Zoekresultaten 11-20 van de 5855 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:269 Hof van Discipline 's Gravenhage 250161

    Het betreft een klacht tegen de eigen advocaat. De Raad van Discipline heeft de klacht ongegrond verklaard. Klaagster is in beroep gekomen. Het Hof van Discipline vernietigt de beslissing van de raad. Verweerster heeft onzorgvuldig gehandeld jegens klaagster door haar niet te waarschuwen voor een belangrijke termijn die zou verstrijken en heeft haar belangen hiermee onvoldoende zorgvuldig behartigd. Maatregel beripsping

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:150 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9149

    Kennelijk ongegronde klacht tegen verpleegkundig specialist GGZ. De klacht betreft met name onvoldoende hulp- en zorgverlening rondom incestproblematiek regiebehandelaar. Klager heeft de behandelingen gehad die de instelling hem kon bieden. Geen zorg aan klager onthouden als gevolg van het bereiken van een zorgplafond. Vertrek van verweerster en opvolgend regiebehandelaar is besproken.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:264 Hof van Discipline 's Gravenhage 260031

    Klacht tegen eigen advocaat in letselschadezaak. Bekrachtiging beslissing raad. Gedeeltelijk niet-ontvankelijk, voor zover klager te laat heeft geklaagd. Voor het overige is de klacht gegrond. Verweerder heeft onvoldoende regie genomen, hij heeft klager onvoldoende deskundig geadviseerd en bijgestaan in zijn geschil met de letselschadeverzekeraar en hij is gemaakte afspraken niet nagekomen. Onvoorwaardelijke schorsing van vier weken.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:265 Hof van Discipline 's Gravenhage 250045

    Deze zaak betreft een klacht van klaagster over het handelen van de eigen advocaat. Klaagster verwijt verweerder a) geen duidelijke afspraken te maken over de aanpak van haar zaak, b) gemaakte afspraken niet schriftelijk te bevestigen, c) opdrachten en/of opmerkingen van haar kant niet uit te voeren of na te komen en vragen niet te beantwoorden, d) zijn werkzaamheden op onzorgvuldige wijze uit te voeren, e) zijn declaraties onjuist of ondeugdelijk te specifiëren, en f) haar angstaanjagend te hebben behandeld. De klachtonderdelen a), b), c) en d) zijn gegrond verklaard en klachtonderdelen e) en f) zijn ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Klaagster en verweerder zijn beiden in hoger beroep gekomen. Beide partijen klagen in hoger beroep over het proces-verbaal van de zitting bij de Raad van Discipline. Het Hof van Discipline oordeelt dat het proces-verbaal van de raad onvolledig is en dat de uiterst korte weergave van de zitting in het proces-verbaal afbreuk heeft gedaan aan een representatieve weergave van hetgeen op zitting is gezegd en voorgevallen. Het hof verbindt hieraan geen andere consequentie dan de constatering hiervan. Het hof acht de klachtonderdelen a), b), c) en d) deels gegrond en klachtonderdeel e) ongegrond. Uit de deels gegrond verklaarde klachtonderdelen a), b), c) en d) volgt dat verweerder niet heeft gehandeld overeenkomstig het doel en de strekking van gedragsregels 16 en 17 en bovendien de kernwaarde (financiële) integriteit heeft geschonden door niet duidelijk te zijn over wat zijn werkzaamheden zouden gaan kosten. Het handelen van verweerder is in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen en verweerder heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Het hof bekrachtigt de door de raad opgelegde maatregel van waarschuwing.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:266 Hof van Discipline 's Gravenhage 260321

