ECLI:NL:TADRSGR:2026:222 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-549/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:222 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-09-2026 |
| Datum publicatie: | 06-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-549/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Naar het oordeel heeft verweerder de belangen van klager op zorgvuldige partijdige wijze behartigd en ook goed met klager gecommuniceerd. Uit de stukken is niet gebleken dat de bijstand door verweerder aan klager ondermaats is geweest. Vast staat dat klager concept processtukken heeft ontvangen en stukken aan verweerder heeft gestuurd. Het was de keuze van verweerder om te bepalen welke relevante opmerkingen en stukken in de procedure werden gebruikt. Dat klager op enig moment bezwaar heeft gemaakt tegen het gebruik van zijn medische informatie, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken zodat verweerder erop mocht vertrouwen dat hij de medische stukken van klager met diens instemming in het geding mocht brengen. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
9 september 2026
in de zaak 26-549/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Rotterdam (hierna: de deken) van 29 juni 2026 met kenmerk R 2026/065 en van de op
de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 29.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft tot medio 2022, laatstelijk op basis van een overeenkomst van
opdracht, als verzorgende individuele gezondheidszorg voor de zorginstelling Stichting
Rivas Zorggroep (hierna: Rivas) gewerkt. Klager heeft in dat kader onder andere zorg
verleend aan de bewoners van locatie W. In het najaar van 2021 heeft Rivas meldingen
van een aantal bewoners ontvangen over vermeend seksueel grensoverschrijdend van klager.
1.2 Rivas heeft op 20 december 2021 melding gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd (hierna: IGJ) van de beëindiging van de samenwerking met klager wegens disfunctioneren
en heeft de vermeende incidenten van klager met een aantal bewoners toegelicht.
1.3 In een brief van 24 december 2021 heeft Rivas klager onder meer bericht dat
hij niet langer wordt ingezet vanwege verdenking van seksueel grensoverschrijdend
gedrag en dat daarvan een melding bij de IGJ wordt gedaan.
1.4 Op 30 december 2021 heeft de toenmalige rechtsbijstandsverlener van klager
gereageerd, de aantijgingen betwist en is Rivas aansprakelijk gesteld omdat de opzegging
van de overeenkomst van opdracht in strijd was met de redelijkheid en billijkheid.
1.5 Op 27 januari 2022 heeft de IGJ schriftelijk aan klager laten weten dat zij
de melding van Rivas had ontvangen en beoordeeld en tot de conclusie was gekomen dat
nader onderzoek achterwege kon blijven. Er waren volgens de IGJ op dat moment geen
gegronde redenen om aan te nemen dat er een ernstig risico bestond voor de veiligheid
van cliënten of anderszins voor het leveren van goede zorg. De IGJ heeft het dossier
gesloten.
1.6 Klager heeft zich voor verdere rechtsbijstand tot verweerder gewend.
1.7 Verweerder heeft op 18 oktober 2023 aan klager een ruwe concept-dagvaarding
gestuurd. In die e-mail heeft verweerder klager uitgelegd waarom hij in die dagvaarding
nog geen concrete schadevergoeding vordert en geadviseerd om eerst een uitspraak van
de rechter over de aansprakelijkheid van Rivas voor de door klager geleden schade
te vragen.
1.8 Op 26 oktober 2023 heeft een bespreking tussen klager en verweerder plaatsgevonden.
In zijn e-mail van 27 oktober 2023 heeft verweerder onder meer aan klager geschreven:
Verwijzend naar onze bespreking van 26 oktober 2023 bevestig ik u onderstaand zakelijk
wat wij hebben besproken.
• de conceptdagvaarding hebben wij doorgenomen en ik heb een aantal wijzigingen
aangebracht. Het gewijzigde concept gaat hierbij;
• bijgaand mijn e-mail aan confrère mr. [N] waarvan de inhoud voor zich spreekt;
• ik heb u uitgebreid gewezen op het aan de procedure verbonden procesrisico, dat
inhoudt dat u bij verlies niet alleen geen schadevergoeding krijgt, maar ook in de
kosten van de wederpartij wordt veroordeeld;
• wij hebben afgesproken dat u het medisch dossier, zoals is aangelegd door de heer
[M], zelf ophaalt en daarna aan mij stuurt/langsbrengt.
