ECLI:NL:TADRSGR:2026:222 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-549/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:222
Datum uitspraak: 09-09-2026
Datum publicatie: 06-10-2026
Zaaknummer(s): 26-549/DH/RO
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Naar het oordeel heeft verweerder de belangen van klager op zorgvuldige partijdige wijze behartigd en ook goed met klager gecommuniceerd. Uit de stukken is niet gebleken dat de bijstand door verweerder aan klager ondermaats is geweest. Vast staat dat klager concept processtukken heeft ontvangen en stukken aan verweerder heeft gestuurd. Het was de keuze van verweerder om te bepalen welke relevante opmerkingen en stukken in de procedure werden gebruikt. Dat klager op enig moment bezwaar heeft gemaakt tegen het gebruik van zijn medische informatie, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken zodat verweerder erop mocht vertrouwen dat hij de medische stukken van klager met diens instemming in het geding mocht brengen.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 9 september 2026
in de zaak 26-549/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

over


verweerder 


De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 29 juni 2026 met kenmerk R 2026/065 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 29. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager heeft tot medio 2022, laatstelijk op basis van een overeenkomst van opdracht,  als verzorgende individuele gezondheidszorg voor de zorginstelling Stichting Rivas Zorggroep (hierna: Rivas) gewerkt. Klager heeft in dat kader onder andere zorg verleend aan de bewoners van locatie W. In het najaar van 2021 heeft Rivas meldingen van een aantal bewoners ontvangen over vermeend seksueel grensoverschrijdend van klager. 
1.2    Rivas heeft op 20 december 2021 melding gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) van de beëindiging van de samenwerking met klager wegens disfunctioneren en heeft de vermeende incidenten van klager met een aantal bewoners toegelicht. 
1.3    In een brief van 24 december 2021 heeft Rivas klager onder meer bericht dat hij niet langer wordt ingezet vanwege verdenking van seksueel grensoverschrijdend gedrag en dat daarvan een melding bij de IGJ wordt gedaan. 
1.4    Op 30 december 2021 heeft de toenmalige rechtsbijstandsverlener van klager gereageerd, de aantijgingen betwist en is Rivas aansprakelijk gesteld omdat de opzegging van de overeenkomst van opdracht in strijd was met de redelijkheid en billijkheid. 
1.5    Op 27 januari 2022 heeft de IGJ schriftelijk aan klager laten weten dat zij de melding van Rivas had ontvangen en beoordeeld en tot de conclusie was gekomen dat nader onderzoek achterwege kon blijven. Er waren volgens de IGJ op dat moment geen gegronde redenen om aan te nemen dat er een ernstig risico bestond voor de veiligheid van cliënten of anderszins voor het leveren van goede zorg. De IGJ heeft het dossier gesloten. 
1.6    Klager heeft zich voor verdere rechtsbijstand tot verweerder gewend. 
1.7    Verweerder heeft op 18 oktober 2023 aan klager een ruwe concept-dagvaarding gestuurd. In die e-mail heeft verweerder klager uitgelegd waarom hij in die dagvaarding nog geen concrete schadevergoeding vordert en geadviseerd om eerst een uitspraak van de rechter over de aansprakelijkheid van Rivas voor de door klager geleden schade te vragen. 
1.8    Op 26 oktober 2023 heeft een bespreking tussen klager en verweerder plaatsgevonden. In zijn e-mail van 27 oktober 2023 heeft verweerder onder meer aan klager geschreven:
Verwijzend naar onze bespreking van 26 oktober 2023 bevestig ik u onderstaand zakelijk wat wij hebben besproken. 
• de conceptdagvaarding hebben wij doorgenomen en ik heb een aantal wijzigingen aangebracht. Het gewijzigde concept gaat hierbij; 
• bijgaand mijn e-mail aan confrère mr. [N] waarvan de inhoud voor zich spreekt; 
• ik heb u uitgebreid gewezen op het aan de procedure verbonden procesrisico, dat inhoudt dat u bij verlies niet alleen geen schadevergoeding krijgt, maar ook in de kosten van de wederpartij wordt veroordeeld; 
• wij hebben afgesproken dat u het medisch dossier, zoals is aangelegd door de heer [M], zelf ophaalt en daarna aan mij stuurt/langsbrengt. 
