Zoekresultaten 21-30 van de 6149 resultaten

  • ECLI:NL:TNORAMS:2026:12 Kamer voor het notariaat Amsterdam 784986 / NT RK 26/9

    Klagers verwijten de notaris dat zij, als executeur, heeft geweigerd informatie te geven over het document in de nalatenschap waaruit blijkt dat klagers een eerste recht van koop op de woonetage hebben. Ten tweede verwijten klagers de notaris dat zij niet heeft gehandeld zoals het een goed notaris betaamt, omdat dat zij onzorgvuldig is geweest in haar manier van communiceren. Beide klachtonderdelen ongegrond.klachtonderdeel 1 De notaris heeft verklaard dat klagers geen erfgenamen zijn in de nalatenschap en ook geen ander soort recht hebben dat voortvloeit uit de nalatenschap. Verder heeft de notaris verklaard dat zij met de erfgenamen heeft gesproken, maar zij geen toestemming hebben gegeven voor het delen van informatie met klagers. De kamer ziet geen reden om aan de verklaringen van de notaris te twijfelen en concludeert op basis van het voorgaande dat het haar niet vrijstond om informatie over de nalatenschap te delen met klagers.klachtonderdeel 2 Niet is gebleken van een onzorgvuldige of gebrekkige communicatie van de zijde van de notaris. Op verzoeken van klagers is voldoende tijdig en ook inhoudelijk adequaat gereageerd. Dat er tussen de brieven over en weer zes weken zijn verstreken, brengt niet mee dat er een tuchtrechtelijke grens is overschreden. De notaris had immers ook tijd nodig om een en ander uit te zoeken en om bij de erfgenamen navraag te doen. De notaris onderkent verder dat het achteraf bezien beter was geweest om klagers telefonisch uitleg te geven over haar rol als executeur. Dat zij dit heeft nagelaten is echter niet klachtwaardig. Het valt de notaris ook niet te verwijten dat haar reactie (die volgens klagers pas na maanden werd ontvangen) summier was, gezien het onder 5.6 en 5.7 overwogene.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:223 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/10113

    Voorzittersbeslissing. Het klaagschrift voldoet niet aan de daaraan in de wet gestelde eisen (artikel 65 lid 2 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verbinding met artikel 4 lid 1 van het Tuchtrechtbesluit BIG). Daarom is klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:224 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/10144

    Voorzittersbeslissing. Het klaagschrift voldoet niet aan de daaraan in de wet gestelde eisen (artikel 65 lid 2 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verbinding met artikel 4 lid 1 van het Tuchtrechtbesluit BIG). Daarom is klager kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:165 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9407

    Klager dient een klacht in tegen een klinisch psycholoog. Hij klaagt over gebrekkige dossiervoering, over het volgens hem door verweerster onterecht gegeven verlengingsadvies in het kader van zijn opgelegde tbs met dwangverpleging, over het gebruikte instrument voor de risicoanalyse en over zijn overplaatsing naar een andere afdeling. Het college verklaart alle klachten van klager kennelijk ongegrond. Dat zijn schizofreniestoornis in remissie was had duidelijker kunnen worden vermeld in het dossier maar dat dit niet is gedaan levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. Het verlengingsadvies bevat geen verkeerde diagnose: dat de psychotische verschijnselen in remissie zijn, betekent niet, zoals klager kennelijk veronderstelt, dat er geen onderliggende stoornis meer is. Het gebruikte HKT-R-risicotaxatie-instrument is geschikt en verweerster was niet verantwoordelijk voor de beslissing om klager over te plaatsen naar een andere afdeling.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:311 Hof van Discipline 's Gravenhage 250464

