ECLI:NL:TADRSGR:2026:223 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-558/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:223
Datum uitspraak: 09-09-2026
Datum publicatie: 06-10-2026
Zaaknummer(s): 26-558/DH/DH
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Klaagster verwijt verweerder dat hij onder valse voorwendselen een uittreksel uit de BRP van de gemeente heeft verkregen. Verweerder mocht afgaan op de juistheid van de informatie van zijn cliënte. Van het onder valse voorwendselen opvragen van een uittreksel uit de BRP is dan ook niet gebleken. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 9 september 2026
in de zaak 26-558/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 1 juli 2026 met kenmerk K380 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    De heer H en mevrouw A waren gehuwd. Klaagster is de dochter van H en A. Op 14 december 2024 is H overleden. 
1.2    A heeft verweerder benaderd voor bijstand. Verweerder heeft bij de gemeente een uittreksel uit de basisregistratie personen (hierna: BRP) opgevraagd en ontvangen.
1.3    Op 22 december 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende. 
a)    Verweerder heeft de gemeente misleid door een niet-bestaande erfeniskwestie voor te wenden om persoonsgegevens van klaagster en haar familie te verkrijgen. Verweerder heeft deze gegevens zonder toestemming gedeeld met derden en doorgestuurd naar Egypte. 
2.2    Klaagster heeft toegelicht dat verweerder tegenover de gemeente heeft verklaard dat hij handelde in het kader van een erfeniskwestie. Dat is onjuist: een dergelijke erfeniskwestie bestaat niet. Door deze valse voorstelling van zaken heeft hij persoonsgegevens verkregen die anders niet aan hem verstrekt zouden zijn. Daarbij heeft hij nauw samengewerkt met een voormalig huisvriend van klaagsters ouders. Door verweerders handelen zijn de gegevens van klaagster en haar familie in Egypte terechtgekomen bij onbevoegde derden. De uittreksels zijn misbruikt om een strafzaak tegen klaagster en haar broer te initiëren in Egypte. Klaagster en haar broer zijn aldaar bij verstek veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf en een boete. Het kennelijke doel van de strafzaak is om klaagster en haar broer als rechtmatige eigenaren uit te sluiten, zodat verweerders cliënte de twee woningen die zij momenteel onrechtmatig bezet houdt, definitief kan toe-eigenen. Klaagster stelt dat sprake is van een grove schending van de AVG en van verweerders zorgplicht. 

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij betwist dat sprake is van een voorgewende reden voor het opvragen van gegevens. Verweerders cliënte, mevrouw A, was gehuwd met de heer H. Verweerders cliënt wilde het huwelijk tussen haar en H in Nederland inschrijven en een procedure starten met betrekking tot de nalatenschap van H. In dat kader heeft verweerder een uittreksel (over het huwelijk en de erfgenamen) van H uit de BRP opgevraagd. De cliënte wilde daarna de procedure in gang zetten. Omdat verweerder daar niet op korte termijn tijd voor had, heeft de cliënte het dossier opgehaald om een andere advocaat in te schakelen. Verweerder is niet betrokken geweest bij de procedure in Egypte. 
3.2    Verweerder heeft een verklaring van zijn cliënt bij zijn verweer gevoegd.
3.3    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling
4.2    Klaagster verwijt verweerder dat hij onder valse voorwendselen een uittreksel uit de BRP van de gemeente heeft verkregen. Verweerder heeft dat betwist. Hij stelt dat hij dit in opdracht en op verzoek van A heeft gedaan, zijn cliënte en de echtgenote, nu weduwe, van H, vanwege een kwestie over de erfenis. De voorzitter is van oordeel dat de juistheid van klaagsters verwijt niet is gebleken, mede gelet op de gemotiveerde en onderbouwde betwisting door verweerder. Verweerder mocht afgaan op de juistheid van de informatie van zijn cliënte. Van het onder valse voorwendselen opvragen van een uittreksel uit de BRP is dan ook niet gebleken. 
4.3    Kennelijk is het uittreksel vervolgens in Egypte gebruikt met nadelige gevolgen voor klaagster en haar broer. Niet blijkt dat verweerder daarbij betrokken is geweest of verantwoordelijk voor kan worden gehouden. Verweerder heeft toegelicht dat hij het dossier, inclusief het uittreksel, aan zijn cliënt heeft verstrekt, zodat zij met een andere advocaat een procedure kon starten. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor wat er daarna is gebeurd. 
4.4    Omdat niet gebleken is van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder, wordt de klacht door de voorzitter kennelijk ongegrond verklaard. 

 
BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.