ECLI:NL:TADRSGR:2026:230 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-740/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:230 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-09-2026 |
| Datum publicatie: | 06-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-740/DH/DH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Verwijt is dat de advocaat een toezegging tot (gedeeltelijke) creditering niet nakomt. De voorzitter kan niet vaststellen dat verweerder een onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan. Verweerder heeft in 2025 aangeboden de helft van het bedrag te crediteren, onder de voorwaarde van finale kwijting, maar klaagster is niet akkoord gegaan. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
16 september 2026
in de zaak 26-740/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 20 augustus 2026 met kenmerk K027 2026 en van de op de bijbehorende inventarislijst genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft klaagster van begin 2024 tot oktober 2024 bijgestaan in
een geschil met haar buren. Verweerder heeft klaagster op 17 september 2024 bericht
dat hij, naar aanleiding van informatie die hij had gekregen van de advocaat van de
buren en die klaagster niet aan verweerder had verteld, van mening was dat het starten
van een gerechtelijke procedure niet in het belang van klaagster was omdat zij een
weinig kansrijke zaak had en de kosten van een gerechtelijke procedure niet zouden
opwegen tegen de geleden schade. Ook heeft verweerder er op gewezen dat hij de belangen
van de buren niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel en dat hij
inmiddels het gevoel had gekregen dat klaagster met de door haar gewenste gerechtelijke
procedure slechts het doel had om haar buren op kosten te jagen. Klaagster had op
dat moment in totaal een bedrag van € 2.480,50 aan verweerder betaald voor zijn rechtsbijstand.
1.2 Op 31 oktober 2024 heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen klaagster
en verweerder waarin de mogelijke alternatieve stappen voor klaagster zijn besproken.
1.3 Op 7 oktober 2025 heeft klaagster aan verweerder gemaild dat zij hebben afgesproken
dat, vanwege de geleverde wanprestatie, de betaalde facturen worden terugbetaald en
dat dit tot klaagsters verbazing nog niet heeft plaatsgevonden. Klaagster verzoekt
verweerder het totaalbedrag van € 2.480,50 per omgaande aan haar over te maken.
1.4 Op 8 oktober 2025 heeft verweerder gereageerd en gemotiveerd betwist dat
sprake is geweest van wanprestatie. Over de facturen schrijft verweerder:
“…op 14 en 31 oktober 2024 telefonisch overleg met u heb gehad, maar dat ik in geen
van deze gesprekken met u heb afgesproken dat de door u betaalde facturen volledig
zouden worden terugbetaald. Wel heb ik als tegemoetkoming – en dus geheel onverplicht
– aangeboden om de helft van het reeds betaalde totaalbedrag te crediteren, (…).
De reden waarom er thans nog geen gedeelte creditering heeft plaatsgevonden, is
omdat u tijdens het gesprek op 31 oktober 2024 aangaf eerst de second opinion van
mr. [P] te willen afwachten en dat u daarna aan mij zou laten weten of u het voorstel
zou accepteren. Omdat ik nadien niet meer van u heb vernomen en ik derhalve ook niet
wist of u akkoord was met mijn voorstel, heb ik de financiële administratie van mijn
kantoor zodoende nog geen opdracht gegeven voor het crediteren van de helft van het
totaalbedrag.
Mijn eerdere voorstel om de helft van het door u betaalde bedrag te crediteren geldt
nog steeds en zodra u aangeeft dat u akkoord gaat met dit voorstel zal ik de financiële
administratie direct opdracht geven om dit verder af te handelen. Gezien het voorgaande
zie ik echter geen aanleiding om het volledige door u betaalde bedrag te crediteren.”
1.5 Op 25 oktober 2025 klaagster aan verweerder onder meer gemaild:
“Tot op heden nog geen betaling ontvangen! Reeds in het gesprek op 31 oktober 2024
heb ik genoemd dat er een wanprestatie is geleverd. Mijn standpunt hierin blijft overeind.
Dit doet niets af dat de betaling – er is immers geen relatie tussen betaling accorderen
en akkoord met het voorstel – kan plaatsvinden. (…)
Nogmaals het dringend verzoek per omgaande de betaling over te maken.”
1.6 Na nog een herinnering van klaagster op 1 november 2025 heeft verweerder
op 3 november 2025 aan klaagster geschreven dat er nog geen betaling heeft plaatsgevonden
omdat zij tot op heden nog niet heeft aangegeven of zij akkoord is met het door verweerder
gedane voorstel de helft van het door haar betaalde bedrag te crediteren. Verweerder
schrijft dat het voorstel geldig blijft tot uiterlijk maandag 10 november 2025 om
15:00 uur en dat het voorstel automatisch vervalt bij het uitblijven van reactie.
1.7 Op 9 november 2025 heeft klaagster aan verweerder onder meer geschreven:
“Op 31 oktober 2024 is toegezegd dat in ieder geval de helft van de door mij betaalde
facturen gecrediteerd zou worden. U bevestigt dat wederom in onderstaande mailberichten.
Tot op heden is de toezegging/belofte van jullie kan niet nagekomen. (…)
Deze toezegging/belofte is onvoorwaardelijk aangeboden. Al mijn eerdere correspondentie
over de wanprestatie blijft overheid. Tevens behoud ik ook al mijn rechten.
Na een jaar wachten op de uitvoering van de toezegging/belofte wordt er nu plotseling
een termijn aangehangen: (…). Het kan en mag niet zo zijn dat ik nu onder druk gezet
c.q. bedreigd wordt (het mes staat op mijn keel) dat er een termijn aan wordt gehangen.”
