ECLI:NL:TGZRSHE:2026:174 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9278
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:174 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-10-2026 |
| Datum publicatie: | 21-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/9278 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Ouders klagen tegen een superviserend chirurg. De 14-jarige zoon van klagers heeft een breuk in zijn hand na een incident op school en gaat met een leraar naar de SEH. Op enig moment is er een discussie tussen de ouders en een andere zorgverlener over de aanwezigheid van een volwassene en het naar huis gaan van de zoon. De situatie escaleert. Klagers zijn van mening dat onjuist is gehandeld door de chirurg en dat er onjuiste informatie staat in de brief aan de huisarts waaronder de naam van de arts staat. Daarnaast zou de chirurg het inzagerecht in het medisch dossier hebben gefrustreerd. Het college is van oordeel dat de chirurg geen verwijt kan worden gemaakt. De klacht is ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 21 oktober 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde: mr. M.J. Wolf, werkzaam in Goes,
en
[C],
wonende in [B], klaagster,
gemachtigde: mr. M.J. Wolf, werkzaam in Goes,
voor zichzelf en als wettelijk vertegenwoordigers van [D], geboren …..,
de wettelijk vertegenwoordigers hierna gezamenlijk genoemd: klagers, ofwel respectievelijk
vader en
moeder en [D] hierna genoemd: de zoon,
tegen
[E],
chirurg,
(destijds) werkzaam in [F],
verweerster,
gemachtigde: mr. C. Velink, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 De 14-jarige zoon van klagers slaat tijdens een ruzie op school met zijn vuist
tegen een muur
en loopt een breuk op in zijn hand. Hij gaat, vergezeld van zijn docent, naar de
SEH. Daarop volgt
een telefonische discussie tussen de verpleegkundig specialist en moeder over de
vraag of de zoon
kan worden geholpen zonder dat zijn ouders aanwezig zijn en of hij na de ingreep
alleen op zijn
fiets naar huis kan gaan. De zoon wordt uiteindelijk aan de breuk geholpen. De SEH
doet bij brief
verslag van de behandeling aan de huisarts. De ouders zijn het niet eens met de
gang van zaken en
dienen klachten in tegen meerdere zorgverleners. Zij verwijten verweerster dat zij
haar rol van
supervisor niet juist heeft vervuld, het inzagerecht heeft gefrustreerd en heeft
nagelaten te de-escaleren.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 20 november 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 11 maart 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De 14-jarige zoon van klagers heeft op 27 maart 2025 tijdens een ruzie op
school met een
vuist tegen de muur geslagen. De ouders worden gebeld maar zijn niet in de gelegenheid
om te komen.
Moeder zit thuis met een klein kind en heeft geen babyzitje in de auto. Vader werkt
op een afstand
van twee uur rijden van het ziekenhuis. De ouders spreken af dat de docent de zoon
naar de SEH in
[F] vergezelt. Na de triage en röntgenfoto’s vertrekt de docent uit het ziekenhuis.
3.2 De verpleegkundig specialist deelt de zoon mee dat zijn hand gebroken is en
moet worden
gezet. Hij belt moeder en spreekt uit dat het de voorkeur verdient dat er een volwassene
bij de
ingreep aanwezig is. Hij vraagt moeder of zij of een ander familielid aanwezig kan
zijn. Hierover
ontstaat een discussie. De verpleegkundig specialist deelt op een vraag van moeder
mee dat de zoon
met een hand in het gips niet alleen op de fiets naar huis kan gaan. De situatie
escaleert.
3.3 De ouders hebben hierna nog enkele malen telefonisch contact met het ziekenhuis.
3.4 Uiteindelijk wordt telefonisch tussen vader en de ziekenhuismanager afgesproken
dat de
behandeling zal plaatsvinden door de dan dienstdoende ziekenhuisarts.
3.5 Vervolgens wordt de zoon behandeld aan de breuk door de ziekenhuisarts.
3.6 Diezelfde avond wordt een huisartsenbrief opgesteld en verzonden. Onderaan de
brief staan de
namen van de ziekenhuisarts en verweerster, als superviserend chirurg.
3.7 Op 2 april 2025 vindt een controle-afspraak en een gipswissel plaats bij de
gipsverpleegkundige. Moeder wil ter plekke inzage in het dossier. De gipsverpleegkundige
weigert
dat en overlegt met verweerster. Die middag wordt moeder teruggebeld en wordt haar
uitleg gegeven
over hoe de procedure werkt om via de website een verzoek tot inzage in het dossier
in te dienen.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klagers verwijt verweerster het:
a) verzaken van supervisie en eindverantwoordelijkheid;
b) frustreren van inzagerecht;
c) nalaten van de-escalatie en schenden van de plicht tot transparantie.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende chirurg. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor verweerster geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Zorgverleners zijn daarbij alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
en licht
dat hierna toe.
klachtonderdeel a) Verzaken van supervisie en eindverantwoordelijkheid
5.3 Volgens klagers staat verweerster als dicteerder op de SEH-brief waarmee zij
verantwoordelijkheid draagt voor de inhoud daarvan. Voorts staat zij als enige behandelaar
vermeld
in het SPUTOVAMO-formulier (college: een checklist die artsen en verpleegkundigen
op de
Spoedeisende Hulp gebruiken om te screenen of letsel bij een kind kan komen door
kindermishandeling). Zij heeft als behandelaar, al dan niet tijdens het MDO (college:
multidisciplinair overleg) nagelaten in te grijpen bij de escalerende situatie en
de
onprofessionele bejegening door de verpleegkundig specialist.