Wat ik nog vergeten ben te vragen aan u is of u het goed vindt dat ik de conceptdagvaarding ook met de brief aan mr. [N] toestuur aan mevrouw mr. [H] van de rechtsbijstandsverzekeraar. Zelf heb ik daar geen enkel bezwaar tegen, maar voor de zekerheid vraag ik toch maar uw toestemming. (…)
1.9    In een e-mail van 29 oktober 2023 heeft verweerder onder meer aan klager geschreven:
Dank voor de aanvulling. Wilt u het concept van de dagvaarding dat overigens conform afspraak aan [naam kantoor]advocaten heb gestuurd na onze bespreking van het concept heb opgestuurd nogmaals goed doorlezen.
Als het concept eenmaal is goedgekeurd en door de deurwaarder uitgereikt wordt het moeilijker om wijzigingen aan te brengen. Zover is het nog niet, maar over twee weken wil ik de procedure wel gaan beginnen. Gebruikt u die periode om het concept goed na te kijken en eventuele wijzigingen aan mij door te geven. Eventueel bespreken we het concept opnieuw na een te maken afspraak. 
1.10    Op 21 december 2023 heeft verweerder aan klager geschreven dat hij het van klager ontvangen verslag nog aan de dagvaarding zal toevoegen en dat de dagvaarding daarna naar de deurwaarder wordt gestuurd. 
1.11    Op 10 januari 2024 heeft verweerder Rivas gedagvaard. Klager heeft gevorderd Rivas te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. Op 16 januari 2024 heeft verweerder klager hierover geïnformeerd en daarbij aangegeven dat waarschijnlijk verweer zal worden gevoerd.
1.12    Op 13 maart 2024 heeft verweerder de door hem ontvangen conclusie van antwoord van 12 maart 2024 aan klager doorgestuurd en voorgesteld om die te bespreken zodra een datum voor de zitting bekend is. 
1.13    Op 24 juni 2024 heeft een bespreking tussen en klager op kantoor van verweerder plaatsgevonden ter voorbereiding van de op 9 juli 2024 door de rechtbank geplande comparitie van partijen.
1.14    Op 9 juli 2024 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Klager was daarbij met verweerder aanwezig. De rechter heeft partijen een eventuele schikking in overweging gegeven.
1.15    In zijn e-mail van 10 juli 2024 heeft verweerder aan klager onder meer geschreven dat hij na de zitting op 9 juli 2024 aan klager heeft gevraagd of hij open stond voor een schikking. Klager zou daarover nadenken en daarop bij verweerder terugkomen. Verweerder heeft klager gevraagd om hem duidelijk te maken of verweerder met de wederpartij in gesprek moet gaan over een eventuele schikking. 
1.16    Op 19 juli 2024 heeft verweerder, na ontvangst van documenten over de vrijwilligerswerkzaamheden door klager, aan klager gemaild dat de ontvangen verklaring van mevrouw A niet gunstig is voor klager en dat na de zitting geen stukken meer aan de rechtbank kunnen worden gestuurd. 
1.17    Bij vonnis van 11 september 2024 heeft de rechtbank Rotterdam de vorderingen van klager afgewezen, met veroordeling van klager in de proceskosten.
1.18    In zijn e-mail van 17 september 2024 heeft verweerder klager erop gewezen dat hij klager meermaals heeft gevraagd of hij openstond voor een schikking maar klager dat niet wilde. Verweerder heeft zich bereid verklaard om nog een poging te wagen om met de wederpartij over een schikking in gesprek te gaan maar dat hij daar weinig verwachtingen van had. 
1.19    Op 24 oktober 2024 heeft verweerder aan klager onder meer geschreven dat Rivas niet bereid leek te overleggen over een schikking. Verder heeft verweerder nog geschreven:
U weet dat aan het hoger beroep een serieus risico kleeft dat u opnieuw verlies en dat de proceskostenveroordeling dan nog hoger is. 
1.20    Op 25 november 2024 heeft verweerder aan klager onder meer bericht:
De termijn waarbinnen u in hoger beroep kunt gaan van het vonnis van 11 september 2024 van de rechtbank Rotterdam verstrijkt binnen drie maanden nadien. Dat is dus al heel snel namelijk 11 december 2024. U weet dat ik dat hoger beroep geen goed idee vind en u heb aangeraden als er niets te schikken valt om een andere advocaat te raadplegen. Kunt u morgen laten weten wat u heeft gedaan? Gaat een andere advocaat voor u in hoger beroep of berust u in de uitspraak of wilt u nagaan of een schikking mogelijk is?
