ECLI:NL:TADRSGR:2026:252 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-220/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:252
Datum uitspraak: 19-10-2026
Datum publicatie: 20-10-2026
Zaaknummer(s): 26-220/DH/RO
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat in een familierechtelijke procedure.  Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde deskundigheid en gedragsregel 16, door belangrijke afspraken niet schriftelijk vast te leggen, zoals de strategie. Ook heeft verweerder nagelaten proactief gegevens en documenten op te vragen. Mede gelet op tuchtrechtelijk verleden, voorwaardelijke schorsing van 2 weken.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 oktober 2026 in de zaak 26-220/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager
gemachtigde: mr. I. Mercanoğlu

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 7 juni 2025 heeft de gemachtigde van klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 17 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2026/020 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 7 september 2026. Daarbij waren de gemachtigde van klager en verweerder aanwezig.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 24. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken verweerder van 6 april 2026 en 24 augustus 2026.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager heeft zich tot verweerder gewend voor bijstand bij zijn echtscheidingsprocedure.
2.3    Op 6 september 2023 heeft verweerder een toevoeging aangevraagd voor klager. De toevoeging is op 7 september 2023 verleend. Op 11 september 2023 heeft verweerder een opdrachtbevestiging verstuurd aan klager. 
2.4    Op 15 januari 2024 heeft verweerder een ‘verweerschrift op zelfstandige verzoeken tevens aanvullende verzoeken’ ingediend namens klager. Over de gevraagde kinderalimentatie, heeft verweerder aangegeven dat klager niet onwelwillend tegenover de betaling daarvan staat en dat hij spoedig een berekening met bijbehorende bijlagen zal overleggen. Over het verzoek van de ex-partner tot uitsluitend gebruik van de woning heeft verweerder geprotesteerd.
2.5    Op 22 januari 2024 heeft klager financiële gegevens aangeleverd, waaronder salarisspecificaties, belastingaangiftes en overzichten van leningen. Klager heeft daarbij opgemerkt het niet eens te zijn met een taxatierapport van zijn ex-partner dat de echtelijke woning € 330.000,- waard zou zijn en dat hij zelf een taxateur zal inschakelen. Als de ex-partner de woning wenst over te nemen, moet dit volgens hem tegen een redelijke marktwaarde en onder verrekening van alle schulden. Als dat niet mogelijk is, wenst klager dat de woning wordt verkocht. 
2.6    Op 11 maart 2024 heeft klager het taxatierapport dat hij heeft laten opstellen doorgezonden aan verweerder, zonder verdere toelichting. Het taxatierapport is diezelfde dag door klager ook aan de mediator toegezonden.
2.7    Op 1 mei 2024 heeft klager een aanvullende salarisspecificatie aan verweerder toegezonden.
2.8    Op 3 mei 2024 heeft verweerder diverse documenten ingediend bij de rechtbank, waaronder de belastingaangiftes, salarisspecificaties en overzichten van kredieten en leningen.
2.9    Op 15 mei 2024 heeft verweerder een tolk aangevraagd voor de zitting van 17 mei 2024. Op 16 mei 2024 is bevestigd dat er een tolk aanwezig zal zijn.
2.10    Op 17 mei 2024 heeft een zitting plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal volgt dat de door verweerder aangevraagde tolk op het laatste moment heeft afgezegd en dat het niet is gelukt om een vervanger te regelen. Verweerder heeft tijdens deze zitting verklaard niet bij machte te zijn om als tolk te fungeren en dat klager ook geen telefonische tolk wenste. Verweerder heeft om die reden verzocht om aanhouding. De rechtbank heeft de zitting vervolgens kortdurend geschorst. Uit het proces-verbaal volgt dat klager de rechtbank tijdens deze schorsing heeft verlaten en dat verweerder heeft verklaard niet te weten waarom. De rechtbank heeft vervolgens besloten, ook gelet op het verweer van de wederpartij, om de behandeling van de zaak voort te zetten, zonder aanwezigheid van klager. Verweerder heeft zich daarop onttrokken, omdat hij niet namens klager kan spreken die volgens verweerder vlak voor zitting een ander standpunt had. Verweerder heeft vervolgens toegelicht in de zaal te zijn blijven zitten ondanks zijn onttrekking omdat hij dat wel zo fatsoenlijk vond, maar is vervolgens vertrokken nadat de rechtbank heeft medegedeeld door te gaan met de mondelinge behandeling zonder aanwezigheid van klager of zijn advocaat.
