ECLI:NL:TADRSGR:2026:229 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-591/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:229 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-09-2026 |
| Datum publicatie: | 06-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-591/DH/DH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de bijstand van de advocaat in een internationale echtscheidingskwestie kennelijk ongegrond. Niet is vast te stellen dat verweerster ondeskundig verweer heeft gevoerd. Ook is niet gebleken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen rondom het verzoek om een tolk. Verweerster heeft voldoende voortvarend gehandeld in het melding maken van de aansprakelijkstelling bij haar verzekeraar. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 16 september 2026 in de zaak 26-591/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. A. Hashem Jawaheri, advocaat te Amsterdam
over:
verweerster
gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius, advocaat te Woerden
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 13 juli 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K294 2025 ia/ak en de inventarislijsten (inhoudelijk: bijlagen 03 tot en met 07 en procedureel: bijlagen 1 tot en met 10).
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager en zijn ex-echtgenote zijn in 2014 in Iran gehuwd naar Iraans recht. Daarbij is een bruidsgave overeengekomen van 114 gouden munten met een waarde van € 60.294,60.
1.2 In 2020 zijn klager en de ex-echtgenote in Nederland opnieuw met elkaar gehuwd.
1.3 Op enig moment wilde klager een echtscheiding. De ex-echtgenote wilde niet scheiden en maakte aanspraak op betaling van de bruidsgave door klager.
1.4 De ex-echtgenote is over de bruidsgave een rechtszaak tegen klager gestart bij de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank). Verweerster heeft klager hierin bijgestaan.
1.5 Op 26 februari 2024 heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen klager en de ex-echtgenote uitgesproken en de ex-echtgenote niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken over de bruidsgave. De ex-echtgenote heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld en verzocht om klager te veroordelen tot betaling van € 60.294,60.
1.6 Op 21 maart 2025 heeft verweerster klager gemaild dat het gerechtshof de mondelinge behandeling heeft bepaald op 23 mei 2025. Daarop heeft klager verweerster dezelfde dag via e-mail verzocht om ervoor te zorgen dat er een tolk bij de zitting aanwezig is.
1.7 Op 11 juli 2025 heeft een zitting bij het Gerechtshof Den Haag (hierna: het gerechtshof) plaatsgevonden. Hierbij waren klager en de ex-echtgenote met hun advocaten aanwezig.
1.8 Op 8 oktober 2025 heeft het gerechtshof geoordeeld dat het in Iran gesloten huwelijk als rechtsgeldig in Nederland kan worden erkend. Daarnaast heeft het gerechtshof voor recht verklaard dat het in 2020 in Nederland tussen klager en de ex-echtgenote gesloten huwelijk nietig is en klager veroordeeld tot betaling van de bruidsgave van € 60.294,60 aan de ex-echtgenote. Tegen deze beschikking is geen cassatieberoep ingesteld.
1.9 Op 30 oktober 2025 heeft de gemachtigde van klager verweerster namens klager aansprakelijk gesteld voor de veroordeling van klager tot betaling van de bruidsgave aan de ex-echtgenote (hierna: de aansprakelijkstelling).
1.10 Op 3 november 2025 heeft klager over verweerster een klacht bij de deken ingediend.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
a) verweerster heeft onvoldoende deskundig verweer gevoerd;
b) verweerster heeft geen tolk ingeschakeld;
c) verweerster heeft de aansprakelijkstelling niet (snel genoeg) naar de verzekeraar doorgeleid.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft verweer tegen de klacht gevoerd en betwist dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
3.2 In dat kader voert verweerster aan dat klager door een Iraanse rechtbank al was veroordeeld tot betaling van de bruidsgave en dat klager de verschuldigdheid daarvan ook had erkend bij de Iraanse ambassade voorafgaand aan het in Nederland gesloten huwelijk. Volgens verweerster had klager daardoor geen andere mogelijkheden om de vordering te bestrijden dan het betwisten van de rechtsgeldigheid van het Iraanse huwelijk. Verweerster merkt op dat zij daarbij heeft gehandeld conform de wens van klager.
