ECLI:NL:TADRSGR:2026:236 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-610/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:236
Datum uitspraak: 23-09-2026
Datum publicatie: 06-10-2026
Zaaknummer(s): 26-610/DH/DH
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarop al eerder is beslist
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een geschil binnen een VVE. Klacht deels niet-ontvankelijk vanwege verwevenheid met eerder door klager ingediende klacht. Van klager kon redelijkerwijs verlangd worden dat hij de klacht tegelijk met de eerste klacht had ingediend. De beginselen van een behoorlijke procesorde staat in de weg aan een inhoudelijke behandeling van dit deel van klacht. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond. Verweerder mocht zich bij zijn uitlatingen baseren op de informatie die hij van het bestuur van de VVE kreeg.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 23 september 2026
in de zaak 26-610/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 15 juli 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K273 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail (met bijlagen) van klager van 26 augustus 2026.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager is eigenaar van een garage die behoort tot een appartementencomplex. Hij is daarmee van rechtswege lid van de Vereniging van Eigenaren van het Serviceflat-gebouw Wimbledon (hierna: de VVE). Binnen de VVE loopt een langdurig conflict over de verdeling van kosten voor onder meer de videofooninstallatie, de receptie en nachtbewaking van het gebouw. Klager zou op basis van een nieuwe verdeelsleutel meer moeten gaan betalen. Diverse andere leden onder wie de heer L (hierna: L c.s.) menen dat zij ten onrechte te veel hebben moeten betalen door de oude verdeelsleutel, omdat deze in strijd zou zijn met de splitsingsakte, en hebben daarop diverse procedures gevoerd tegen de VVE. De VVE is daarbij aanvankelijk bijgestaan door een andere advocaat.
1.2    Bij beschikking van de kantonrechter van 3 mei 2018 is samengevat geoordeeld dat de kosten voor de receptie en nachtwaker tot de gemeenschappelijke huishouding behoren en dat deze niet in strijd met de splitsingsakte in rekening zijn gebracht. Een eerder genomen besluit om deze kosten alsnog over alle eigenaren om te slaan, is als strijdig met de splitsingsakte nietig verklaard.
1.3    Op 3 april 2019 heeft de Algemene Ledenvergadering van de VVE (hierna: de ALV) een procesmachtiging afgegeven aan het bestuur van de VVE.
1.4    Bij vonnis van de kantonrechter van 11 december 2020 zijn L c.s. veroordeeld tot betaling van de achterstanden van de kosten. Tegen dit vonnis is door L c.s. hoger beroep ingesteld (hoger beroep I)
1.5    Per juli 2022 staat verweerder de VVE bij als advocaat, nadat een nieuw bestuur van de VVE was aangetreden.
1.6    Op 23 augustus 2022 is ter zitting van het Gerechtshof Amsterdam een schikking getroffen tussen L c.s. en de VVE. Daarin is onder meer opgenomen:
“(…) Partijen komen ter beëindiging van hun geschil (…) het volgende overeen:
1. De VvE zal een bijzondere algemene ledenvergadering uitroepen waarin het besluit om deze minnelijke regeling wordt overeengekomen onder het voorbehoud dat goedkeuring van de algemene ledenvergadering wordt verkregen. (…)”
1.7    Op 20 september 2022 heeft de ALV met meerderheid van stemmen ingestemd met de schikking. 
1.8    Op 3 maart 2023 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de schikking nietig is, omdat deze de eerdere beschikking van de kantonrechter van 3 mei 2018, die gezag van gewijsde heeft verkregen, zou doorkruisen. 
1.9    Verweerder heeft op 28 maart 2023 namens de VVE hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking (hoger beroep II).
1.10    Op 23 juni 2024 heeft klager bij de deken een (eerste) klacht over verweerder ingediend. 
1.11    Op 28 juni 2024 heeft klager aan verweerder onder meer geschreven:
“Ik stel u op de hoogte dat over uw voorgaande optreden bij het Gerechtshof zonder procesmachging door mij een klacht is ingediend bij de deken van Den Haag. Het bestuur weigert mededeling te doen over de komende hoorzitting, o.a. wordt niet vermeld of u weer voor het Hof gaat optreden. Het zou me verbazen gezien het ontbreken van een procesmachtiging.”
1.12    Op 1 juli 2024 heeft onder meer klager bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift ingediend tot nietigverklaring dan wel vernietiging van het besluit van de VVE-vergadering. Dit betrof het besluit van 3 juni 2024 om de jaarrekeningen over 2021 en 2022 goed te keuren. 
