ECLI:NL:TADRSGR:2026:234 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-594/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:234 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-09-2026 |
| Datum publicatie: | 06-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-594/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door het adres van klager te delen met zijn cliënte. Verweerder heeft ten opzichte van zijn cliënte een informatieplicht en in dat kader was hij gehouden om zijn cliënte van informatie over het geschil met klager te voorzien en om de stukken die daarover gaan aan haar te verstrekken. Niet gebleken dat verweerder redelijkerwijs bekend was of had kunnen zijn met omstandigheden op grond waarvan hij bepaalde informatie, waaronder het adres van klager, niet aan zijn cliënte bekend had mogen maken. Klacht is kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
23 september 2026
in de zaak 26-594/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 13 juli 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) met kenmerk R 2026/067 – A- 2026/043 mvv/es en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 16.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Op 11 juli 2021 is de grootmoeder van klager overleden (hierna ook: de grootmoeder).
Klager is in het testament van zijn grootmoeder benoemd tot enig erfgenaam.
1.2 De moeder van klager, ook de dochter van de grootmoeder, doet een beroep
op haar legitieme portie in de nalatenschap van de grootmoeder. Verweerder staat de
moeder van klager hierin bij.
1.3 Op 22 januari 2026 heeft een gerechtsdeurwaarder een brief van verweerder
van
21 januari 2026 aan klager betekend. In het betekeningsexploot is het adres van
klager vermeld.
1.4 Op 6 februari 2026 heeft klager over verweerder een klacht bij de deken ingediend.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft de adresgegevens van klager met zijn cliënte heeft gedeeld.
Volgens klager is dit in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna:
AVG), omdat deze gegevens niet nodig zijn voor de afhandeling van de zaak. In dat
verband merkt klager op dat de verstandhouding tussen hem en zijn moeder erg slecht
is, dat hij al jaren geen contact met zijn moeder heeft en dat hij zich voelt aangetast
in zijn veiligheid en die van zijn gezin nu zijn moeder zijn adres heeft.
b) verweerder heeft misleidende informatie verschaft door aan klager te schrijven
dat zijn cliënte het adres van klager ook via het kadaster had kunnen verkrijgen op
basis van naam, geboortejaar en geslacht en dat zij daar wellicht al van op de hoogte
was. Volgens klager heeft navraag bij het kadaster uitgewezen dat dat voor particulieren
niet zo blijkt te zijn.
2.2 De voorzitter zal hierna bij de beoordeling op de klacht ingaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband heeft verweerder, samengevat, aangevoerd
dat van een schending van de AVG geen sprake is, omdat hij de correspondentie met
klager op basis van zijn informatieplicht met zijn cliënte dient te delen. Daarbij
merkt verweerder op dat klager geen geheim adres heeft en dat er geen enkele aanleiding
bestond te veronderstellen dat de veiligheid van klager in gevaar zou komen als hij
de correspondentie over de zaak met zijn cliënte zou delen. Verder voert verweerder
aan dat de vermelding van het adres van klager als wederpartij van zijn cliënte in
het exploot niet in strijd is met de AVG.
Tot slot voert verweerder aan dat hij zijn mededeling aan klager dat een adres ook
kan worden achterhaald via de openbare eigendomsinformatie in het kadaster nog steeds
juist acht. De omstandigheid dat bij die informatie een gerechtvaardigd belang moet
bestaan doet volgens verweerder aan die praktische mogelijkheid geen afbreuk. Verweerder
merkt op dat hij met zijn mededeling heeft willen aangeven dat mensen in Nederland
relatief eenvoudig getraceerd kunnen worden.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de
tuchtrechter het handelen van de advocaat waarover wordt geklaagd aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen. Daarbij is de tuchtrechter niet gebonden aan de
gedragsregels. De gedragsregels kunnen, vanwege het open karakter van de wettelijke
normen, wel van belang zijn voor de invulling van de in artikel 46 Advocatenwet omschreven
normen. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt echter steeds
af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter van geval tot geval
beoordeeld.
4.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond
4.3 De voorzitter oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld door het adres van klager met zijn cliënte te delen. Verweerder heeft ten
opzichte van zijn cliënte een informatieplicht en in dat kader was hij gehouden om
zijn cliënte van informatie over het geschil met klager te voorzien en om de stukken
die daarover gaan, waaronder de brief van 21 januari 2026, aan haar te verstrekken.
Het is de voorzitter uit het klachtdossier niet gebleken dat verweerder redelijkerwijs
bekend was of had kunnen zijn met omstandigheden op grond waarvan hij bepaalde informatie,
waaronder het adres van klager, niet aan zijn cliënte bekend had mogen maken. Klager
had in ieder geval op het moment van de betekening van de brief geen geheim adres.
Verweerder had er dan ook niet bedacht op hoeven te zijn dat de verstrekking van het
adres van klager aan zijn cliënte mogelijk tot problemen zou kunnen leiden. De door
klager gestelde omstandigheden dat de verstandhouding tussen hem en zijn moeder erg
slecht is, dat hij al jaren geen contact meer met zijn moeder heeft en dat hij zich
voelt aangetast in zijn veiligheid en die van zijn gezin zijn onvoldoende om uit af
te kunnen leiden dat mogelijk sprake is van een (veiligheids)risico door het verstrekken
van het adres van klager aan de cliënte van verweerder. Tot slot is de voorzitter
uit het klachtdossier niet gebleken van een zwaarwegend belang van klager om zijn
adresgegevens niet te mogen delen. Klachtonderdeel a) is in zoverre kennelijk ongegrond.
4.4 Een oordeel over de vraag of verweerder in dit kader de AVG heeft geschonden,
zoals klager verweerder ook verwijt, is voorbehouden aan de Autoriteit Persoonsgegevens.
De voorzitter heeft daar in deze tuchtprocedure geen ruimte voor. In zoverre is klachtonderdeel
a) kennelijk niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.5 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder
misleidende informatie heeft verschaft over de mogelijkheid om informatie over een
adres te verkrijgen via het kadaster. Verweerder heeft in zijn verweer een nadere
toelichting gegeven op zijn mededeling en de voorzitter kan verweerder in die toelichting
volgen. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is de voorzitter niet gebleken.
De omstandigheid dat klager het niet met de toelichting van verweerder eens is, betekent
niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel b) is kennelijk
ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdeel a), ten aanzien van het verwijt over de AVG, met toepassing
van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk, en voor het overige kennelijk
ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.