2.11    Op 22 mei 2024 heeft verweerder schriftelijk aan klager toegelicht wat er op de zitting van 17 mei 2024 heeft plaatsgevonden nadat klager was vertrokken, waarom verweerder geen mogelijkheid meer zag om klager verder bij te staan en hij zich daarom heeft onttrokken. Verweerder heeft klager daarbij aangeraden te wachten op een beslissing van de rechtbank waarin duidelijkheid wordt geboden over de verdere behandeling van het dossier, dan wel een beschikking waartegen hoger beroep kan worden ingesteld. Verweerder heeft toegelicht dat hij wegens zijn onttrekking niet meer op de hoogte zal worden gehouden door de rechtbank. Hij heeft klager vervolgens geadviseerd om correspondentie van de rechtbank in de gaten te houden en om een nieuwe advocaat te zoeken. Ook heeft hij toegezegd het dossier te zullen versturen aan klager.
Diezelfde dag hebben klager en verweerder met elkaar gecorrespondeerd via WhatsApp. Klager heeft daarin opgemerkt dat het taxatierapport dat hij heeft laten opmaken niet aan de rechtbank is overgelegd door verweerder. Verweerder heeft hierop gereageerd dat zijn assistent is vergeten om het toe te voegen aan de e-mail richting de rechtbank, maar dat hij het al eerder heeft gestuurd.
2.12    Op 14 juni 2024 heeft verweerder het proces-verbaal van de zitting van 17 mei 2024 ontvangen en medegedeeld dat zijn bemoeienissen met de zaak daarmee ten einde zijn gekomen en dat hij het dossier zal sluiten.
2.13    Bij beschikking van 14 juni 2024 is onder andere de echtscheiding uitgesproken, een verplichting voor het voldoen van kinderalimentatie opgelegd aan klager en een voorlopige zorgregeling vastgesteld. Diverse andere beslissingen, onder meer ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk, zijn aangehouden. 
2.14    Op 24 juni 2024 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat hij, ondanks zijn onttrekking, op het roljournaal heeft gezien dat er op 17 juni 2024 een tussenbeschikking is gewezen en dat partijen zich tot 20 september 2024 kunnen uitlaten. Verweerder heeft klager erop gewezen dat hij daarvoor een nieuwe advocaat in de arm moet nemen. Ook heeft verweerder toegelicht de tussenbeschikking niet te kunnen overleggen, omdat hij deze niet heeft ontvangen wegens zijn onttrekking. 
2.15    Bij beschikking van 3 december 2024 heeft de rechtbank beslist op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk, waarbij is uitgegaan van een woningwaarde van € 330.000,-. Ook heeft de rechtbank in die beschikking een (definitieve) zorgregeling vastgesteld. 
2.16    Op 20 februari 2025 heeft de (opvolgende) gemachtigde van klager verweerder aangeschreven, waarin naar voren is gebracht dat er volgens klager diverse fouten zijn gemaakt door verweerder in de echtscheidingsprocedure. Verweerder heeft op 21 februari 2025 gereageerd en toegelicht zich niet in de beschuldigingen te herkennen. 
2.17    Op 7 juni 2025 heeft de (opvolgende advocaat en) gemachtigde van klager deze tuchtklacht over verweerder ingediend bij de deken.
