel dat het standpunt van de Belastingdienst niet bij voorbaat onhoudbaar was waardoor de inhoud van de brief van verweerders aan de erfgenamen als een poging moet worden aangemerkt om het onderzoek van de Belastingdienst te belemmeren. Daardoor hebben verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het 2e klachtonderdeel is ongegrond. Het stond verweerders vrij het standpunt in te nemen dat de Belastingdienst dan wel de betrokken ambtenaren hun ambtsgeheim hebben geschonden. Klacht deels niet-ontvankelijk en deels gegrond. Maatregel : waarschuwing.