1.21    Op 1 december 2024 heeft verweerder aan klager onder meer bericht dat hij twee weken daarvoor door de opvolgend advocaat van klager, mr. C, is gebeld. Verweerder vermeldt dat hij aan mr. C de relevante stukken uit het dossier heeft toegestuurd en ook telefonisch overleg met mr. C heeft gehad. Daarbij is het advies van verweerder aan klager van oktober 2023, om af te zien van hoger beroep, besproken. Op verdere vragen van klager is verweerder niet meer ingegaan vanwege de dossierovername. 
1.22    Op 4 augustus 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: 
a)    afspraken niet na te komen / selectief te handelen en cruciale stukken niet bij klager op te vragen;
Toelichting: Klager verwijt verweerder dat hij van klager ontvangen relevante documenten niet bij de dagvaarding heeft gevoegd. Het gaat onder meer over de volgende documenten: urenregistraties en roosters, waarmee inzicht had kunnen worden gegeven in de aanwezigheid van klager op bepaalde momenten; e-mail en telefooncontact na het eerste incident; feedbackformulieren, waaruit bleek dat klager altijd goede beoordelingen kreeg. Ook verwijt klager verweerder dat hij diverse cruciale stukken niet bij klager heeft opgevraagd, althans niet concreet in het dossier heeft behandeld;
b)    gebrekkig met klager te communiceren, waarmee verweerder de zorgvuldigheid en informatieplicht heeft geschonden;
Toelichting: Volgens klager heeft verweerder aan klager geen / onvoldoende uitleg gegeven over de processtrategie of over zijn keuze om bepaalde documenten van klager niet te gebruiken in de procedure. Verweerder had toegezegd dat hij klager voorafgaand aan de zitting zijn pleitnota zou toesturen. Dat heeft verweerder nagelaten, waardoor klager daarop niet heeft kunnen reageren of correcties heeft kunnen doorgeven bij een belangrijk processtuk. Na de zitting heeft verweerder nauwelijks met klager gecommuniceerd, verzoeken tot overleg genegeerd, en nagelaten om zijn pleitnota aan klager te geven. Ook de overdracht van het dossier naar de opvolgend advocaat van klager verliep onzorgvuldig en gebrekkig, evenals de contacten over het hoger beroep;
c)    ongeoorloofd medische stukken van klager aan de wederpartij te verstrekken;
Toelichting: Voor de zaak van klager waren alleen de medische gegevens van maximaal twee jaar oud van belang na de tegen klager geuite beschuldigingen. Verweerder heeft desondanks het volledige door klager verstrekte dossier doorgestuurd aan de advocaat van de wederpartij. Klager was hiervan niet op de hoogte en aan hem is niet uitgelegd waarom dat noodzakelijk was;
d)    zijn partijdigheid te schenden / de schijn van belangenverstrengeling te wekken.
Toelichting: Verweerder heeft door het nalaten van belangrijke acties en door het inbrengen van stukken die de wederpartij hielpen, niet in het partijdig belang van klager gehandeld. Daarmee is sprake van de schijn van belangenverstrengeling.

3    VERWEER
Klachtonderdelen a) en b)
3.1    Verweerder stelt voorop dat de klacht zo veelomvattend is, dat het vrijwel onmogelijk is om op alle verwijten te kunnen reageren. Hij betwist op voorhand de juistheid daarvan en reageert op een aantal concrete verwijten. 
3.2    Volgens verweerder heeft hij klager voortdurend op de hoogte gehouden van de gekozen processtrategie en over de gang van zaken en de reden om stukken wel of niet in het geding te brengen, zowel mondeling als schriftelijk. Hij verwijst ter onderbouwing hiervan naar de veelvuldig met klager gevoerde correspondentie, zoals opgenomen in de feiten hierboven. 
