ECLI:NL:TADRSGR:2026:246 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-292/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:246
Datum uitspraak: 12-10-2026
Datum publicatie: 20-10-2026
Zaaknummer(s): 26-292/DH/RO
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht tegen de eigen advocaat. Het gaat om bijstand in verband met de hersteloperatie van het toeslagenschandaal. Klaagster verwijt verweerster dat zij te lang heeft gewacht met het indienen van een beroep niet tijdig beslissen als gevolg waarvan klaagster dwangsommen is misgelopen.Verweerster voerde als kantoorbeleid om slechts beroep niet tijdig beslissen in te dienen, als zij zelf beschikte over de beschikking en aldus data kon controleren. Hoewel verweerster er herhaaldelijk om vroeg duurde het lang voordat zij de beschikking van klaagster ontving. De raad is van oordeel dat het beleid op zichzelf niet onzorgvuldig is en dat het in relatie tot de zaak klaagster ook niet als onzorgvuldig is aan te merken. De raad acht onvoldoende aannemelijk dat klaagster, als eerder beroep niet tijdig beslissen was ingediend, het maximum bedrag aan dwangsommen ontvangen zou hebben. Klacht ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 12 oktober 2026 in de zaak 26-292/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:


klaagster 


over

verweerster 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 2 juni 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 7 april 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2026/029 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 augustus 2026. Daarbij waren klaagster en verweerster aanwezig. 
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 40. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van 17 april 2026, met bijlagen, van klaagster.


 2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klaagster is slachtoffer van de toeslagenaffaire. Verweerster heeft klaagster in dit verband bijgestaan vanaf november 2023. 
2.3    Op 30 november 2023 heeft verweerster een e-mail gestuurd naar de persoonlijk zaakbehandelaar van de UHT van klaagster. Daarin heeft zij, zakelijk weergegeven, gevraagd naar de stand van zaken in het dossier van klaagster. 
2.4    Dezelfde dag om 15.22 uur heeft de persoonlijk zaakbehandelaar als volgt geantwoord: 
“(…) In bovengenoemd dossier is aan uw cliënte op 15 november jl. een vooraankondiging verzonden. Gemakshalve zend ik u de vooraankondiging nogmaals als bijlage mee. De zienswijze termijn verloopt vandaag. Mocht uw cliënte nog gebruik willen maken van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen dan verneem ik dat zo spoedig mogelijk van u, doch uiterlijk begin volgende week. Ik kan u dan als gemachtigde een uitstel van twee weken verlenen. Mocht uw cliënte geen gebruik willen maken van de mogelijkheid tot een zienswijze, dan zal een definitieve beschikking ten aanzien van de herstelregelingen compensatie en hardheid volgen. Deze definitieve beschikking zal uw cliënte per post ontvangen. 
Uw cliënte heeft recht op een opzet/grove schuld (O/GS) tegemoetkoming zoals beschreven in de vooraankondiging. Het compensatiebedrag ad €193,- is reeds aan uw cliënte uitgekeerd. De beschikking inzake de O/GS volgt nog, omdat deze regeling apart wordt beschikt. De vooraankondiging en de definitieve beschikking zien op de herstelregelingen compensatie en hardheid. (See attached file: (…)) 
De integrale beoordeling van uw cliënte is uitgevoerd aan de hand van de maatwerk integrale beoordeling (MIB). In het kader van versnellen en verbeteren is dit proces anders dan de reguliere integrale beoordeling (RIB). Bij het MIB proces wordt in tegenstelling tot RIB geen tijdlijn gemaakt door de persoonlijke zaakbehandelaar, maar een feitenoverzicht. Het feitenoverzicht treft u als bijlage aan bij de vooraankondiging. (…)”
2.5    Om 15.29 uur heeft verweerster de persoonlijk zaakbehandelaar verzocht om een langere termijn voor het indienen van zienswijzen. Zij heeft ook gevraagd of klaagster de vergoeding op grond van de Catshuisregeling had ontvangen of een aanvulling zou krijgen. 
2.6    Om 15.51 uur heeft de zaakbehandelaar als volgt gereageerd: 
“(…) Ik verleen u een extra zienswijze termijn van twee weken na heden. Zoals u ook uit de vooraankondiging kunt opmaken heeft uw cliënte geen recht op de Cathshuisregeling. Op grond van de integrale beoordeling is de enige compensatie die uw cliënte heeft ontvangen de O/GS tegemoetkoming. Voor de overige herstelregelingen komt uw cliënte niet in aanmerking.”
