ECLI:NL:TADRARL:2026:197 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-664/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:197 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-10-2026 |
| Datum publicatie: | 06-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-664/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 5 oktober 2026
in de zaak 26-664/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 29 juli 2026 met kenmerk K 25/148. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 29 augustus 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager en zijn ex-partner zijn sinds 2008 gescheiden. De rechtbank heeft in 2010 beslist over de verdeling tussen partijen, waaronder over de echtelijke woning (boerderij met percelen), waar klager was blijven wonen.
1.2 Sinds medio 2020 staat verweerder de ex-partner van klager bij.
1.3 In 2023 heeft klager een klacht ingediend tegen verweerder. Die klacht is vervolgens omgezet naar een signaal en daarmee gesloten.
1.4 In brieven van 17 oktober 2024, 24 oktober 2024 en 12 februari 2025 is klager door verweerder aangeschreven over, kortgezegd, de verkoop van de woning. Daarover heeft kort daarna een kort geding plaatsgevonden.
1.5 Op 23 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door samen met een makelaar en zonder de instemming of medeweten van klager te proberen diens woning en percelen te verkopen.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Klager stelt dat verweerder samen met een makelaar en zonder zijn instemming of medeweten zijn woning en percelen probeert te verkopen. De voorzitter begrijpt uit de klachtbrief dat dit verwijt in het bijzonder ziet op de inhoud van de brieven van oktober 2024 en februari 2025. De voorzitter stelt vast dat verweerder in deze brieven klager informeert over – kort gezegd – het risico van een gedwongen verkoop van zijn woning. Ook schrijft verweerder dat als klager niet bereid is om mee te werken aan de verkoop van de woning, ter voorkoming van een gedwongen verkoop, bij de rechtbank een verzoek voor vervangende toestemming en levering kan worden ingediend.
4.3 De voorzitter is van oordeel dat de inhoud en de toon van deze brieven functioneel en professioneel zijn. Op grond van deze brieven kan niet de conclusie worden getrokken dat verweerder de woning van klager heeft proberen te verkopen. Ook van ander tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Dat betekent dat de klacht kennelijk ongegrond wordt verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door
mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 5 oktober 2026