3.3    De dagvaarding en processtrategie, om Rivas uit hoofde van onrechtmatige daad aan te spreken, zijn uitgebreid met klager op 26 oktober 2023 op kantoor besproken aan de hand van een concept-dagvaarding die klager op 18 oktober 2023 had ontvangen. In zijn e-mail van 27 oktober 2023 heeft verweerder vastgelegd wat hij op 26 oktober 2023 met klager had besproken. Verweerder verwijst ook naar zijn e-mail van 21 december 2023. Daaruit volgt dat hij de dagvaarding na opmerkingen van klager heeft aangepast en bij de definitieve dagvaarding nog het nagekomen stuk van klager heeft gevoegd. De stukken die hij niet heeft ingebracht, waren in de deskundige visie van verweerder niet relevant voor het weerleggen van de klager gemaakte verwijten van seksueel overschrijdend gedrag. Op 19 juli 2024 heeft hij aan klager uitgelegd dat de vrijwilligersovereenkomst, die klager na de zitting aan verweerder had toegestuurd, niet meer naar de rechtbank kon worden gestuurd. 
3.4    In aanloop naar de comparitie van partijen bij de rechtbank op 9 juli 2024 heeft verweerder op 24 juni 2024 uitvoerig met klager gesproken. Toen is ook met klager afgesproken dat ze elkaar vijftien minuten voor de zitting zouden treffen, zoals is gebeurd. Verweerder heeft tijdens de zitting uitgebreid het standpunt van klager uiteengezet, zonder daarbij gebruik te maken van pleitaantekeningen. Klager zelf heeft tijdens de comparitie ook het woord gevoerd en de rechter de nodige uitleg gegeven. Dat heeft er in het belang van klager juist toe geleid dat een deel van de aan klager verweten gedragingen door de rechtbank niet konden worden vastgesteld. 
3.5    Kort na de uitspraak van 11 september 2024 heeft hij klager zowel mondeling als  schriftelijk in oktober 2024 op de mogelijkheid van hoger beroep en de risico’s daarvan gewezen. Hij heeft dit op 1 december 2024 nogmaals herhaald. Klager wist dat verweerder geen hoger beroep wilde instellen maar dat hij nog wel een schikkingspoging wilde wagen. Ondanks het bericht van verweerder van 10 juli 2024, was toen duidelijk dat klager niet wilde schikken. Na de negatieve uitspraak van 11 september 2024 wilde klager dat ineens wel, maar was de wederpartij daartoe niet meer bereid.  
Klachtonderdeel c)
3.6    Bij de dagvaarding heeft verweerder in overleg met klager diens medische gegevens overgelegd om de stelling te onderbouwen dat klager als gevolg van de opzegging en de hem gemaakte verwijten aan PTSS leed en schade had geleden. Omdat uit die medische gegevens naar voren kwam dat sprake was van een belaste voorgeschiedenis, heeft hij klager ten tijde van de bespreking van de conclusie van antwoord van de wederpartij geadviseerd om het huisartsenjournaal over een tijdvak van twee jaar voorafgaand aan de opzegging op te vragen om die aan de rechtbank te sturen. Daarmee kon verduidelijkt worden dat psychische problemen in 2009 en 2010 niet langer speelden en klager twee jaar voor de opzegging op dat vlak niets mankeerde. Klager heeft met dit voorstel ingestemd, het huisartsenjournaal opgehaald en aan verweerder overhandigd. Van ongeoorloofde schending van de privacy van klager was geen sprake. 
Klachtonderdeel d)
3.7    Verweerder betwist zich te hebben ingezet voor de belangen van de wederpartij. Hij heeft zich onafhankelijk en op zorgvuldige wijze ingezet voor de belangen van klager, zoals ook blijkt uit de overlegde correspondentie met klager. Verweerder heeft zelfs nog een kale appeldagvaarding - allicht in strijd met de wens van klager - toch laten uitbrengen om klager op die manier een langere termijn te bezorgen om desgewenst zijn zaak toch nog in hoger beroep te kunnen laten beslechten met bijstand van een andere advocaat. Klager was zo gedecompenseerd dat hij niet goed in staat was om voor zijn eigen belangen op te komen, aldus verweerder. 

4    BEOORDELING
Toetsingsmaatstaf
4.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. 
