ECLI:NL:TADRARL:2026:198 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-756/AL/GLD
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:198 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-10-2026 |
| Datum publicatie: | 06-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-756/AL/GLD |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart de klacht kennelijk niet-ontvankelijk wegens misbruik van klachtrecht. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 5 oktober 2026
in de zaak 26-756/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 21 augustus 2026 met kenmerk K26/56.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 In mei 2016 heeft klager contact opgenomen met verweerster met het verzoek om hem bij te staan bij het instellen van hoger beroep in een lopende zaak. Verweerster heeft toen aan klager kenbaar gemaakt dat zij de zaak niet aanneemt.
1.2 In februari 2019 heeft klager een klacht over verweerster ingediend bij de deken in het arrondissement Amsterdam over het feit dat zij in 2016 zijn zaak niet heeft willen aannemen en de gang van zaken daaromtrent. De deken heeft de klacht onderzocht en het klachtdossier is uiteindelijk gesloten wegens het uitblijven van betaling van het griffierecht.
1.3 Op 23 maart 2026 heeft klager opnieuw dezelfde klacht tegen verweerster ingediend. Het Hof van Discipline heeft op 9 april 2026 de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken in het arrondissement Gelderland.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door de zaak van klager niet aan te nemen.
3 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
4.2 Uit de stukken blijkt dat klager zich in februari 2019 bij de deken heeft beklaagd over verweerster. Omdat klager het verschuldigde griffierecht niet tijdig aan de deken heeft betaald, is dat klachtdossier door de deken gesloten. Klager heeft op 23 maart 2026 dezelfde klacht over verweerster bij de deken ingediend.
4.3 Alhoewel strikt bezien geen sprake is van ne bis in idem, tuchtrechtelijk is er immers nog geen uitspraak gedaan over de eerste klacht van klager over verweerster, beschouwt de voorzitter deze (tweede) klacht als misbruik van klachtrecht. Klager heeft zijn eerdere klacht laten rusten door niet tijdig het verschuldigde griffierecht te betalen. Daardoor is bij verweerster het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat die klachtzaak was afgedaan. Door nu opnieuw en bovendien ruim zeven jaar later over hetzelfde te klagen, maakt klager misbruik van zijn mogelijkheid om te klagen. De voorzitter zal klager daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren in de klacht.
4.4 Verder overweegt de voorzitter dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. De klacht ziet op het handelen en nalaten van verweerster in 2016. Op dat moment is de termijn dan ook aangevangen. De klacht waarover nu geoordeeld wordt, is echter pas op 23 maart 2026 door klager bij de deken ingediend en daarmee (ruim) buiten de genoemde termijn van drie jaar. Ook om deze reden is de klacht van klager niet-ontvankelijk.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan
door
mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 5 oktober 2026