2.7    Om 16.03 uur heeft verweerster aan de persoonlijk zaakbehandeling gevraagd waarom artikel 2.7 lid 1 van de Wet hersteloperatie toeslagen niet van toepassing is. 
2.8    Om 16.32 uur heeft de persoonlijk zaakbehandelaar als volgt gereageerd: 
“De beschikkingsnummer (…) waarover O/GS is vastgesteld is een bedrag van €643,-. Ouder heeft recht op 30% van dit bedrag. Dit maakt het bedrag van €193,-. Ik verwijs u in dit kader naar artikel 2.6 lid 2 Wet hersteloperatie toeslagen. 
Aangezien de afwijzing van de persoonlijke betalingsregeling voor een terugvorderingsbedrag van minder 1500 euro is geweest wordt uw cliënte niet tot 30.000 aangevuld vanuit de Catshuisregeling. De 1500 euro grens is een harde eis bij de herstelregelingen hardheid en O/GS. Daarom wordt uw cliënte dan ook niet aangemerkt als een gedupeerde. Dit zou anders geweest zijn als uw cliënte geen persoonlijke betalingsregeling kreeg voor een terugvordering van 1500 euro of meer. (…)”
2.9    Op 30 november 2023 om 17.49 uur heeft verweerster de hiervoor weergegeven correspondentie naar klaagster gestuurd met de mededeling dat zij een en ander heeft uitgezocht en dat de mededeling van de persoonlijk zaakbehandelaar volgens haar klopt. 
2.10    Op 22 december 2023 heeft verweerster namens klaagster bezwaar op nader aan te voeren gronden ingediend tegen de beslissing van de Dienst Toeslagen (integrale beoordeling). 
2.11    Op 3 januari 2024 is de ontvangst van het bezwaar bevestigd. In de ontvangstbevestiging staat dat binnen maximaal 24 weken na de datum van de integrale beoordeling op het bezwaar moet worden beslist. 
2.12    Op 9 april 2024 heeft verweerster per tekstbericht aan klaagster geschreven: 
“Klopt, dat is 24 weken na de datum van de definitieve beslissing (en die is van 12 december 2023).”
2.13    Op 24 mei 2024 heeft klaagster verweerster per tekstbericht gewezen op het verstrijken van de termijn van 24 weken sinds het indienen van bezwaar. 
2.14    Op 29 mei 2024 heeft mr. K, kantoorgenoot van verweerster, het volgende geschreven aan klaagster: 
“(…) Het klopt inderdaad dat de belastingdienst 24 weken de tijd heeft om te beslissen ten aanzien van de definitieve beschikking. Deze beschikking hebben wij echter nooit ontvangen. Zou u deze zo snel mogelijk aan mij toe kunnen sturen. 
Nu rekenen wij vanaf het door ons ingediende bezwaar en dat betekent dat het termijn tot 7 juni loopt. Als u ons de definitieve beschikking toestuurt kunnen wij wellicht eerder de ingebrekestelling versturen. (…)”
2.15    Dezelfde dag heeft klaagster laten weten dat zij de definitieve beslissing nooit heeft gekregen. 
2.16    Op 31 mei 2024 om 9.00 uur heeft mr. K aan klaagster geschreven: 
“(…) Ik zie inderdaad dat wij de vooraankondiging van u hebben ontvangen. 
Echter is er bij ons in de administratie genoteerd dat er eind december (de e-mail naar u is verstuurd op 22 december 2023) het bezwaar termijn van de definitieve beschikking zou zijn verstreken. Dit is naar ons gecommuniceerd door uw contactpersoon van uit Stroomopwaarts. 
Vandaar dat wij er vanuit gaan dat er sprake is van een definitieve beschikking in uw zaak. Al deze brieven kunt u opvragen bij de UHT en deze sturen dan een kopie naar u toe. Graag zouden wij een kopie van die beschikking ontvangen.”
2.17    Klaagster heeft om 11.11 uur gereageerd en om 14.25 heeft mr. K als volgt geantwoord: 
“Dank voor het toesturen! Dit gaat inderdaad om uw persoonlijk dossier. 
Ik denk dat de verwarring daar ook is ontstaan! Wij bedoelen de brieven die de Belastingdienst u toegezonden heeft vanaf uw aanmelding bij de Uitvoeringsorganisatie herstel toeslagen (UHT). Uw persoonlijk dossier is er meer inhoudelijk op uw zaak, vandaar dat het zo lang duurt. 
Ik hoop dat dit het wat opheldert! Het zou ons helpen als u die brieven zou kunnen opvragen.”
