Zoekresultaten 11-20 van de 48499 resultaten

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:218 Raad van Discipline Amsterdam 26-709/A/A

    voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerder afgaan op de van zijn cliënte ontvangen feitelijke informatie zoals hij dat heeft gedaan. Klaagster of haar advocaat heeft tegen vermeende onjuiste feiten en standpunten verweer kunnen voeren in de verschillende procedures. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de in de beslissing genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de voorzitter echter niet gebleken. Deels kennelijk ongegrond, deels niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:236 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9844

    Gegronde klacht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd tegen een verpleegkundige, werkzaam in de ggz. De verpleegkundige heeft gedurende ongeveer een maand een persoonlijke en seksuele relatie gehad met een cliënte die werd behandeld in de ggz-instelling waar verweerder destijds als verpleegkundige werkte. Dit contact heeft plaatsgevonden na de klinische opname, waar cliënte op dat moment nog wel ambulant werd behandeld. De verpleegkundige heeft het hem verweten gedrag direct erkend, meegewerkt aan het onderzoek van de IGJ, reflecterend vermogen getoond en zich in alle fasen open en toetsbaar opgesteld. Hij heeft een behandeltraject gevolgd bij een psycholoog en werkt op dit moment niet als verpleegkundige. Afwijking uitgangspunt onvoorwaardelijke schorsing. Geheel voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaar, waarbij onder meer als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verpleegkundige een supervisietraject dient te volgen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:219 Raad van Discipline Amsterdam 25-900/A/A

    Raadsbeslissing; verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:239 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-504/DH/DH

    Voorzittersbeslissing over de advocaat van de wederpartij van klager in een familierechtelijk geschil. Als partijdige belangenbehartiger van haar cliënte heeft verweerster in haar stukken de standpunten van haar cliënte verwoord, zonder daarbij de gerechtvaardigde belangen van klager uit het oog te verliezen. De door verweerster gebruikte bewoordingen zijn binnen de context van het al jaren gevoerde debat tussen partijen en de opstelling van klager daarbij, naar het oordeel van de voorzitter functioneel en niet grievend geweest. Dat klager dat wel zo heeft ervaren, maakt dat nog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Van schending van de gedragsregels 26 en 27 is de voorzitter niet gebleken. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORARL:2026:16 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/455514 / KL RK 25-114

    Nu de nalatenschap in overeenstemming met de testamenten van erflater is afgewikkeld en klager geen boedelgemachtigde meer is, acht de kamer het door klager aangevoerde niet voldoende voor het aannemen van een redelijk belang van klager bij zijn klacht. Ook het door klager benoemde belang van aangifte levert naar het oordeel van de kamer onvoldoende grond op voor het aannemen van een redelijk belang. Niets staat er immers aan in de weg voor klager om (alsnog) aangifte te doen. Voor zover klager met zijn verwijzing naar een (niet nader gespecificeerd) maatschappelijk belang meent een algemeen belang bij zijn klacht te hebben, overweegt de kamer dat dit eveneens onvoldoende is voor het aannemen van een redelijk belang. Dit zou de zekere begrenzing die artikel 99 lid 1 Wna beoogt aan te brengen in de kring van klachtgerechtigden illusoir maken. De kamer komt zodoende tot het oordeel dat de voorzittersbeslissing de klacht van klager terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaart in verband met gebrek aan redelijk belang en in stand moet blijven. Het verzet is ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:322 Hof van Discipline 's Gravenhage 260433

    Afwijzing verzoek tot verwijzing (artikel 46c lid 5 Advocatenwet). Uit de toelichting van klaagster op haar klacht over de deken leidt de voorzitter af dat deze klacht betrekking heeft op de wijze waarop de deken de klacht van klaagster over mr. Van der V in onderzoek heeft. Het klachtrecht is evenwel niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens een klachtonderzoek neemt en/of de wijze waarop de deken zijn onderzoek uitvoert. Klaagster kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, haar klacht over mr. Van der V laten toetsen door de raad van discipline. Binnen de kaders van die procedure kan klaagster al haar bezwaren over het klachtonderzoek door de deken en de daarin door de deken genomen procedurele beslissingen onder de aandacht van de raad van discipline brengen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:233 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/10212

    Klacht tegen een huisarts. Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht. Doordat klager niet heeft geconcretiseerd wanneer de contacten met de huisarts hebben plaatsgevonden is het onduidelijk gebleven of de klacht over handelen gaat dat minder dan tien jaar geleden heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het klaagschrift niet voldoet aan de daaraan in de wet gestelde eisen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:323 Hof van Discipline 's Gravenhage 250439W

    Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond. Misbruik van recht. De wrakingskamer oordeelt dat de enkele stelling van verzoeker dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt omdat verweerders in eerdere zaken mogelijk onwelgevallige beslissingen hebben genomen, geen uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat verweerders ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koesteren, noch dat de bij verzoeker kennelijk bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Gelet op de lichtvaardige wijze waarop verzoeker (wederom) het wrakingsmiddel heeft ingezet, bepaalt de wrakingskamer met toepassing van artikel 7.3 van het wrakingsprotocol dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak wegens misbruik van recht niet in behandeling wordt genomen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:234 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/10393

    Klacht tegen een arts. Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk. Klaagster staat onder curatele. De voorzitter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat klaagster wilsonbekwaam is terzake het indienen van de klacht nu zowel haar zoon (ook haar gemachtigde) als de curator hebben aangegeven dat dit het geval is vanwege vergevorderde dementie. De curator stemt niet in met de klacht, dit betekent dat klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen. De zoon (en gemachtigde) van klaagster wenst de klacht zelf voort te zetten, maar hij is geen rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in artikel 65 lid 1 onder a Wet BIG.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:235 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/10394

    Klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde. Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk. Klaagster staat onder curatele. De voorzitter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat klaagster wilsonbekwaam is terzake het indienen van de klacht nu zowel haar zoon (ook haar gemachtigde) als de curator hebben aangegeven dat dit het geval is vanwege vergevorderde dementie. De curator stemt niet in met de klacht, dit betekent dat klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen. De zoon (en gemachtigde) van klaagster wenst de klacht zelf voort te zetten, maar hij is geen rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in artikel 65 lid 1 onder a Wet BIG.