Wat ik nog vergeten ben te vragen aan u is of u het goed vindt dat ik de conceptdagvaarding
ook met de brief aan mr. [N] toestuur aan mevrouw mr. [H] van de rechtsbijstandsverzekeraar.
Zelf heb ik daar geen enkel bezwaar tegen, maar voor de zekerheid vraag ik toch maar
uw toestemming. (…)
1.9 In een e-mail van 29 oktober 2023 heeft verweerder onder meer aan klager
geschreven:
Dank voor de aanvulling. Wilt u het concept van de dagvaarding dat overigens conform
afspraak aan [naam kantoor]advocaten heb gestuurd na onze bespreking van het concept
heb opgestuurd nogmaals goed doorlezen.
Als het concept eenmaal is goedgekeurd en door de deurwaarder uitgereikt wordt het
moeilijker om wijzigingen aan te brengen. Zover is het nog niet, maar over twee weken
wil ik de procedure wel gaan beginnen. Gebruikt u die periode om het concept goed
na te kijken en eventuele wijzigingen aan mij door te geven. Eventueel bespreken we
het concept opnieuw na een te maken afspraak.
1.10 Op 21 december 2023 heeft verweerder aan klager geschreven dat hij het van
klager ontvangen verslag nog aan de dagvaarding zal toevoegen en dat de dagvaarding
daarna naar de deurwaarder wordt gestuurd.
1.11 Op 10 januari 2024 heeft verweerder Rivas gedagvaard. Klager heeft gevorderd
Rivas te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen.
Op 16 januari 2024 heeft verweerder klager hierover geïnformeerd en daarbij aangegeven
dat waarschijnlijk verweer zal worden gevoerd.
1.12 Op 13 maart 2024 heeft verweerder de door hem ontvangen conclusie van antwoord
van 12 maart 2024 aan klager doorgestuurd en voorgesteld om die te bespreken zodra
een datum voor de zitting bekend is.
1.13 Op 24 juni 2024 heeft een bespreking tussen en klager op kantoor van verweerder
plaatsgevonden ter voorbereiding van de op 9 juli 2024 door de rechtbank geplande
comparitie van partijen.
1.14 Op 9 juli 2024 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Klager
was daarbij met verweerder aanwezig. De rechter heeft partijen een eventuele schikking
in overweging gegeven.
1.15 In zijn e-mail van 10 juli 2024 heeft verweerder aan klager onder meer geschreven
dat hij na de zitting op 9 juli 2024 aan klager heeft gevraagd of hij open stond voor
een schikking. Klager zou daarover nadenken en daarop bij verweerder terugkomen. Verweerder
heeft klager gevraagd om hem duidelijk te maken of verweerder met de wederpartij in
gesprek moet gaan over een eventuele schikking.
1.16 Op 19 juli 2024 heeft verweerder, na ontvangst van documenten over de vrijwilligerswerkzaamheden
door klager, aan klager gemaild dat de ontvangen verklaring van mevrouw A niet gunstig
is voor klager en dat na de zitting geen stukken meer aan de rechtbank kunnen worden
gestuurd.
1.17 Bij vonnis van 11 september 2024 heeft de rechtbank Rotterdam de vorderingen
van klager afgewezen, met veroordeling van klager in de proceskosten.
1.18 In zijn e-mail van 17 september 2024 heeft verweerder klager erop gewezen
dat hij klager meermaals heeft gevraagd of hij openstond voor een schikking maar klager
dat niet wilde. Verweerder heeft zich bereid verklaard om nog een poging te wagen
om met de wederpartij over een schikking in gesprek te gaan maar dat hij daar weinig
verwachtingen van had.
1.19 Op 24 oktober 2024 heeft verweerder aan klager onder meer geschreven dat
Rivas niet bereid leek te overleggen over een schikking. Verder heeft verweerder nog
geschreven:
U weet dat aan het hoger beroep een serieus risico kleeft dat u opnieuw verlies
en dat de proceskostenveroordeling dan nog hoger is.
1.20 Op 25 november 2024 heeft verweerder aan klager onder meer bericht:
De termijn waarbinnen u in hoger beroep kunt gaan van het vonnis van 11 september
2024 van de rechtbank Rotterdam verstrijkt binnen drie maanden nadien. Dat is dus
al heel snel namelijk 11 december 2024. U weet dat ik dat hoger beroep geen goed idee
vind en u heb aangeraden als er niets te schikken valt om een andere advocaat te raadplegen.