2.18    Op 9 juni 2025 heeft de gemachtigde van klager verweerder aansprakelijk gesteld en verzocht om de aansprakelijkstelling door te geleiden aan zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Verweerder heeft zijn verzekeraar nadien ingelicht.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a)    Er is geen intakegesprek gevoerd;
b)    Verweerder heeft nagelaten de noodzakelijke financiële gegevens volledig en tijdig bij de rechtbank in te dienen;
c)    Verweerder heeft nagelaten een door klager aangeleverd taxatierapport van de echtelijke woning over te leggen aan de rechtbank en/of toe te zenden aan de wederpartij;
d)    Verweerder heeft bij ten minste één belangrijke zitting niet tijdig een beëdigde tolk geregeld, waardoor er geen tolk aanwezig was;
e)    Verweerder heeft naast het taxatierapport ook andere essentiële boedelstukken niet ingediend;
f)    Verweerder heeft klager misleidend geadviseerd tijdens de mondelinge behandeling van de zaak bij de rechtbank;
g)    Verweerder heeft zich tijdens de zitting zonder toestemming van de Raad voor Rechtsbijstand en zonder overleg met zijn cliënt aan de zaak onttrokken;
h)    Verweerder heeft na zijn onttrekking geen nazorg verleend of voor opvolging gezorgd;
i)    Verweerder heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de alimentatiebeschikking;
j)    Verweerder heeft geen actie ondernomen dat er mogelijke beroepsfouten zijn gemeld;
k)    Verweerder heeft niet adequaat gehandeld met het oog op de taalachterstand en kwetsbare positie van klager;
l)    Er is ernstige financiële schade ontstaan door samenloop van de genoemde nalatigheden.

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Communicatie met de cliënt
Klachtonderdeel a)
5.2    Klager heeft toegelicht dat verweerder heeft nagelaten om voorafgaand aan de behandeling van de zaak een deugdelijk intakegesprek te voeren. Er heeft volgens hem geen oriënterend of verkennend gesprek plaatsgevonden, waarin klager zijn situatie kon uitleggen en waarin verweerder de te bewandelen strategie, de risico’s en de financiële consequenties kon toelichten en essentiële gegevens en stukken kon opvragen.
5.3    Verweerder heeft dit klachtonderdeel betwist. Hoewel er geen schriftelijke ondertekening of een afzonderlijk intakeformulier beschikbaar is, heeft er wel telefonisch contact plaatsgevonden waarin de aard van de zaak, de wijze van bijstand en het vervolg van de procedure zijn besproken. Ook wijst verweerder erop dat klager daarvan op de hoogte was, aangezien hij direct daarop actief stukken aanleverde en instructies gaf.
5.4    Verweerder is op basis van gedragsregel 16 verplicht belangrijke informatie schriftelijk vast te leggen. Vaststaat dat verweerder niet schriftelijk heeft vastgelegd wat tijdens het telefonische gesprek met klager is besproken bij het aannemen van de zaak. Ook op een later moment heeft verweerder niet vastgelegd welke strategie hij zou hanteren en welke kansen en risico’s er kleefden aan de procedure. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit voor hem ondoenlijk was, omdat klager steeds veranderende standpunten innam over wat hij wilde bereiken. Echter, juist dan ligt het op verweerders weg om goed vast te leggen wat klager precies wenste te bereiken en al dan niet op basis daarvan de gekozen strategie te heroverwegen. Verweerder heeft dit niet gedaan. Daarmee heeft hij niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat wordt verwacht. Klachtonderdeel a) is gegrond.
Indienen van stukken
Klachtonderdelen b), c) en e)
5.5    De raad stelt vast dat verweerder meerdere malen financiële stukken heeft ingebracht in de procedure bij de rechtbank. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangeleverde financiële stukken nog onvoldoende waren voor het maken van een volledige alimentatieberekening. Zo heeft verweerder toegelicht dat de volgende gegevens nog misten: een jaaropgave, een integraal lastenoverzicht en volledige zakelijke stukken met betrekking tot klagers onderneming. Verweerder miskent dat hij, als dominus litis, de leiding heeft in de behandeling van klagers echtscheidingsprocedure. Als de noodzakelijke financiële gegevens ontbreken, dan ligt het op verweerders weg om helder te maken welke precieze gegevens hij nodig heeft van klager en hem er ook op te wijzen wat de consequenties zijn als die gegevens niet worden aangeleverd. Dat verweerder dit heeft gedaan, is niet gebleken.