2.18    Op 5 juni 2024 heeft mr. K klaagster opnieuw gevraagd om de definitieve beschikking op te vragen, zodat de “beroep niet tijdig procedure” kan worden gestart. In het bericht heeft mr. K klaagster verder geïnformeerd over het verloop van die procedure. Mr. K heeft onder meer het volgende geschreven:
“(…) Beslistermijn en inqebrekestelling 
De UHT moet - als er bezwaar is gemaakt - binnen 24 weken na de datum van de definitieve beschikking een beslissing op bezwaar nemen. Dit betekent dat als de UHT dit niet doet, zij te laat is met beslissen. Op dat moment kan de UHT in gebreke worden gesteld. Met de ingebrekestelling wordt nog twee weken aan de UHT gegeven om een beslissing te nemen. Doen ze dat niet, dan zijn zij een dwangsom verschuldigd van maximaal € 1442,00. Het is belangrijk dat de ingebrekestelling niet te vroeg wordt verzonden. Als dit wordt gedaan, dan is de ingebrekestelling namelijk 'prematuur' en zal een beroep niet tijdig procedure bij de rechtbank 'niet-ontvankelijk' zijn. (…)”
2.19    Klaagster heeft diezelfde dag als reactie op deze e-mail laten weten dat zij de definitieve beslissing heeft opgevraagd. 
2.20    Op 10 juni 2024 heeft mr. K het volgende geschreven aan klaagster: 
“Bijgevoegde ingebrekestelling hebben wij verzonden naar de UHT. Met de ingebrekestelling laten wij de UHT weten dat zij te laat zijn met beslissen en dit alsnog moeten doen. De ingebrekestelling kan ertoe leiden dat de UHT een dwangsom verschuldigd zal zijn. Deze kan oplopen tot € 1442,00. 
Omdat wij natuurlijk de definitieve beschikking niet hebben, weet ik niet zeker wanneer deze gedateerd is. Omdat er in onze correspondentie terug te vinden is dat de laatste dag voor het bezwaar 28 december is, heb ik 6 weken terug gekeken omdat het termijn om bezwaar te maken 6 weken is. Het kan dus wel zijn dat deze datum niet exact klopt.”
2.21    Op 6 september 2024 heeft mr. K bij klaagster geïnformeerd of zij al een definitieve beschikking had ontvangen. Op 9 september 2024 heeft klaagster laten weten dat zij contact heeft gehad en dat het maximaal drie jaar duurt voordat “we überhaupt ons dossier hebben”. Op 13 september heeft mr. K daarop geantwoord:
“Ja dat betreft uw ouderdossier. U kunt het best specifiek om de brieven vragen die de Belastingdienst in uw toeslagenaffaire behandeling heeft toegestuurd, zoals de definitieve beschikking. 
Dit duurt dan maximaal 20 werkdagen.”
Klaagster heeft dezelfde dag als volgt gereageerd:
“Hun zeggen maar 1 namelijk hoe kan ik dit het beste zeggen dat het er 2 zijn en van welke dan snappen ze t meschien wel” 
2.22    Op 27 september 2024 om 11.12 uur heeft mr. K het volgende geschreven aan klaagster: 
“U kunt het beste dan gewoon vragen om de brief van de definitieve beschikking bij de UHT. Dan weten ze waar u op doelt. Dus niet uw totale dossier van de hele afgelopen periode van de toeslagenaffaire, maar enkel de definitieve beschikking die u heeft ontvangen naar aanleiding van de herbeoordeling kinderopvangtoeslag.”
Klaagster heeft dezelfde dag om 11.36 uur als volgt gereageerd: 
“Ja het hele dossier moet ik juist hebben omdat ik gewoon zeker weet dat hun een verkeerde berekening hebben gemaakt kan wel uht vragen om die brief maar wie zegt dat dat klopt mvg”
2.23    Om 11.48 uur heeft mr. K het volgende aan klaagster geschreven: 
“Ja dat klopt inderdaad en die hebben wij ook opgevraagd, maar dat staat los van de definitieve beschikking. Die hebben we nodig voor de beroepsprocedure. 
Als u alleen de definitieve beschikking opvraagt, dan kunnen we het beroep niet tijdig beslissen op starten. Dit ziet enkel op het niet tijdig beslissen, en niet de inhoud van de definitieve beschikking. 
Bij de inhoudelijke beoordeling van uw bezwaar krijgen we inderdaad het hele dossier opgestuurd, zodat we de beslissing kunnen checken. Daar is nu echter nog geen sprake van.”