Verder voert verweerster aan dat het verzoek van klager om een tolk geen betrekking had op de zitting bij het gerechtshof. Volgens verweerster was de zitting eerder gepland en zou zij daar een tolk voor regelen, maar toen de zitting door het gerechtshof werd verplaatst naar een latere datum is het eerdere verzoek van klager om een tolk abusievelijk over het hoofd gezien. Verweerster merkt op dat klager daardoor niet in zijn belangen is geschaad, omdat er al eerder zittingen hadden plaatsgevonden waarbij geen tolk aanwezig was. Daarbij verwijst verweerster naar een overzicht van zittingen waarbij de aan-/of afwezigheid van een tolk is vermeld. Klager heeft de zitting goed kunnen volgen en waar nodig heeft verweerster voor klager vertaald, aldus verweerster.
Tot slot voert verweerster aan dat zij geen reden ziet voor aansprakelijkheid, maar dat zij de aansprakelijkstelling van klager eind 2025 bij haar verzekeraar heeft gemeld.
3.3 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij of zij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.2 De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk handelende advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, maar de gedragsregels kunnen zo nodig wel van betekenis zijn bij die toets.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond
4.3 De voorzitter kan niet vaststellen dat verweerster ondeskundig verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde betaling van de bruidsgave. Verweerster heeft onder verwijzing naar de door haar overgelegde stukken toegelicht waarom zij namens en in overleg met klager het verweer heeft gevoerd dat het in Iran gesloten huwelijk niet rechtsgeldig is. De voorzitter stelt vast dat een van deze stukken een bij de Iraanse ambassade in Den Haag opgestelde verklaring is waarin klager onder meer verklaart dat hij met de ex-echtgenote in 2014 in Marshhad (Iran) op religieuze (islamitische) wijze is gehuwd, met een bruidsschat van 114 gouden munten. Verweerster kon hier bij het bepalen van het te voeren verweer tegen de gevorderde betaling van de bruidsgave niet omheen. De omstandigheid dat klager het achteraf, na de beschikking van het Gerechtshof Den Haag, niet eens is met de door verweerster gekozen en met hem afgestemde insteek en van mening is dat er meer of andere verweren hadden moeten worden gevoerd, betekent niet dat verweerster ondeskundig heeft gehandeld. Ook het feit dat het gerechtshof niet is meegegaan in het gevoerde verweer vanwege de rechtsgeldigheid van het in Iran gesloten huwelijk betekent niet dat verweerster klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel a) is bij gebrek aan tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.4 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van het verzoek om een tolk. Verweerster heeft aangevoerd dat de afspraak met klager over een tolk ging om een eerdere zitting (23 mei 2025) bij het gerechtshof en niet om de datum waarop de zitting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden (11 juli 2025). Klager heeft dit niet weersproken. De voorzitter kan uit het klachtdossier niet afleiden dat verweerster op verzoek van klager ook voor de zitting op 11 juli 2025 voor een tolk zou zorgen. Verder is het de voorzitter niet gebleken dat er voorafgaand aan die zitting bij het gerechtshof nog contact tussen klager en verweerster is geweest over een tolk. Ook heeft klager niet weersproken dat hij voorafgaand aan de betreffende zitting bij het gerechtshof al bij een aantal zittingen aanwezig is geweest waar niet altijd een tolk bij was en dat verweerster tijdens de zitting van 11 juli 2025 waar nodig voor klager heeft vertaald. Klachtonderdeel b) is bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond
4.5 De voorzitter kan op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Uit de namens verweerster bij dupliek overgelegde e-mails blijkt dat verweerster de aansprakelijkstelling bij haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar (hierna: de verzekeraar) heeft gemeld. Ook blijkt uit deze e-mails dat verweerster de aansprakelijkstelling in december 2025 bij haar tussenpersoon van de verzekeraar heeft gemeld. Aangezien de aansprakelijkstelling namens klager dateert van 30 oktober 2025 heeft verweerster daar voldoende voortvarend (binnen twee maanden) melding van gemaakt bij haar verzekeraar. Klachtonderdeel c) is daarom kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.