1.13    Op 2 juli 2024 heeft opnieuw een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het Gerechtshof Amsterdam (inzake HB I). Partijen hebben hun stellingen verder toegelicht en hebben arrest gevraagd.  
1.14    Op 8 oktober 2024 heeft een mondelingen behandeling plaatsgevonden bij het Gerechtshof Amsterdam (inzake HB II).
1.15    Op 28 oktober 2024 heeft de ALV ingestemd met het aanstellen van verweerder als advocaat van het bestuur.
1.16    Op 12 november 2024 heeft het Gerechtshof Amsterdam arrest gewezen in HB I. Uit het arrest (onder 3.2) volgt dat tijdens beide mondelinge behandelingen (op 23 augustus 2022 en 2 juli 2024) door de VVE naar voren is gebracht dat het standpunt van L c.s. juist is. Tijdens de laatste mondelinge behandeling heeft de VVE uitdrukkelijk verklaard dat zij daarom haar vordering tegen L c.s. intrekt en geen verweer meer voert. Gelet daarop concludeert het gerechtshof dat het hoger beroep slaagt, dat de vorderingen van de VVE alsnog zullen worden afgewezen en dat de vorderingen van L c.s. alsnog zullen worden toegewezen. 
Het gerechtshof heeft het vonnis van de kantonrechter van 11 december 2020 vernietigd, de VVE veroordeeld tot betaling aan L c.s. en een verklaring voor recht gegeven over de kostenveroordeling conform het Reglement van Splitsing.
1.17    Op 15 november 2024 heeft verweerder namens de VVE een verweerschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam, waarin verweerder heeft aangegeven dat de VVE zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. 
1.18    Bij beschikking van 13 december 2024 heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam  het besluit van de VVE van 3 juni 2024 nietig verklaard, omdat onweersproken is gesteld dat de jaarrekeningen over 2021 en 2022 tot stand zijn gekomen in strijd met het splitsingsreglement.
1.19    Op 11 maart 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam beschikking gewezen in HB II. Het gerechtshof heeft de beschikking van 3 maart 2023 bekrachtigd.
1.20    Op 25 augustus 2025 heeft de raad beslist op klagers eerste tuchtklacht (ECLI:NL:TADRSGR:2025:172). Deze klacht zag onder meer op:
“a) Verweerder heeft ten onrechte opgetreden als advocaat van de VVE, omdat hij  niet is benoemd of een procesmachtiging heeft;
b) Verweerder heeft op de hoorzitting van 23 augustus 2022 een schikking getroffen, terwijl hij had moeten weten dat die schikking nietig was wegens strijd met de splitsingsakte en de ALV ook geen toestemming had gegeven.” 
De raad heeft de klachten ongegrond verklaard. Over klachtonderdeel a) heeft de raad overwogen:
“5.4 Verweerder is door het bestuur van de ALV verzocht om bijstand in diverse procedures. Daarmee is verweerder gemachtigd geweest om namens het bestuur op te treden. Dat het bestuur zelf mogelijk niet gemachtigd was door de ALV om deze procedures te starten, staat daar los van. Dat is iets waarover de ALV het bestuur intern ter verantwoording kan roepen of waarover wederpartijen in de procedure een ontvankelijkheidsverweer kunnen opwerpen. Verweerder heeft het bestuur kunnen bijstaan zonder daarmee tuchtrechtelijk laakbaar te handelen. Voor zover klager bedoeld heeft dat verweerder het bestuur had moeten informeren over de ontbrekende machtiging van de ALV, raakt dit aan de kwaliteit van de dienstverlening en kan slechts de cliënte zelf hierover klagen.”
Uit de beslissing van de raad volgt ook dat klager op 6 maart 2025 een aanvulling heeft ingediend, waarin klager zich er onder meer over beklaagde dat verweerder de kantonrechter onjuist heeft geïnformeerd en dat verweerder ook het gerechtshof op de zittingen van 23 augustus 2022 en 2 juli 2024 verkeerd heeft geïnformeerd (zie 3.2). De raad is daar niet op ingegaan, omdat nieuwe klachten bij de deken moeten worden ingediend (5.2).  
1.21    Op 7 oktober 2025 heeft klager bij de deken deze (tweede) klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. 
Verweerder heeft het Gerechtshof Amsterdam en de kantonrechter Amsterdam onjuist en onvolledig geïnformeerd. 
