ECLI:NL:TADRSGR:2026:245 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-238/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:245
Datum uitspraak: 12-10-2026
Datum publicatie: 20-10-2026
Zaaknummer(s): 26-238/DH/RO
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht tegen de curator in het faillissement van de onderneming van klagers. Belangrijkste klacht is dat verweerder eerst een schikking heeft getroffen met klagers, maar vervolgens aangifte heeft gedaan van mogelijke faillissementsfraude. De raad is van oordeel dat deze melding behoort tot de bevoegdheden van een curator en dat verweerder bij de uitoefening van die bevoegdheid niet onbetamelijk heeft gehandeld. Deze en ook de overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 12 oktober 2026 in de zaak 26-238/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

1.    Klager 1
2.    Klager 2
klagers 

over

verweerder 


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 30 juli 2025 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 20 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R2026/021 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 augustus 2026. Daarbij waren klagers en verweerder aanwezig. 
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 25. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van 3 april 2026 van klagers, met bijlagen. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klagers waren samen met de heer (…) D(…) (hierna: D) middellijk bestuurders van de besloten vennootschap D(…) B.V. (hierna: D. B.V.).
2.3    Op 8 december 2020 is D B.V. door de rechtbank Rotterdam failliet verklaard. Verweerder is aangewezen als curator. 
2.4    Op 14 oktober 2022 heeft verweerder het volgende geschreven aan de advocaat van klagers: 
“Bij brief van 21 juni 2022 heb ik uw cliënten c.s. aansprakelijk gesteld. 
Ik heb mijn stellingen uiteengezet dat onder meer niet is voldaan aan de boekhoud- en administratieplicht. Ik berichtte van mening te zijn dat uw cliënten hun taak als bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld en dat vermoed wordt dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Gevolg daarvan zou zijn dat uw cliënten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het deficit in het faillissement van D(…) B.V. 
Uw cliënten erkennen de aansprakelijkheid niet, doch hebben wel een voorstel gedaan de aansprakelijkheid af te kopen tegen een bedrag van totaal € 10.000,00 tegen finale kwijting. 
Ik heb dit voorstel voorgelegd aan de RC en zij is inmiddels akkoord. 
Ik ben er mee bekend dat uw cliënten genoemd bedrag zullen betalen als € 5.000,00 per persoon, aldus totaal € 10k. Ik heb er geen bezwaar tegen wanneer het bedrag door een derde wordt betaald. (…)”
2.5    Verweerder heeft ook met D een schikking getroffen, waarbij D minder hoefde te betalen dan klagers. 
2.6    Op 17 januari 2023 heeft verweerder aangifte gedaan van faillissementsfraude door de klagers. Deze aangifte leidde tot een strafrechtelijke vervolging. Op 29 mei 2024 is verweerder telefonisch gehoord door de politie. Verweerder heeft onder meer verklaard over het ontbreken van een fysieke administratie en zijn vermoeden dat de administratie van 2020 achteraf was opgemaakt. 
2.7    Op 22 april 2025 zijn klagers door de politierechter vrijgesproken.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende: 
a)    Verweerder heeft zijn zorgplicht als curator geschonden. Klagers wijzen op artikel 68 Faillissementswet; 
b)    Verweerder bleef ten onrechte vragen om aanlevering van de fysieke administratie, terwijl deze al op 13 januari 2021 en 1 februari 2021 digitaal was aangeleverd.
Volgens klagers is de administratie volledig en toegankelijk via de boekhouder aangeleverd. Verweerder heeft nooit onderbouwd waarom het aangeleverde ontoereikend was of welke posten ontbraken. Zijn “eis om fysieke ordners” was volgens klagers disproportioneel en diende enkel als pressiemiddel. 
c)    Verweerder heeft selectief en ongelijkmatig bestuurders aangesproken en selectief aangifte heeft gedaan.
Enkel klagers zijn aangesproken. Ook de aangiftes zijn enkel tegen klagers ingediend. Verweerder heeft geen actie ondernomen tegen de derde bestuurder. Verweerder heeft hiermee het gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel geschonden.
d)    Verweerder heeft ondanks de schikking met finale kwijting alsnog aangifte gedaan van faillissementsfraude (over exact dezelfde feiten).
e)    Verweerder heeft met deze aangifte misbruik gemaakt van zijn bevoegdheden. 