Kunt u morgen laten weten wat u heeft gedaan? Gaat een andere advocaat voor u in hoger
beroep of berust u in de uitspraak of wilt u nagaan of een schikking mogelijk is?
1.21 Op 1 december 2024 heeft verweerder aan klager onder meer bericht dat hij
twee weken daarvoor door de opvolgend advocaat van klager, mr. C, is gebeld. Verweerder
vermeldt dat hij aan mr. C de relevante stukken uit het dossier heeft toegestuurd
en ook telefonisch overleg met mr. C heeft gehad. Daarbij is het advies van verweerder
aan klager van oktober 2023, om af te zien van hoger beroep, besproken. Op verdere
vragen van klager is verweerder niet meer ingegaan vanwege de dossierovername.
1.22 Op 4 augustus 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) afspraken niet na te komen / selectief te handelen en cruciale stukken niet
bij klager op te vragen;
Toelichting: Klager verwijt verweerder dat hij van klager ontvangen relevante documenten
niet bij de dagvaarding heeft gevoegd. Het gaat onder meer over de volgende documenten:
urenregistraties en roosters, waarmee inzicht had kunnen worden gegeven in de aanwezigheid
van klager op bepaalde momenten; e-mail en telefooncontact na het eerste incident;
feedbackformulieren, waaruit bleek dat klager altijd goede beoordelingen kreeg. Ook
verwijt klager verweerder dat hij diverse cruciale stukken niet bij klager heeft opgevraagd,
althans niet concreet in het dossier heeft behandeld;
b) gebrekkig met klager te communiceren, waarmee verweerder de zorgvuldigheid
en informatieplicht heeft geschonden;
Toelichting: Volgens klager heeft verweerder aan klager geen / onvoldoende uitleg
gegeven over de processtrategie of over zijn keuze om bepaalde documenten van klager
niet te gebruiken in de procedure. Verweerder had toegezegd dat hij klager voorafgaand
aan de zitting zijn pleitnota zou toesturen. Dat heeft verweerder nagelaten, waardoor
klager daarop niet heeft kunnen reageren of correcties heeft kunnen doorgeven bij
een belangrijk processtuk. Na de zitting heeft verweerder nauwelijks met klager gecommuniceerd,
verzoeken tot overleg genegeerd, en nagelaten om zijn pleitnota aan klager te geven.
Ook de overdracht van het dossier naar de opvolgend advocaat van klager verliep onzorgvuldig
en gebrekkig, evenals de contacten over het hoger beroep;
c) ongeoorloofd medische stukken van klager aan de wederpartij te verstrekken;
Toelichting: Voor de zaak van klager waren alleen de medische gegevens van maximaal
twee jaar oud van belang na de tegen klager geuite beschuldigingen. Verweerder heeft
desondanks het volledige door klager verstrekte dossier doorgestuurd aan de advocaat
van de wederpartij. Klager was hiervan niet op de hoogte en aan hem is niet uitgelegd
waarom dat noodzakelijk was;
d) zijn partijdigheid te schenden / de schijn van belangenverstrengeling te wekken.
Toelichting: Verweerder heeft door het nalaten van belangrijke acties en door het
inbrengen van stukken die de wederpartij hielpen, niet in het partijdig belang van
klager gehandeld. Daarmee is sprake van de schijn van belangenverstrengeling.
3 VERWEER
Klachtonderdelen a) en b)
3.1 Verweerder stelt voorop dat de klacht zo veelomvattend is, dat het vrijwel
onmogelijk is om op alle verwijten te kunnen reageren. Hij betwist op voorhand de
juistheid daarvan en reageert op een aantal concrete verwijten.
3.2 Volgens verweerder heeft hij klager voortdurend op de hoogte gehouden van
de gekozen processtrategie en over de gang van zaken en de reden om stukken wel of
niet in het geding te brengen, zowel mondeling als schriftelijk. Hij verwijst ter
onderbouwing hiervan naar de veelvuldig met klager gevoerde correspondentie, zoals
opgenomen in de feiten hierboven.
3.3 De dagvaarding en processtrategie, om Rivas uit hoofde van onrechtmatige
daad aan te spreken, zijn uitgebreid met klager op 26 oktober 2023 op kantoor besproken
aan de hand van een concept-dagvaarding die klager op 18 oktober 2023 had ontvangen.