4.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.3    Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Klachtonderdelen a) en b)
4.4    De voorzitter ziet aanleiding om deze verwijten vanwege hun onderlinge samenhang gelijktijdig te beoordelen.
4.5    Uit de gevoerde correspondentie, voor zover relevant opgenomen onder de feiten hierboven, is de voorzitter gebleken dat verweerder regelmatig en uitgebreid contact met klager heeft gehad, zowel in aanloop naar de zitting als ook daarna. Die communicatie verliep zowel mondeling als schriftelijk. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzitter in zijn e-mails in duidelijke bewoordingen aan klager uitgelegd welke processtrategie zij hadden afgesproken en welke stukken verweerder (nog) nodig had om het standpunt van klager te onderbouwen. Ook is gebleken dat verweerder klager in zijn e-mails goed op de hoogte heeft gehouden van de stand van zaken in de procedure. Op 24 juni 2026 is op kantoor door verweerder met klager, zoals aangekondigd, de conclusie van antwoord van de wederpartij besproken. Toen is volgens verweerder ook de comparitie van partijen van 9 juli 2024 voorbesproken, wat een gebruikelijke gang van zaken is. Ook na de uitspraak van de rechtbank heeft verweerder met klager gecommuniceerd over het vervolg. Verweerder heeft klager laten weten geen kansen te zien om succesvol hoger beroep voor klager in te stellen en klager geadviseerd om daarvoor tijdig een andere advocaat te zoeken. Op het herhaalde aanbod van verweerder om contact met de advocaat van de wederpartij op te nemen om een schikking te onderzoeken, is klager aanvankelijk niet ingegaan. Pas na de voor klager teleurstellende uitspraak heeft hij verweerder gevraagd om de schikkingsbereidheid van de wederpartij te onderzoeken. Dat de wederpartij na de gunstige uitspraak daarvoor toen niet openstond, is begrijpelijk en valt verweerder niet aan te rekenen.
4.6    De voorzitter is uit de stukken niet gebleken dat de bijstand door verweerder aan klager ondermaats is geweest. Als ‘dominis litis’ is het de verantwoordelijkheid van de advocaat om in overleg met de cliënt te bepalen welke juridische standpunten worden ingenomen en hoe die moeten worden onderbouwd. Vast staat dat klager concept-dagvaardingen van verweerder heeft ontvangen, daarop heeft gereageerd en stukken aan verweerder heeft gestuurd. Het was vervolgens de keuze van verweerder om te bepalen welke relevante opmerkingen van klager in de definitieve dagvaarding werden verwerkt en welke stukken in het belang van klager waren om als bewijsstukken bij de dagvaarding te voegen. Dat verweerder is tekortgeschoten door relevante stukken van klager niet te gebruiken of heeft nagelaten belangrijke stukken bij klager op te vragen, is de voorzitter niet gebleken. Klager heeft dit verwijt onvoldoende concreet gemaakt. 
4.7    Ook het verwijt dat sprake was van een onzorgvuldige en gebrekkige overdracht van het dossier aan de opvolgend advocaat van klager is, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, door de voorzitter niet vast te stellen. Klager heeft ook dat verwijt onvoldoende concreet onderbouwd.  
4.8    Verweerder heeft betwist dat hij tijdens de zitting gebruik heeft gemaakt van pleitaantekeningen zodat het verwijt daarover feitelijke grondslag mist. 
4.9    Op grond van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de omstandigheden van het geval mocht worden verwacht. De klachtonderdelen a) en b) worden kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c)
4.10    Verweerder heeft toegelicht dat hij in overleg met klager medische gegevens in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van het standpunt van klager. Als partijdig advocaat van klager moest verweerder dat ook doen. Dat klager daartegen op enig moment bezwaar heeft gemaakt, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken zodat verweerder erop mocht vertrouwen dat hij de medische stukken van klager met diens instemming in het geding mocht brengen. Nu verweerder hierin niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, wordt klachtonderdeel c) kennelijk ongegrond verklaard. 
Klachtonderdeel d)
4.11    Uitgangspunt is dat een advocaat gehouden is om náást de belangen van de eigen cliënt ook rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Dat verweerder tijdens zijn optreden voor klager onvoldoende oog heeft gehad voor de partijdige belangen van klager en meer op de hand was van de wederpartij, kan de voorzitter op basis van de stukken en gelet op de betwisting daarvan door verweerder niet vaststellen. Ook klachtonderdeel d) wordt kennelijk ongegrond verklaard. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.