“De aangifte door [verweerder] had geen enkel boedelbelang en diende geen rechtmatig doel. De aangifte lijkt uitsluitend te zijn ingezet om druk uit te oefenen, hetgeen oneigenlijk is. (…) Door de onterechte aangifte is een langdurig strafrechtelijk onderzoek gestart dat heeft geleid tot reputatieschade, verlies van zakelijke kansen en een negatieve Bibobadviesprocedure.”
3.2    Volgens klagers is de aangifte enkel gebruikt om druk uit te oefenen met disproportionele gevolgen.
3.3    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    De klacht heeft betrekking op het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van curator. De raad overweegt dat het in de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, bijvoorbeeld zoals hier als curator, blijft het advocatentuchtrecht in die zin voor hem gelden, dat indien die advocaat zich bij de vervulling van diens andere hoedanigheid zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, sprake kan zijn van een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden (HvD 5 augustus 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:131).
5.2    Voor het handelen van een advocaat als curator brengt de hierboven genoemde maatstaf met zich mee dat niet snel van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen sprake zal zijn. Dit komt onder meer omdat een curator bij de uitoefening van zijn taak uiteenlopende en soms tegenstrijdige belangen moet behartigen en hij bij het nemen van zijn beslissingen, die vaak geen uitstel kunnen lijden, ook rekening behoort te houden met andere belangen, zoals die van de gezamenlijke schuldeisers en belangen van maatschappelijke aard. Verder speelt een rol dat de curator zijn taak uitoefent onder toezicht van de rechter-commissaris en dat het in de eerste plaats aan de rechter-commissaris is om te beslissen of het handelen van de curator zich binnen de wettelijke kaders afspeelt. Voor de tuchtrechter is daarbij in beginsel geen rol weggelegd (HvD 11 september 2006, nr. 4565, RvD Amsterdam 15 juli 2014, nr. 13-260A, 13-261A en 13-262A). Omdat de klacht ziet op verweerders optreden in diens hoedanigheid van curator, zal de raad de klacht aan de hand van de hierboven genoemde terughoudende maatstaf beoordelen.
Volgorde 
5.3    De pijn zit bij klagers met name in verweerders melding van faillissementsfraude en (de duur van) het strafrechtelijk onderzoek dat daarop volgde. Klachtonderdelen d en e vormen daarmee de essentie van dit klachtdossier en de raad zal deze klachtonderdelen daarom als eerste behandelen. 
5.4    Klachtonderdeel a is breed geformuleerd en zal daarom worden behandeld na de beoordeling van de andere klachtonderdelen. 
Klachtonderdelen d) en e)
5.5    Verweerder heeft aangevoerd dat hij een melding faillissementsfraude heeft gedaan. Op hem rust de wettelijke plicht om bij elk faillissement onderzoek te doen naar fraude en om daarvan melding te doen. De met de bestuurders getroffen schikking ziet op de civielrechtelijke aansprakelijkheden. Er is niet overeengekomen dat geen melding faillissementsfraude gedaan zou worden. Dat kan ook niet, gelet op de wettelijke plicht die op de curator rust. Na de melding door verweerder is strafrechtelijk onderzoek gedaan, door politie en openbaar ministerie. Verweerder had daarop verder geen invloed. 
5.6    Volgens klagers is wel overeengekomen dat “geen vervolgstappen zouden volgen” na het sluiten van de schikking.
5.7    De raad stelt voorop dat een curator in overleg met de rechter-commissaris beoordeelt of melding gedaan moet worden van faillissementsfraude. Het doen van een melding behoort tot de bevoegdheden van de curator. Het kan niet van een curator worden verlangd dat hij voor de tuchtrechter verantwoording aflegt over de afweging die in overleg met de rechter-commissaris is gemaakt, tenzij er aanleiding is te veronderstellen dat de afweging is gemaakt op grond van ondeugdelijke gronden, waarvan de curator bovendien op de hoogte was. De raad heeft geen grond om aan te nemen dat daarvan sprake was. Het is de raad dus niet gebleken dat verweerder bij de afweging die hij op dit punt heeft gemaakt het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Dat de melding klagers onwelgevallig was, is daarvoor in ieder geval niet voldoende. 
5.8    Dat het strafrechtelijk onderzoek en de uiteindelijke vrijspraak van de strafrechter lang op zich lieten wachten is voor klagers vervelend, maar daarop had verweerder geen invloed. Na de melding door verweerder lag de bal immers bij de politie, het openbaar ministerie en de rechtspraak. 