2.24    Op 20 december 2024 heeft verweerster namens klaagster beroep ingediend bij de rechtbank vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar van klaagster (zie 2.10). In het beroepschrift staat onder meer het volgende: 
“(…) De UHT diende ex artikel 7:10 lid 1 Awb binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, een beslissing te nemen. Deze termijn kan eenmaal met zes weken worden verlengd en daar is gebruik van gemaakt. De totale beslistermijn na dagtekening van het besluit bedraagt 24 weken. De wettelijke termijn om op het bezwaar van eiseres te beslissen, verstreek derhalve op 1 mei 2024. 
Omdat niet tijdig op haar bezwaar is beslist heeft eiseres de UHT op 14 juni 2024 in gebreke gesteld (productie 2). 
Tot op heden is evenwel nog altijd niet beslist op het bezwaar van eiseres. Ingevolge artikel 6:12 Awb is het onderhavige beroepschrift ontvankelijk. (…)”
2.25    Op 17 februari 2025 heeft de rechtbank beslist op het beroep. Uit de beslissing blijkt dat de Dienst Toeslagen aan klaagster een dwangsom van € 1.442,- heeft toegekend. De rechtbank heeft verder bepaald dat de Dienst Toeslagen binnen 34 weken na verzending van de beslissing de beslissing op het bezwaar van klaagster moet nemen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- met een maximum van € 15.000,-. 


3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende: 
a)    Verweerster heeft pas in november 2024 een ingebrekestelling verstuurd op het besluit op bezwaar, terwijl ze dat al had kunnen doen in mei 2024. Als dat laatste was gebeurd, dan waren al dwangsommen van € 100,- per dag verbeurd, met een maximum van € 15.000,-, en was dat bedrag al uitbetaald aan klaagster. 
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 


4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 


5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Tijdig beroep niet beslissen?
5.2    Allereerst stelt de raad vast dat beroep niet beslissen bij de rechtbank kan worden ingesteld, zonder overlegging van het primaire besluit. Dat is tussen partijen ook niet (meer) in geschil. 
5.3    Uit het klachtdossier volgt dat de definitieve beslissing op de integrale beoordeling op 12 december 2023 is genomen. Op 22 december 2023 heeft verweerster daartegen bezwaar ingesteld. Op dat bezwaar had beslist moeten worden binnen 24 weken na 12 december 2023. Na het verstrijken van die 24 weken had verweerster een ingebrekestelling kunnen sturen en twee weken na de ingebrekestelling, bij het uitblijven van een beslissing op bezwaar, een beroep niet beslissen bij de rechtbank. De exacte datum waarop een beroep niet beslissen ingediend had kunnen worden kan de raad niet vaststellen; 24 weken na 12 december, de datum van de definitieve beslissing, is 8 mei 2024. In het uiteindelijk op 20 december 2024 ingediende beroep niet beslissen heeft verweerster geschreven dat de termijn om te beslissen op het bezwaar op 1 mei 2024 verstreek. Uit een e-mail van mr. K aan verweerster blijkt dat ook de datum van het indienen van het bezwaar tot uitgangspunt genomen kan worden en dat in dat geval op 7 juni 2024 beroep niet beslissen kan worden ingediend. 
5.4    De stelling van klaagster is dat verweerster in mei 2024 ook beroep niet beslissen had moeten indienen. Klaagster stelt ook dat wanneer verweerster dat in mei 2024 had gedaan, de later door de rechtbank opgelegde dwangsommen waren verbeurd. Volgens klaagster is zij door de gang van zaken dus financieel benadeeld. 
5.5    Verweerster heeft aangevoerd dat zij in het kader van de zorgvuldige praktijkvoering als kantoorbeleid voert dat pas beroep niet (tijdig) beslissen wordt ingesteld, als wordt beschikt over de definitieve primaire beslissing. Reden hiervoor is dat verweerster zelf wil kunnen beoordelen wanneer termijnen aanvangen en verstrijken om zodoende te voorkomen dat zij wederpartijen en de rechtbank belast met niet-ontvankelijke procedures. 
5.6    De eerste vraag die voorligt is of dit beleid dat verweerster met haar kantoor voert in zijn algemeenheid onbetamelijk of onzorgvuldig is. De raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Het staat een advocaat vrij om beleid te voeren om de zorgvuldigheid van de praktijkvoering te bewaken. Het beleid waar het hier om gaat beoogt te voorkomen dat nodeloos een beroep wordt gedaan op de instanties die betrokken zijn bij de hersteloperatie van het toeslagenschandaal. In aanmerking genomen dat deze instanties zwaar belast worden door de hersteloperatie, waardoor vertraging ontstaat, is het beleid op zichzelf juist níet onzorgvuldig. 