5.6    Over het taxatierapport staat vast dat deze niet is ingediend bij de rechtbank. Verweerder heeft daar aanvankelijk in WhatsAppberichten aan klager over gezegd dat zijn assistent dit zou zijn vergeten. In reactie op de tuchtklacht heeft verweerder het standpunt ingenomen dat hij ervan uitging dat klager het taxatierapport in het kader van het toen lopende mediationtraject had overgelegd en dat hij door klager niet was geïnstrueerd om het taxatierapport in te brengen bij de rechtbank. De raad is van oordeel dat verweerder hiermee een te passieve rol heeft aangenomen. Klager had op 22 januari 2024 al aan verweerder duidelijk gemaakt dat hij het niet eens was met de taxatie die zijn ex-partner had laten uitvoeren. Zij mocht de woning daarom alleen overnemen tegen een reële marktwaarde. Reden waarom klager heeft aangegeven dat hij het betreffende taxatierapport zou laten opstellen. Verweerder had zodoende moeten begrijpen dat klager het taxatierapport wenste te gebruiken in de procedure of had daar op zijn minst navraag over moeten doen. Het is de raad bovendien niet gebleken dat verweerder klagers bezwaren over de taxatie van de woning op € 330.000,- naar voren heeft gebracht in de echtscheidingsprocedure en een zelfstandig verzoek daartoe ontbreekt. Zou verweerder dit wel hebben gedaan, dan had hij dit gemotiveerd moeten door onder verwijzing naar het – hem bekende – taxatierapport. Verweerder heeft door het voorgaande niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht.
5.7    Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat klager de ontbrekende documenten zelf had kunnen aanleveren na de zitting van 17 mei 2025. Verweerder miskent daarmee dat die ruimte er in beginsel niet was, dat hij vooraf niet kon weten dat de zaak voor de vermogensrechtelijke afwikkeling zou worden aangehouden en dat hij dus de standpunten die hij namens klager heeft ingenomen al vóór die zitting had moeten onderbouwen met de benodigde gegevens. Dat klager nadien alsnog die kans heeft gekregen en niet heeft benut, doet er niet aan af dat verweerder niet voldoende deskundig heeft gehandeld in zijn bijstand aan klager. 
5.8    Klachtonderdelen b), c) en e) zijn gegrond.
Zitting van 17 mei 2024 en onttrekking
Klachtonderdelen d), f),g), h), i) en j)
5.9    De raad stelt vast dat verweerder tijdig om een tolk heeft verzocht en dat hij ook een bevestiging van de tolkendienst heeft ontvangen dat er een tolk beschikbaar zou zijn op de zitting. Dat deze tolk vervolgens vlak voor de zitting heeft afgezegd, is iets waar verweerder niets aan kon doen. Van klachtwaardig handelen is niet gebleken. Klachtonderdeel d) is ongegrond.
5.10    Er is vervolgens geen tolk aanwezig geweest tijdens de zitting van 17 mei 2024. Volgens klager zou verweerder hem daarom tijdens de schorsing van de zitting het advies hebben gegeven om de rechtbank te verlaten, zodat de rechtbank de behandeling wel zou moeten aanhouden. Dit is door verweerder betwist. De raad ziet in het dossier ook geen feitelijke onderbouwing voor dit klachtonderdeel. Uit het proces-verbaal van de zitting en verweerders e-mail van 22 mei 2024 leidt de raad af dat het ook voor verweerder onduidelijk is geweest waarom klager was vertrokken. Klachtonderdeel f) is ongegrond.