5.9    De raad kan op grond van het dossier niet vaststellen dat verweerder tegen klagers heeft verklaard dat geen vervolgstappen zouden volgen. De vraag of verweerder klagers had moeten wijzen op de mogelijkheid van een melding faillissementsfraude beantwoordt de raad ontkennend. Klagers werden bijgestaan door een advocaat, die bovendien ervaring had met faillissementen. Het lag op de weg van deze advocaat om klagers op dit punt voor te lichten. 
5.10    Gelet op een en ander verklaart de raad klachtonderdelen d en e ongegrond. 
Klachtonderdeel b) administratie
5.11    Ter onderbouwing van deze klacht hebben klagers correspondentie overgelegd uit 2021. Uit het dossier blijkt niet dat nadien discussie heeft plaatsgevonden over het verstrekken van het fysieke dossier. Dit betekent dat de raad moet beoordelen of klagers deze klacht tijdig hebben ingediend. 
5.12    Een klacht over een advocaat moet immers worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). 
5.13    De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
5.14    Klagers stellen zich op het standpunt dat zij dit klachtonderdeel pas konden indienen, nadat zij door de strafrechter waren vrijgesproken. De raad begrijpt dit standpunt aldus dat klagers daarmee een beroep op doen artikel 46g lid 2 Advocatenwet. Klagers waren het immers van aanvang af niet eens met verweerders vragen naar de fysieke administratie. De stelling van klagers is, zo begrijpt de raad, dat de termijn van lid 2 begon met de vrijspraak door de strafrechter. 
5.15    De raad verwerpt deze stelling. Klagers hadden in 2021 kennis van het verzoek van verweerder tot verstrekking van de fysieke administratie. Klagers waren het van aanvang af ook niet eens met het verzoek, omdat zij vonden dat zij voldoende (digitale) gegevens hadden verstrekt. Klagers hadden hierover dus eerder kunnen klager. Aan hen komt geen beroep toe op artikel 46g lid 2 van de Advocatenwet. Klagers zijn in klachtonderdeel b niet-ontvankelijk. 
Klachtonderdeel c) derde bestuurder
5.16    Verweerder heeft aangevoerd dat de derde bestuurder, D, een beperkte rol had in het geheel. Hij was ook gebrouilleerd met klagers. Verweerder heeft D eveneens aansprakelijk gesteld en hij heeft met hem ook een schikking getroffen, na goedkeuring door de rechter-commissaris. 
5.17    Klagers hebben betwist dat de rol van D beperkter was en stellen dat de regeling die met D is getroffen milder was en dat D daarmee is bevoordeeld. 
5.18    De raad stelt voorop dat het aan een curator is om, in overleg met de rechter-commissaris, te beoordelen of schikking kan worden getroffen met een bestuurder, en zo ja, wat de inhoud van die schikking moet zijn. Daarbij kunnen gronden bestaan om niet met alle bestuurders een identieke schikking overeen te komen. 
5.19    Op basis van de stellingen en de stukken in het dossier kan de raad niet vaststellen dat verweerder met de heer D ten onrechte een andersluidende schikking is overeengekomen; dat ligt gezien de goedkeuring door de rechter-commissaris ook niet voor de hand. De raad kan dus ook niet vaststellen dat verweerder daarmee het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Klachtonderdeel c is ongegrond. 
Klachtonderdeel a) schending zorgplicht
5.20    De raad heeft op grond van dat wat klagers hebben aangevoerd en de stukken in het dossier geen grond om aan te nemen dat verweerder zijn zorgplicht heeft geschonden. Uit de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b tot en met d volgt dat ook al.
5.21    Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel hebben klagers nog gewezen op het proces-verbaal van 29 mei 2024 (zie 2.6). Uit dit proces-verbaal blijkt dat verweerder enige tijd na afsluiting van het faillissement uit zijn geheugen heeft verklaard over het faillissement. Op het moment van de verklaring was het faillissement opgeheven; het was op dat moment dus niet meer verweerder die onderzoek deed naar het faillissement, maar de politie. Dat verweerder op dat moment uit zijn geheugen putte betekent naar het oordeel van de raad niet dat verweerder is tekortgeschoten in zijn zorgplicht jegens klagers of anderszins het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Ook klachtonderdeel a is ongegrond. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.


Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. F.G.L. van Ardenne en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.