Klager wijst op:
a)    De zitting bij het gerechtshof van 23 augustus 2022: verweerder deelde mee dat hij niet gemachtigd was de VVE te vertegenwoordigen en dat partijen een schikking waren overeengekomen (punt 8 van de klacht)
b)    Het beroepschrift van verweerder van 28 maart 2023, waarin hij schrijft dat de VVE in hoger beroep gaat, wat impliceert dat de VVE op een ledenvergadering het besluit heeft genomen in hoger beroep te gaan. Zonder bewijs daarvan, heeft verweerder zich schuldig gemaakt aan het onjuist informeren van het gerechtshof (punt 12 van de klacht).
c)    De zitting bij het gerechtshof op 2 juli 2024: verweerder deelde het gerechtshof niet mee dat hij nog steeds niet gemachtigd was namens de VVE op te treden. Verweerder beweerde dat de VVE geen verweer zou voeren, terwijl klager wist dat een dergelijk besluit niet op een ALV was genomen. Het gerechtshof moest hierdoor arrest wijzen op basis van de onjuiste informatie van verweerder (punt 14 van de klacht). 
d)    Het verweerschrift voor de kantonrechter (van 15 november 2024): verweerder heeft vermeld dat de VVE het besluit heeft genomen om de jaarrekeningen te herzien etc. Ook dit is weer onjuiste informatie (punt 21 van de klacht).
2.2    Klager heeft toegelicht dat het Gerechtshof Amsterdam twee uitspraken heeft gedaan over inhoudelijk hetzelfde geschil. Deze uitspraken zijn tegenstrijdig en hebben geleid tot een impasse bij de VVE wat betreft de inning van servicekosten. Dit is veroorzaakt door verweerders onjuiste beweringen aan het gerechtshof. Klager stelt dat bij verweerder sprake is van een patroon van onjuist informeren. Klager stelt dat verweerders handelen in strijd is met de gedragsregels, waaronder met name gedragsregel 1. 

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk
4.1    De voorzitter stelt vast dat klager al eerder over verweerder heeft geklaagd en dat die klacht ziet op hetzelfde feitencomplex als waarover nu wordt geklaagd, te weten het geschil met de VVE en verweerders bijstand aan de VVE daarin. Klager heeft zijn klachten over het optreden van verweerder niet in één keer aan de deken, en daarmee aan de raad, voorgelegd. Alhoewel een concentratie van klachten geen algemeen geldend beginsel in het tuchtrecht is, mocht van klager worden verwacht dat hij efficiënt en op voor verweerder (en de raad) minst belastende wijze een klachtprocedure zou voeren. 
4.2    Klager heeft zijn eerste klacht op 23 juni 2024 ingediend. Op dat moment had hij in ieder geval al kunnen klagen over de zitting bij het gerechtshof van 23 augustus 2022 (a) en het beroepschrift van 28 maart 2023 (b). Klager heeft in zijn eerste klacht ook al geklaagd over de zitting van 23 augustus 2022. Hij heeft er toen bovendien ook over geklaagd dat verweerder ten onrechte optrad als advocaat van de VVE. Naar het oordeel van de voorzitter zijn de klachten onder a) en b) die klager nu in zijn tweede klacht aanvoert zodanig verweven met de eerder door hem ingediende klacht, dat van hem redelijkerwijs verlangd had moeten worden dat hij de nu voorgelegde klacht gelijk met de eerste klacht had ingediend. De beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde staan daarom in de weg aan een inhoudelijke behandeling van deze klachtonderdelen. De voorzitter verklaart de klachtonderdelen a) en b) daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Klacht voor het overige kennelijk ongegrond
4.3    Het betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij (in dit geval de VVE). Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.4    De klacht is dat verweerder het gerechtshof (op 2 juli 2024) en de kantonrechter (in het verweerschrift van 15 november 2024) onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd. Ook hier geldt dat verweerder door het bestuur van de VVE is ingeschakeld om de belangen van de VVE te behartigen, op de manier zoals verweerder die in overleg met het bestuur bepaalt. Het bestuur heeft toestemming van de ALV nodig om een procedure te starten, maar niet om gedurende die procedure van standpunt te veranderen. Verweerder mocht zich bij zijn uitlatingen op 2 juli 2024 en 15 november 2024 dan ook baseren op de informatie die hij van het bestuur ontving. Dat verweerder bewust onjuiste informatie heeft verstrekt, is niet gebleken. Klachtonderdelen c) en d) zijn daarom kennelijk ongegrond. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klachtonderdelen a) en b) kennelijk niet-ontvankelijk;
-    de klachtonderdelen c) en d) kennelijk ongegrond;
    steeds met toepassing van artikel 46j Advocatenwet.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.