5.7    De volgende vraag die beantwoord moet worden is of het beleid in de uitvoering ervan in relatie tot klaagster als onbetamelijk of onzorgvuldig is aan te merken. 
5.8    Volgens verweerster vernam zij via contact met een derde, waarschijnlijk de gemeente, dat de definitieve (primaire) beslissing was genomen. Zij heeft daarop pro forma bezwaar ingesteld. Eind mei 2024 hadden klaagster en mr. K contact over het verstrijken van de termijn. Op 29 mei 2024 is aan klaagster gevraagd om de definitieve beslissing te verstrekken. De reden van dat verzoek, het kantoorbeleid om zelf de data en termijnen te controleren aan de hand van de beschikking, is toen niet aan klaagster toegelicht. 
5.9    Het verzoek tot het verstrekken van de definitieve beslissing is herhaald op 31 mei 2024 en 5 juni 2024. In het bericht van 5 juni 2024 heeft mr. K ook kort uitgelegd wat het belang is van het goed kunnen vaststellen van de datum van de definitieve beslissing. Op 5 juni 2024 heeft klaagster laten weten dat zij de definitieve beslissing heeft opgevraagd. Op 10 juni 2024 heeft mr. K aan klaagster laten weten dat een ingebrekestelling is verzonden naar de UHT. Zij heeft erop gewezen dat zij niet geheel zeker wist wanneer de definitieve beslissing gedateerd was, omdat zij daarover nog niet beschikte. 
5.10    Op 6 september 2024, heeft mr. K nog eens bij klaagster geïnformeerd naar de definitieve beschikking. Het verzoek is in september nog een aantal keren herhaald. Volgens de onweersproken verklaring van verweerster heeft klaagster de definitieve beschikking uiteindelijk op 15 oktober 2024 toegestuurd.
5.11    Naar het oordeel van de raad is door (de kantoorgenoot van) verweerster voldoende aan klaagster uitgelegd dat zij de definitieve beslissing moest verstrekken en waarom dat van belang was. Het is dan ook niet aan verweerster te wijten dat zij pas vanaf medio oktober 2024 over de definitieve beslissing beschikte. De raad is daarom ook van oordeel dat de uitvoering van het kantoorbeleid van verweerster in het geval van klaagster niet onzorgvuldig of onbetamelijk heeft uitgewerkt.  
5.12    Vervolgens heeft verweerster op 20 december 2024, dus ruim twee maanden later pas, beroep ingesteld bij de rechtbank. Dat had op zichzelf sneller gekund, maar naar het oordeel van de raad is deze termijn niet zo lang dat sprake is van onbetamelijk handelen van verweerster. Klaagster is daardoor ook niet in een nadeliger positie geraakt. 
Dwangsommen
5.13    De stelling van klaagster komt erop neer dat wanneer verweerster op 24 mei 2024 beroep had ingesteld zij circa twee maanden later een beslissing had gehad van de rechtbank en dat circa 34 weken na die beslissing de eerste dwangsommen waren verbeurd. Klaagster stelt bovendien dat zij het maximumbedrag aan dwangsommen zonder meer ontvangen zou hebben. 
5.14    De raad acht aannemelijk dat, wanneer eerder beroep was ingesteld, de rechtbank eveneens zou hebben beslist dat de Dienst Toeslagen een ruime termijn zou krijgen om alsnog te beslissen. Niet aannemelijk is echter dat klaagster de opgelegde dwangsommen in dat geval (geheel of gedeeltelijk) ontvangen zou hebben. Immers, de door de rechtbank opgelegde termijn en dwangsommen hadden juist tot doel dat de Dienst Toeslagen zou worden aangespoord om alsnog een beslissing te nemen op het ingediende bezwaar en met het oog op de dreigende verbeurdverklaring van de opgelegde dwangsommen ligt niet voor de hand dat de Dienst Toeslagen die termijn ongebruikt zou hebben laten verstrijken. De raad heeft op basis van het dossier en de stellingen van klaagster onvoldoende grond om aan te nemen dat Dienst Toeslagen niet binnen de door de rechtbank gegeven termijn zou hebben beslist op het bezwaar van klaagster. 
5.15    Het verwijt dat klaagster door toedoen van verweerster het bedrag van € 15.000,- niet uitbetaald heeft gekregen slaagt daarom niet
Slotsom
5.16    Uit het voorgaande volgt dat de klacht van klaagster in alle onderdelen ongegrond is. 

 BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. F.G.L. van Ardenne en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.