ECLI:NL:TADRSGR:2026:228 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-573/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:228
Datum uitspraak: 16-09-2026
Datum publicatie: 06-10-2026
Zaaknummer(s): 26-573/DH/DH
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Verweerder heeft erkend dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt, maar heeft zich voldoende ingespannen om dat recht te zetten. Verweerder heeft een gespreksverslag opgesteld door zijn cliënt niet gepresenteerd alsof dit door de omgangsbegeleider is opgesteld. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 16 september 2026
in de zaak 26-573/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 6 juli 2026 met kenmerk K276 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klaagster is verwikkeld in een familierechtelijk geschil met haar ex-partner over hun gezamenlijke kind. Verweerder staat de ex-partner bij.
1.2    Op 2 juli 2025 heeft verweerder diverse documenten ingebracht voor de kortgedingzitting van 3 juli 2025, waaronder een document ‘Gespreksverslag Bor Humanitas’. Het document is een door de ex-partner opgesteld gespreksverslag naar aanleiding van een op 29 mei 2025 gevoerd gesprek.
1.3    Op 1 augustus 2025 heeft verweerder in een e-mail aan klaagsters advocaat geschreven:
“(…) Ook heeft uw cliënte in het contact met Cardea van 11 juli 2025 geprobeerd onjuiste informatie te laten vastleggen door te suggereren dat op de zitting van het kort geding van 3 juli 2025 zou zijn besproken dat de omgang weer door Cardea zou kunnen worden opgepakt. Cardea heeft dat gelukkig direct doorzien en heeft uw cliënte dat op 15 juli 2025 ook kenbaar gemaakt. Ik overleg volledigheidshalve de door cliënt ontvangen correspondentie ter zake. Er was op 11 juli 2025 nog geen vonnis en duidelijk was dat de kort geding rechter op de zitting van 3 juli 2025 aangaf dat de enige uitkomst kon zijn dat de vordering tot nakoming zou worden    toegewezen of zou worden afgewezen. (…)”
1.4    Op 25 augustus 2025 heeft klaagsters advocaat verweerder erop gewezen dat de correspondentie tussen klaagster en Cardea afkomstig is uit 2024 en dus niets te maken heeft met het kort geding uit juli 2025.
1.5    Op 12 september 2025 heeft verweerder verzocht om een voorlopige voorziening. Daarin is de correspondentie tussen klaagster en Cardea ingebracht en heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat klaagster Cardea onjuiste informatie heeft gegeven.
1.6    Op 15 september 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend, waarin is opgenomen dat de ex-partner via de school van het kind heeft vernomen dat er een zorgmelding is gedaan naar aanleiding van het kind dat zij zegt dat zij geslagen wordt door klaagster. Ook is vermeld dat de ex-partner dit heeft doorgegeven aan de Raad voor de Kinderbescherming, maar dat die daar vooralsnog niets van wil weten.
1.7    Op 13 oktober 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.8    Op 14 november 2025 heeft verweerder aan de rechtbank geschreven dat klaagsters advocaat er terecht gewag van heeft gemaakt dat de correspondentie tussen klaagster en Cardea uit 2024 komt. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om het document en de passages waarin aan dat document wordt gerefereerd buiten beschouwing te laten.
Over de meldcode naar aanleiding van de zorgmelding heeft verweerder een telefoonnotitie van de school ingediend over de meldcode, waarin de school heeft aangegeven dat het kind heeft verklaard wel eens een tik te hebben gekregen van klaagster. Ook is een e-mailbericht overgelegd, waaruit volgt dat de school de eerste vier stappen van de meldcode heeft doorlopen, dat de vijfde stap zijnde het doen van een melding bij Veilig Thuis niet gezet en dat de situatie gemonitord blijft.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende. 
a)    Verweerder heeft informatie verstrekt waarvan hij wist of redelijkerwijs kon weten dat deze onjuist is, door te stellen dat klaagster in juli 2025 onjuiste informatie aan Cardea zou hebben gegeven;
b)    Verweerder heeft informatie verstrekt waarvan hij wist of redelijkerwijs kon weten dat deze onjuist is, door te stellen dat er een zorgmelding of een meldcode door de school is gestart;
c)    Verweerder heeft het gespreksverslag van 29 mei 2025 gepresenteerd alsof dit van Bor Humanitas afkomstig was, terwijl het verslag is opgesteld door zijn cliënt;
d)    Verweerder heeft zijn cliënt geadviseerd om de kinderalimentatie niet te betalen vanwege vermeend handelen door klaagster, wat een ongeoorloofd drukmiddel is en waardoor de belangen van het kind zijn geschaad.

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
4.3    Verweerder heeft erkend dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt door te stellen dat klaagster in juli 2025 gepoogd had om Cardea verkeerde informatie te geven. Hij heeft toegelicht dat bij hem verwarring is ontstaan, omdat zijn cliënt hem kort na het kort geding in juli 2025 had gemaild met daarin de correspondentie uit 2024 bijgevoegd. Verweerder heeft dat toen niet opgemerkt. De voorzitter stelt vast dat verweerder vervolgens zijn fout heeft hersteld door daarover helder te zijn richting de rechtbank, waarbij hij heeft verzocht de betreffende passage en bijlage buiten beschouwing te laten. Ook heeft hij zijn excuses aangeboden voor zijn fout. Hoewel verweerder daarin sneller had kunnen handelen, nadat klaagster en haar advocaat verweerder op zijn fout hebben gewezen, is de voorzitter van oordeel dat verweerder zich voldoende heeft ingespannen om zijn fout recht te zetten. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is daarom geen sprake (meer). Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel b)
4.4    Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder onjuiste informatie heeft verstrekt. De school heeft immers ook bevestigd dat zij een meldcode-procedure heeft gevolgd. Dat verweerder aanvankelijk heeft geschreven dat zijn cliënt van de school heeft vernomen dat er een zorgmelding was gedaan, houdt – anders dan klaagster meent – niet in dat dit een melding bij Veilig Thuis betrof. De voorzitter ziet ook niet in dat dit door verweerder is geïmpliceerd. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.5    Niet gebleken is dat verweerder het gespreksverslag van 29 mei 2025, dat door zijn cliënt is opgesteld, heeft gepresenteerd alsof dit afkomstig was van Bor Humanitas. Verweerder heeft dat niet zo gesteld. Ook de opmaak van het gespreksverslag, dat niet is voorzien van bijvoorbeeld een logo van Bor Humanitas, geeft geen aanleiding daartoe. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d)
4.6    Verweerder heeft betwist zijn cliënt te hebben geadviseerd om de kinderalimentatie niet te betalen. Klaagster heeft dit ook niet onderbouwd met bewijsstukken. Zij heeft wel gesteld dat dit zou volgen uit een verslag van de Raad voor de Kinderbescherming, maar heeft dat verslag niet bijgevoegd. De voorzitter kan dan ook niet vaststellen of de klacht feitelijk correct is. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.


Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.