5.4 Verweerster voert aan dat zij geen directe bemoeienis heeft gehad met de zorg
voor de zoon.
Zij heeft op 27 maart 2025 om 17:30u de dienst van haar collega (medisch specialist,
chirurg)
overgenomen. Zij was niet aanwezig tijdens de telefoongesprekken tussen de verpleegkundig
specialist
en de ouders. Zij had ook geen bemoeienis met de SEH-brief aan de huisarts. Tijdens
het MDO op
28 maart 2025 is wel het handtrauma van de zoon besproken, maar niet de gebeurtenissen
die tot een
escalatie hebben geleid. De medewerkers die betrokken waren bij de discussie met
de ouders en de escalatie,
waren tijdens dit MDO niet aanwezig. De casus is ook niet in een later MDO besproken.
5.5 Het college is van oordeel dat verweerster hier geen verwijt treft. Verweerster
was niet
direct betrokken bij de behandeling van de zoon. Dat was ten tijde van de dienst
van verweerster de
ziekenhuisarts en deze was voldoende bevoegd en bekwaam om de fractuur van de zoon
te beoordelen en
te behandelen. Verweerster hoefde daarvoor niet als supervisor in consult gevraagd
te worden.
Verweerster was niet de supervisor van de verpleegkundig specialist die eerder die
middag dienst
had en met wie meerdere telefoongesprekken zijn gevoerd. Verweerster had toen zelf
nog geen dienst.
Dat de naam van verweerster onder de brief aan de huisarts staat maakt het voorgaande
niet anders.
Deze naam wordt elektronisch door het systeem gegenereerd omdat zij inmiddels de
dienst had
overgenomen. Voldoende vast staat ook, want niet weersproken, dat de behandelaren
van de zoon niet
aanwezig waren tijdens het MDO op 28 maart 2025 en dat er toen niet is gesproken
over het gebeuren
rondom de behandeling van de zoon. Alleen al daarom was voor verweerster ter zake
geen rol
weggelegd.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
klachtonderdeel b) Frustreren van inzagerecht
5.6 Klagers verwijten verweerster dat zij tijdens het consult op 2 april 2025
heeft geweigerd
inzage in het medisch dossier te verstrekken en daarmee niet transparant is geweest
en heeft
nagelaten de-escalerend op te treden.
5.7 Volgens verweerster was zij niet betrokken bij de zorgverlening op die dag.
Klagers waren
toen op de gispkamer en daar was de gipsverbandmeester aanwezig. Wel heeft zij het
verzoek om
inzage in het dossier volgens protocol afgewikkeld.
5.8 Het college overweegt als volgt. Verweerster heeft voldoende onderbouwd dat
zij niet
betrokken was tijdens de zorgverlening op 2 april 2025 maar een gipsverbandmeester.
De
gipsverbandmeester heeft op de vraag van klaagster om dossierinzage, verweerster
gebeld en haar
deze vraag voorgelegd, omdat de gipsverbandmeester daarin geen beslissing kan nemen.
Verweerster
heeft daarop aangegeven dat er een ziekenhuisprotocol is dat voorschrijft dat voor
een verzoek om
onder meer inzage van het dossier een daartoe bijgevoegd aanvraagformulier dient
te worden
ingevuld. Zij heeft dit met de gipsverbandmeester besproken en dit antwoord is aan
klaagster
teruggekoppeld. Naar het oordeel van het college heeft verweerster in deze op de
juiste wijze
gehandeld. Verweerster treft geen verwijt. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
klachtonderdeel c) Nalaten van de-escalatie en schenden van de plicht tot transparantie
5.9 Volgens klagers heeft zij op 2 april 2025 niet de-escalerend opgetreden door
het inzagerecht
te frustreren en er een juridische kwestie van te maken. Verweerster heeft verwezen
naar haar
verweer onder klachtonderdeel b.
5.10 Het college overweegt dat dit klachtonderdeel niet door klagers is gesubstantieerd.
Verweerster is alleen telefonisch benaderd over het dossier en heeft ter zake gehandeld
volgens het
geldende protocol. Voor het overige had zij geen betrokkenheid bij deze zaak en
was er ook geen
sprake van een noodzaak om verweerster te betrekken. Ook dit klachtonderdeel is
ongegrond.
Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 21 oktober 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van
Meerwijk,
voorzitter, L.H. Bouwman en J.H. Wijsman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
T.G. Nijenkamp, secretaris.