1.8. Op 12 november 2025 heeft verweerder aan klaagster onder meer geschreven:
“Het voorstel dat ik heb gedaan om de helft van het door u betaalde bedrag te crediteren
was nadrukkelijk een (geheel onverplicht) voorstel en geen toezegging. Het is aan
u om dat voorstel al dan niet te accepteren. Uit uw eerdere correspondentie heb ik
echter niet kunnen opmaken dat u met mijn voorstel instemt, en om die reden heb ik
een termijn genoemd. (…) Mijn intentie is om vooraf zekerheid te hebben dat u akkoord
gaat met het crediteren van de helft van het door u betaalde bedrag, zodat er later
geen discussie ontstaat over de resterende helft.”
1.9. Op 12 november 2025 heeft klaagster aan verweerder onder meer geschreven:
“(…) ervaar ik het als grensoverschrijdend gedrag dat je mij dwingt af te zien van
“de resterende helft”. (…) Voor alle helderheid ik doe geen afstand van welk recht
dan ook. (…) Nogmaals het dringende verzoek uitvoering te geven aan jullie onvoorwaardelijke
toezegging/belofte en per omgaande overgaan tot creditering van de helft van het betaalde
bedrag”
1.8 Op 14 november 2025 heeft verweerder aan klaagster onder meer geschreven:
“Gezien uw reactie moet ik constateren dat het kennelijk niet mogelijk is om in
deze kwestie tot een gezamenlijk oplossing te komen. Immers, zoals ik in mijn vorige
e-mail heb aangegeven is er nooit sprake geweest van een onvoorwaardelijke toezegging
of belofte. (…)
Aangezien ik ook uit uw reactie opmaakt dat u niet instemt met het eerdere door
mij gedane voorstel om tegen finale kwijting de helft van het door u betaalde bedrag
te crediteren, is het voorstel daarmee automatisch komen te vervallen.”
1.9 Op 16 januari 2026 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder komt een onvoorwaardelijk aan klaagster gedane toezegging niet
na.
Klaagster heeft toegelicht dat verweerder in oktober 2024 heeft beloofd om de helft
van het door haar betaalde bedrag te crediteren. Klaagster stelt dat verweerder die
belofte niet betwist, maar dat hij weigert te betalen en plotseling allerlei voorwaarden
opwerpt. Zij stelt dat verweerder destijds een onvoorwaardelijke toezegging c.q. belofte
heeft gedaan, wat ook blijkt uit de in 2025 gevoerde correspondentie. Het is destijds
door verweerder niet geformuleerd als een aanbod onder voorbehoud en niet afhankelijk
gesteld van acceptatie, termijnstelling of financiële kwijting. Pas een jaar later
wordt daarover voor het eerst gesproken. Verweerder maakt de uitvoering nu afhankelijk
van nieuwe voorwaarden. Klaagster vindt de manier van communiceren in strijd met de
zorgvuldigheid die van een advocaat mag worden verwacht.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij betwist dat een onvoorwaardelijke
toezegging is gedaan. Verweerder heeft uit coulance een aanbod gedaan. Klaagster gaf
telefonisch te kennen dat zij eerst de second opinion van de collega advocaat wilde
afwachten en dat zij daarna zou laten weten of zij verweerders voorstel zou accepteren.
Nadien heeft verweerder niets meer van klaagster vernomen, tot haar e-mail van 7 oktober
2025. Uit de daaropvolgende correspondentie blijkt niet dat zij instemt met het door
verweerder gedane voorstel. Verweerder heeft aangegeven nog steeds bereid te zijn
de helft van het door klaagster betaalde bedrag te crediteren, maar dan moet het voor
haar wel duidelijk zijn dat het daarbij blijft en dat zij nadien niet ook de resterende
helft ter discussie kan stellen.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met
de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in
de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
Beoordeling klacht
4.2 De klacht ziet in de kern op de vraag of tussen klaagster en verweerder een
onvoorwaardelijke afspraak tot terugbetaling is gemaakt die vervolgens door verweerder
zou zijn geschonden. Dat is een vraag die primair aan de civiele rechter moet worden
voorgelegd, niet aan de tuchtrechter.
4.3 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen wat er
tijdens het telefoongesprek tussen klaagster en verweerder in oktober 2024 precies
is besproken en afgesproken. Uit de in 2025 gevoerde correspondentie blijkt echter
niet dat door verweerder in oktober 2024 een onvoorwaardelijke toezegging is gedaan
om het gehele, dan wel de helft van het, door klaagster betaalde bedrag terug te betalen.
Daaruit volgt namelijk steeds dat verweerder een aanbod heeft gedaan om de helft van
het bedrag te crediteren en dat klaagster na de second opinion zou laten weten of
zij daarmee akkoord zou gaan of niet. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat klaagster
vervolgens niets meer van zich heeft laten horen tot de e-mail van 7 oktober 2025
waarin zij stelt dat is afgesproken dat het gehele bedrag zou worden terugbetaald.
De voorzitter kan dan ook niet vaststellen dat verweerder - zoals klaagster stelt
- in oktober 2024 een onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan.
4.4 Uit de e-mailcorrespondentie van 2025 volgt dat verweerder (nog steeds) aan
klaagster aanbiedt om de helft van het bedrag te crediteren, onder de voorwaarde van
finale kwijting. Klaagster gaat echter niet akkoord met dit voorstel. Dat verweerder
nog geen bedrag aan klaagster heeft terugbetaald, is dan ook niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar.
4.5 De voorzitter acht evenmin verwijtbaar dat verweerder een termijn stelt voor
het al dan niet accepteren van het aanbod. Het aanbod is gedaan in oktober 2024. Van
verweerder kan niet worden verwacht dat zijn aanbod een onbeperkte geldigheid heeft.
De door hem gestelde termijn is ook niet onredelijk. Ook anderszins is de voorzitter
niet gebleken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder. De klacht is
kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
Griffier Voorzitter