ECLI:NL:TADRSGR:2026:235 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-599/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:235
Datum uitspraak: 23-09-2026
Datum publicatie: 06-10-2026
Zaaknummer(s): 26-599/DH/RO
Onderwerp:
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarop al eerder is beslist
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Overige gronden
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klager heeft bij de deken 13 klachten ingediend over verweerster (de advocaat van zijn ex-partner), waarvan klager er twee aan de tuchtrechter heeft voorgelegd. Deze klachten zijn kennelijk ongegrond en kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Deze nieuwe klacht is eveneens kennelijk niet-ontvankelijk vanwege strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 23 september 2026
in de zaak 26-599/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 13 juli 2026 met kenmerk R 2026/068, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager is met zijn ex-echtgenote verwikkeld in een familierechtelijke kwestie over hun minderjarige kinderen. Klager wordt hierin bijgestaan door mr. K. Verweerster staat de ex-echtgenote van klager hierin vanaf december 2023 bij. 
1.2    In de periode van eind 2023/begin 2024 tot 30 juli 2026 heeft klager bij de deken 13 klachten over verweerster ingediend. In twee van de door de deken afgeronde klachtdossiers heeft klager griffierecht betaald en zijn deze zaken voorgelegd aan de Raad van Discipline Den Haag (hierna: de raad). Het gaat om de volgende twee klachtzaken:
1) Op 13 december 2023, aangevuld op 23 april 2024, heeft klager bij de deken een klacht over verweerster ingediend bestaande uit 33 klachtonderdelen. In deze klacht verweet klager verweerster (a) dat zij zich feitelijk onjuist en kwetsend/onnodig grievend uitlaat, (b) dat zij in het familierechtelijke geschil polariserend optreedt, (c) dat zij onvoldoende rekening houdt met de belangen van de kinderen en (d) dat verweerster misbruik maakt van haar positie en geen rekening houdt met zijn gerechtvaardigde belangen als wederpartij. Op 9 oktober 2024 heeft de voorzitter van de raad deze klacht in alle 33 klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is geen verzet ingesteld.
2) Op 20 september 2024, aangevuld op 21 september 2024, heeft klager bij de deken opnieuw een klacht over verweerster ingediend. Met deze klacht verweet klager verweerster het volgende:
‘Er is stevig geprocedeerd en als het spreekwoordelijke puntje bij paaltje komt handelt [verweerster] niet naar haar verzoeken. [Verweerster] heeft zelf deze procedure gecreeerd, moedwilling gehandeld. Alle verzoeken zijn bij de rechter afgewezen: gronden voor deze klacht -Nodeloos procederen is in strijd met zorgplicht jegens de wederpartij. - Onvoldoende onderbouwen van verzoeken – Tegenwerkende houding (tot op de dag van vandaag) - misbruik van procesrecht - kansloze procedure begonnen - men spreekt over juridische smaad, laster en stalking - geen goede grondslag in zaak 2286588 heb ik dit al aangekaart aan [deken]. Hele tegenstrijdige visie gegeven in hetgeen wat er de afgelopen 4 weken heeft plaatsgevonden. De advocaten kunnen doen wat ze willen en misbruiken hun bevoegdheden. (…). Meerdere malen is door mijn advocaat om tekst en uitleg gevraagd. Maar [verweerster] geeft niet thuis meer. Alleen haar zakken aan het vullen.’
Op 6 augustus 2025 heeft de voorzitter van de raad deze klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard voor zover de klacht gaat over de periode vóór 23 april 2024, omdat klager niet nogmaals kan klagen over hetzelfde handelen van verweerster als waarover hij in de eerdere klacht al heeft geklaagd. Voor het overige heeft de voorzitter de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.3    Op 5 december 2024 heeft een telefonisch overleg plaatsgevonden tussen verweerster en de advocaat van klager, mr. K. Mr. K. heeft een verslag van dit gesprek opgesteld.
1.4    Op 16 juni 2026 heeft klager bij de deken andermaal een klacht over verweerster ingediend. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij tijdens het telefoongesprek op 5 december 2024 met zijn advocaat onterecht en onnodig druk heeft uitgeoefend door te dreigen met juridische stappen en bemoeienis van de politie indien haar wensen niet zouden worden ingewilligd. Volgens klager wordt dit gedrag gekarakteriseerd als intimidatie, framing, smaad en laster. Dit incident wijst volgens klager op een zorgwekkende trend binnen de advocatuur, waarbij misbruik wordt gemaakt van de juridische positie om vaders in een kwaad daglicht te plaatsen. 
2.2    De voorzitter zal hierna, voor zover nodig, op de klacht ingaan.

 
3    BEOORDELING
Toetsingskader
3.1    Voordat de voorzitter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht moet de voorzitter, gelet op de visie van de deken maar ook ambtshalve, eerst beoordelen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. 
3.2    In het tuchtrecht geldt het zogenaamde ‘ne bis in idem-beginsel’, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
3.3    Verder moeten klachten over het optreden van een advocaat zoveel mogelijk worden gebundeld om te voorkomen dat voor iedere gedraging binnen hetzelfde feitencomplex steeds aparte tuchtprocedures moeten worden gevoerd. Het indienen van een opvolgende klacht kan in zo’n situatie in strijd komen met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde (zie HvD 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111).
Klacht is kennelijk niet-ontvankelijk vanwege misbruik van recht
3.4    De voorzitter stelt op grond van het klachtdossier vast dat klager verweerster met zijn klacht grotendeels dezelfde verwijten maakt als in zijn eerdere klachten van  
13 december 2023 en 20 september 2024 en daarover heeft de tuchtrechter in de beslissingen van 9 oktober 2024 en 6 augustus 2025 eerder al geoordeeld. Deze nieuwe klacht gaat in de kern opnieuw over hetzelfde feitencomplex: het familierechtelijke geschil tussen klager en zijn ex-echtgenote over de procedures die zij voeren over hun minderjarige kinderen en de bijstand van verweerster aan de ex-echtgenote. De grenzen van  het juridische speelveld tussen (de advocaten van) partijen waarover het tuchtrecht zich uitstrekt zijn daarmee bereikt. Het advocatentuchtrecht is er niet voor bedoeld om bij elke nieuwe procedure die in een familierechtelijk geschil over de gezamenlijke kinderen door de wederpartij wordt opgestart steeds maar een klacht in te dienen over de advocaat die de wederpartij daarin bijstaat, alleen omdat de klager het niet eens is met de toon en/of de proceshandelingen van deze advocaat. Door nu voor de derde keer een klacht over verweerster in te dienen omdat zij de ex-echtgenote bijstaat in het geschil over de kinderen handelt klager in strijd met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde. 
3.5    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder b Advocatenwet, daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.

 
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.


Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op
23 september 2026.