In zijn e-mail van 27 oktober 2023 heeft verweerder vastgelegd wat hij op 26 oktober
2023 met klager had besproken. Verweerder verwijst ook naar zijn e-mail van 21 december
2023. Daaruit volgt dat hij de dagvaarding na opmerkingen van klager heeft aangepast
en bij de definitieve dagvaarding nog het nagekomen stuk van klager heeft gevoegd.
De stukken die hij niet heeft ingebracht, waren in de deskundige visie van verweerder
niet relevant voor het weerleggen van de klager gemaakte verwijten van seksueel overschrijdend
gedrag. Op 19 juli 2024 heeft hij aan klager uitgelegd dat de vrijwilligersovereenkomst,
die klager na de zitting aan verweerder had toegestuurd, niet meer naar de rechtbank
kon worden gestuurd.
3.4 In aanloop naar de comparitie van partijen bij de rechtbank op 9 juli 2024
heeft verweerder op 24 juni 2024 uitvoerig met klager gesproken. Toen is ook met klager
afgesproken dat ze elkaar vijftien minuten voor de zitting zouden treffen, zoals is
gebeurd. Verweerder heeft tijdens de zitting uitgebreid het standpunt van klager uiteengezet,
zonder daarbij gebruik te maken van pleitaantekeningen. Klager zelf heeft tijdens
de comparitie ook het woord gevoerd en de rechter de nodige uitleg gegeven. Dat heeft
er in het belang van klager juist toe geleid dat een deel van de aan klager verweten
gedragingen door de rechtbank niet konden worden vastgesteld.
3.5 Kort na de uitspraak van 11 september 2024 heeft hij klager zowel mondeling
als schriftelijk in oktober 2024 op de mogelijkheid van hoger beroep en de risico’s
daarvan gewezen. Hij heeft dit op 1 december 2024 nogmaals herhaald. Klager wist dat
verweerder geen hoger beroep wilde instellen maar dat hij nog wel een schikkingspoging
wilde wagen. Ondanks het bericht van verweerder van 10 juli 2024, was toen duidelijk
dat klager niet wilde schikken. Na de negatieve uitspraak van 11 september 2024 wilde
klager dat ineens wel, maar was de wederpartij daartoe niet meer bereid.
Klachtonderdeel c)
3.6 Bij de dagvaarding heeft verweerder in overleg met klager diens medische
gegevens overgelegd om de stelling te onderbouwen dat klager als gevolg van de opzegging
en de hem gemaakte verwijten aan PTSS leed en schade had geleden. Omdat uit die medische
gegevens naar voren kwam dat sprake was van een belaste voorgeschiedenis, heeft hij
klager ten tijde van de bespreking van de conclusie van antwoord van de wederpartij
geadviseerd om het huisartsenjournaal over een tijdvak van twee jaar voorafgaand aan
de opzegging op te vragen om die aan de rechtbank te sturen. Daarmee kon verduidelijkt
worden dat psychische problemen in 2009 en 2010 niet langer speelden en klager twee
jaar voor de opzegging op dat vlak niets mankeerde. Klager heeft met dit voorstel
ingestemd, het huisartsenjournaal opgehaald en aan verweerder overhandigd. Van ongeoorloofde
schending van de privacy van klager was geen sprake.
Klachtonderdeel d)
3.7 Verweerder betwist zich te hebben ingezet voor de belangen van de wederpartij.
Hij heeft zich onafhankelijk en op zorgvuldige wijze ingezet voor de belangen van
klager, zoals ook blijkt uit de overlegde correspondentie met klager. Verweerder heeft
zelfs nog een kale appeldagvaarding - allicht in strijd met de wens van klager - toch
laten uitbrengen om klager op die manier een langere termijn te bezorgen om desgewenst
zijn zaak toch nog in hoger beroep te kunnen laten beslechten met bijstand van een
andere advocaat. Klager was zo gedecompenseerd dat hij niet goed in staat was om voor
zijn eigen belangen op te komen, aldus verweerder.
4 BEOORDELING
Toetsingsmaatstaf
4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die
regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet.
4.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen
als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat
de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen
als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de
beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij
een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat
bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet
onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat
worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk
moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag
worden verwacht.
4.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke
omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdelen a) en b)
4.4 De voorzitter ziet aanleiding om deze verwijten vanwege hun onderlinge samenhang
gelijktijdig te beoordelen.