    Klaagster heeft een klacht ingediend over de eigen advocaat. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) oordeelt dat het hoger beroep van verweerder ongegrond is. Net als de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) is het hof van oordeel dat verweerder klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over het verloop van de boedelscheidingsprocedure met haar ex-echtgenoot. Ook had verweerder zonder toestemming van klaagster zijn correspondentie aan klaagster niet in cc mogen sturen aan een bekende van klaagster (hierna: “L”). Verweerder had bovendien klaagster moeten informeren over de relatie die hij met L kreeg omdat zij de moeder is van de ex-echtgenoot van klaagster en verweerder L ook bijstond in een geschil met haar zoon, de ex-echtgenoot van klaagster (hierna “A”). De onzorgvuldige handelwijze van verweerder is niet overeenkomstig de professionele standaard die voor een betamelijk handelend advocaat geldt. Het hof vernietigt de beslissing van de raad op het onderdeel van de maatregel. In aanmerking nemende de tuchtrechtelijk verwijtbare handelwijze van verweerder en zijn tuchtrechtelijk verleden acht het hof een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:312 Hof van Discipline 's Gravenhage 250463

    Deze zaak betreft een klacht over de eigen advocaat. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) oordeelt dat het hoger beroep van verweerder ongegrond is. Verweerder heeft bij de behandeling van de zaak van klaagsters in strijd gehandeld met de kernwaarden onafhankelijkheid, deskundigheid en financiële integriteit. Verweerder heeft geen regie gevoerd en klaagster onnodig twee keer cassatieadvies laten inwinnen. In de procedure van klaagster heeft verweerder onvoldoend deskundige rechtsbijstand verleend. Verweerder heeft ook de informatieplicht (gedragsregel 16) miskend: verweerder heeft geen opdrachtbevestiging verzonden en niets schriftelijk vastgelegd over adviezen, processtrategie, kansen, risico’s en kosten. Het hof vernietigt de beslissing van de raad op het onderdeel van de opgelegde maatregel (voorwaardelijke schorsing van vier weken). In aanmerking nemende de tuchtrechtelijk verwijtbare handelwijze van verweerder, zijn houding ter zitting en zijn tuchtrechtelijk verleden acht het hof een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:313 Hof van Discipline 's Gravenhage 250085H

    Herzieningsverzoek afgewezen. Voorzittersbeslissing na sluiting vooronderzoek op grond van artikel 5.1 van het herzieningsprotocol. Het verzoek tot herziening dient kennelijk te worden afgewezen nu er op voorhand geen sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 1.2 van het herzieningsprotocol. Het herzieningsverzoek is feitelijk een verkapt hoger beroep. Het middel van herziening is echter niet bedoeld om het, met het door een onherroepelijke beslissing van het hof, afgesloten debat te heropenen.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:194 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-648/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:308 Hof van Discipline 's Gravenhage 260182

    Beklag artikel 13 Advocatenwet. Klaagster dient zich te realiseren dat de advocaat bij de behandeling van een zaak ‘dominus litis’ is. De advocaat heeft de leiding bij de behandeling van een zaak en een eigen verantwoordelijkheid om te bepalen met welke aanpak de belangen van zijn cliënt(e) het beste zijn gediend. Dat kan betekenen dat een advocaat niet (of nog niet) bereid is precies de stappen te nemen die een cliënt wenst. Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld om een advocaat aan te wijzen die in alle opzichten aan de wensen van klaagster zal gaan voldoen. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat er geen grond is voor aanwijzing van een advocaat, nu klaagster nog steeds kan worden bijgestaan door de door de rechtsbijstandsverzekeraar aangezochte advocaat, mits zij meewerkt aan het door de betreffende advocaat ingezette traject. Aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet voor aanwijzing van een advocaat is door klaagster niet voldaan.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:195 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-660/AL/GLD

    voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster bij het partijdig optreden voor haar cliënte voldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van klager. Verweerster handelde in opdracht van haar cliënte. Die cliënte was kennelijk niet bereid om op alle voorstellen in te gaan, tegenvoorstellen te doen, of daarop telkens inhoudelijk te reageren. Verweerster heeft het standpunt van haar cliënte ook meermaals in duidelijke bewoordingen uiteengezet richting klager. Dat hij zich daarin niet kon vinden, maakt nog niet dat verweerster dat kan worden aangerekend. Het is de voorzitter uit de overgelegde correspondentie verder niet gebleken dat verweerster door haar optreden en met haar toonzetting bewust de onderhandelingen tussen klager en haar cliënte heeft gefrustreerd. Klacht deels niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, voor het overige kennelijk ongegrond.