    Beklag artikel 13 ongegrond. Klaagster wenst aanwijzing van een advocaat om alsnog correct cassatieberoep in te stellen tegen een beslissing van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 31 maart 2026. Uit de stukken blijkt dat klaagster een advocaat heeft benaderd om haar bij te staan bij het instellen van cassatie, maar dat deze advocaat op 25 juni 2026 een negatief cassatie-advies heeft uitgebracht. Vervolgens heeft klaagster zelf een procesinleiding opgesteld en die op 1 juli 2026 bij de Hoge Raad aangebracht. Klaagster is er op 24 juli 2026 door de Hoge Raad op gewezen dat zij uiterlijk op 21 augustus 2026 moet laten weten of zij haar cassatieberoep wil intrekken, of dat zij het eventueel wil doorzetten. Ook is zij er daarbij op gewezen dat haar procesinleiding op 30 juni 2026 zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat en te laat is ingediend en dat zij er rekening mee moet houden dat zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard (als zij het beroep doorzet). Het hof overweegt dat de deken zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat klaagster haar verzoek om aanwijzing te laat heeft ingediend. Van uitzonderlijke omstandigheden die tot de conclusie zouden moeten leiden dat klaagster alsnog ontvankelijk zou zijn bij het doorzetten van het cassatieberoep door een cassatieadvocaat is niet gebleken. Een cassatieadvocaat kan het gebrek aan het door klaagster zelf buiten de termijn ingediende cassatieberoep niet herstellen. Het aanwijzen van een cassatieadvocaat dient dan ook geen redelijk doel meer.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:260 Hof van Discipline 's Gravenhage 260269

    Klacht over de deken wordt niet verwezen. Klager heeft naast de klacht over de deken ook een nagenoeg gelijkluidend beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet ingediend tegen de beslissing van de deken van 24 juni 2026, waarin de deken het verzoek van klager om de beslissing waarbij een advocaat is aangewezen, te heroverwegen heeft afgewezen. Het hof heeft dit beklag geregistreerd onder nummer 260312. Klager kan (en heeft) zijn bezwaren naar voren brengen (gebracht) in de beklagprocedure die bij het hof loopt.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:261 Hof van Discipline 's Gravenhage 260301

    Klacht over deken niet verwezen. De voorzitter overweegt dat een klacht tegen een deken geen middel is om een in een tuchtprocedure door die deken ingenomen standpunt ter discussie te stellen. Evenmin is het de bedoeling om vooruitlopend op de beslissing van de Raad van Discipline alvast een nieuwe klacht in te dienen. Klager kan zijn klacht tegen de deken, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Klager heeft, zo begrijpt het hof, van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:262 Hof van Discipline 's Gravenhage 260311

    Klacht over de deken niet verwezen. Op basis van het dossier heeft het hof vastgesteld dat klager zijn klacht tegen mr. B in 2019, na kennisneming van het dekenstandpunt, heeft ingetrokken. Klager heeft op 8 april 2020 opnieuw/ een nieuwe klacht ingediend. De deken heeft die klacht toen onderzocht en aan de raad van discipline aangeboden. De raad heeft de klacht op 23 augustus 2021 niet-ontvankelijk verklaard (ECLI:NL:TADRARL:2021:184). Het door klager daartegen ingestelde beroep is door het hof van discipline behandeld, waarbij de uitspraak van de raad van discipline is bekrachtigd (uitspraak 30 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:117). De voorzitter overweegt dat een klacht tegen een deken geen middel is om de inhoud van een dekenvisie over de klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen. Evenmin is het de bedoeling om, nadat de tuchtrechter op een klacht tegen een advocaat definitief heeft beslist, met een klacht tegen de betrokken deken(s) de discussie opnieuw te openen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:263 Hof van Discipline 's Gravenhage 260060H

    Tweede verzoek om herziening afgewezen. De voorzitter stelt voorop dat het gestelde bedrog geen grond oplevert voor herziening. Ook overigens is er naar het oordeel van de voorzitter geen sprake van een nieuw feit of omstandigheid dat verzoeker niet eerder redelijkerwijs naar voren had kunnen brengen. De uitspraak waar verzoeker op doelt is van 16 oktober 2024 en wordt genoemd in de uitspraak van 19 maart 2025, die weer wordt genoemd in de op 26 maart 2026 gepubliceerde uitspraak van 18 maart 2026, en dateert dus van vóór de zitting van 20 april 2026. Dat verzoeker pas na de zitting bij het hof op 20 april 2026 op onderzoek is uitgegaan komt voor zijn rekening en risico.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:167 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3351

    Voorzittersbeslissing. Verjaring. Klacht tegen een klinisch psycholoog tevens psychotherapeut. Klager is eind 2013 door zijn huisarts verwezen naar de instelling voor geestelijke gezondheidszorg waar verweerster werkzaam was. Verweerster was de hoofdbehandelaar van klager. Klager verwijt verweerster dat zij de diagnose narcisme op hem heeft geplakt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in de klacht vanwege overschrijding van de tienjaarstermijn. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en wijst het beroep af.