4.5 Uit de gevoerde correspondentie, voor zover relevant opgenomen onder de feiten
hierboven, is de voorzitter gebleken dat verweerder regelmatig en uitgebreid contact
met klager heeft gehad, zowel in aanloop naar de zitting als ook daarna. Die communicatie
verliep zowel mondeling als schriftelijk. Verweerder heeft naar het oordeel van de
voorzitter in zijn e-mails in duidelijke bewoordingen aan klager uitgelegd welke processtrategie
zij hadden afgesproken en welke stukken verweerder (nog) nodig had om het standpunt
van klager te onderbouwen. Ook is gebleken dat verweerder klager in zijn e-mails goed
op de hoogte heeft gehouden van de stand van zaken in de procedure. Op 24 juni 2026
is op kantoor door verweerder met klager, zoals aangekondigd, de conclusie van antwoord
van de wederpartij besproken. Toen is volgens verweerder ook de comparitie van partijen
van 9 juli 2024 voorbesproken, wat een gebruikelijke gang van zaken is. Ook na de
uitspraak van de rechtbank heeft verweerder met klager gecommuniceerd over het vervolg.
Verweerder heeft klager laten weten geen kansen te zien om succesvol hoger beroep
voor klager in te stellen en klager geadviseerd om daarvoor tijdig een andere advocaat
te zoeken. Op het herhaalde aanbod van verweerder om contact met de advocaat van de
wederpartij op te nemen om een schikking te onderzoeken, is klager aanvankelijk niet
ingegaan. Pas na de voor klager teleurstellende uitspraak heeft hij verweerder gevraagd
om de schikkingsbereidheid van de wederpartij te onderzoeken. Dat de wederpartij na
de gunstige uitspraak daarvoor toen niet openstond, is begrijpelijk en valt verweerder
niet aan te rekenen.
4.6 De voorzitter is uit de stukken niet gebleken dat de bijstand door verweerder
aan klager ondermaats is geweest. Als ‘dominis litis’ is het de verantwoordelijkheid
van de advocaat om in overleg met de cliënt te bepalen welke juridische standpunten
worden ingenomen en hoe die moeten worden onderbouwd. Vast staat dat klager concept-dagvaardingen
van verweerder heeft ontvangen, daarop heeft gereageerd en stukken aan verweerder
heeft gestuurd. Het was vervolgens de keuze van verweerder om te bepalen welke relevante
opmerkingen van klager in de definitieve dagvaarding werden verwerkt en welke stukken
in het belang van klager waren om als bewijsstukken bij de dagvaarding te voegen.
Dat verweerder is tekortgeschoten door relevante stukken van klager niet te gebruiken
of heeft nagelaten belangrijke stukken bij klager op te vragen, is de voorzitter niet
gebleken. Klager heeft dit verwijt onvoldoende concreet gemaakt.
4.7 Ook het verwijt dat sprake was van een onzorgvuldige en gebrekkige overdracht
van het dossier aan de opvolgend advocaat van klager is, tegenover de gemotiveerde
betwisting daarvan door verweerder, door de voorzitter niet vast te stellen. Klager
heeft ook dat verwijt onvoldoende concreet onderbouwd.
4.8 Verweerder heeft betwist dat hij tijdens de zitting gebruik heeft gemaakt
van pleitaantekeningen zodat het verwijt daarover feitelijke grondslag mist.
4.9 Op grond van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder
heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende
advocaat in de omstandigheden van het geval mocht worden verwacht. De klachtonderdelen
a) en b) worden kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c)
4.10 Verweerder heeft toegelicht dat hij in overleg met klager medische gegevens
in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van het standpunt van klager. Als partijdig
advocaat van klager moest verweerder dat ook doen. Dat klager daartegen op enig moment
bezwaar heeft gemaakt, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken zodat verweerder
erop mocht vertrouwen dat hij de medische stukken van klager met diens instemming
in het geding mocht brengen. Nu verweerder hierin niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld, wordt klachtonderdeel c) kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel d)
4.11 Uitgangspunt is dat een advocaat gehouden is om náást de belangen van de
eigen cliënt ook rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij.
Dat verweerder tijdens zijn optreden voor klager onvoldoende oog heeft gehad voor
de partijdige belangen van klager en meer op de hand was van de wederpartij, kan de
voorzitter op basis van de stukken en gelet op de betwisting daarvan door verweerder
niet vaststellen. Ook klachtonderdeel d) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.