5.11    Verweerder heeft zich vervolgens ter zitting onttrokken aan de zaak. Op basis van gedragsregel 14 lid 3 geldt dat verweerder zijn opdracht zorgvuldig dient neer te leggen dat klager daarbij zo min mogelijk nadeel moet ondervinden. Verweerder heeft zowel op de zitting van 17 mei 2024 als in zijn e-mail van 22 mei 2024 toegelicht dat klager voorafgaand aan de zitting onverwachts een ander standpunt heeft ingenomen. Het was verweerder daardoor niet meer duidelijk wel standpunt hij namens klager diende te bepleiten op de zitting. De raad acht het begrijpelijk dat verweerder zich daarom in het geheel niet meer vrij voelde staan om klagers belangen nog verder te kunnen behartigen en dat hij daarom de keuze heeft gemaakt om zich te onttrekken. Dat klagers standpunt als gevolg daarvan in het geheel niet voor het voetlicht is gebracht ter zitting, acht de raad niet tuchtrechtelijk te wijten aan verweerder. Voor het onttrekken had hij ook geen toestemming nodig van klager of van de Raad voor Rechtsbijstand. Klachtonderdeel g) is ongegrond.
5.12    De raad stelt vast dat verweerder klager op 22 mei 2024 heeft geïnformeerd over het verdere verloop van de procedure na zijn onttrekking en wat de gevolgen van zijn van verweerders onttrekking. Ook heeft verweerder nadien nog het proces-verbaal van de zitting doorgestuurd aan klager en hem erop geattendeerd dat er een beschikking was afgegeven. Verweerder heeft in zoverre voldoende nazorg verleend. Klachtonderdeel h) is ongegrond. Dat verweerder geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking(en) van de rechtbank, is ook niet klachtwaardig. Verweerder had zijn werkzaamheden toen al geruime tijd neergelegd. Hij was niet gehouden om hoger beroep in te stellen namens klager. Klachtonderdeel i) is ongegrond.
5.13    De raad ziet niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld nadat (de gemachtigde van) klager hem heeft aangesproken wegens vermeende beroepsfouten. Verweerder heeft één dag later gereageerd dat hij zich daarin niet herkent. Verweerder was niet gehouden om de gestelde beroepsfouten, die hij in het geheel betwistte, nader te onderzoeken, te erkennen of te herstellen zoals klager betoogt. Bovendien heeft hij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar ingeschakeld. De raad ziet niet in waarom verweerder klager nog had moeten adviseren om elders advies in te winnen over een eventuele klacht of schadevergoeding. Daarvoor had klager zijn gemachtigde al ingeschakeld. Klachtonderdeel j) is ongegrond.
Overige klachtonderdelen
Klachtonderdelen k) en l)
5.14    Verweerder wordt verder verweten onvoldoende rekening te hebben gehouden met klagers taalachterstand, emotionele toestand en kwetsbare (financiële) positie. Volgens klager had hij daarom extra begeleiding en duidelijkheid nodig. Zo wijst hij op het ontbreken van een tolk, het niet voeren van een intakegesprek en gebrekkige informatievoorziening en begeleiding. De klacht vormt in zoverre een herhaling van de eerdere klachtonderdelen, waarvan een deel al gegrond wordt verklaard. De raad ziet geen aanknopingspunt om dit klachtonderdeel in aanvulling daarop gegrond te verklaren. Daarvoor is de klacht niet voldoend concreet gemaakt, anders dan een verwijzing naar andere klachtonderdelen. Wat betreft de gestelde taalachterstand is het de raad ook niet gebleken dat verweerder daar onvoldoende rekening mee heeft gehouden. Verweerder heeft toegelicht dat hij voornamelijk in het Turks met klager heeft gesproken. Hoewel hij het Turks minder goed beheerst dan klager, konden zij voldoende met elkaar communiceren. Dat is ook niet betwist door klager. Klachtonderdeel k) is ongegrond.
5.15    Verweerder wordt tot slot verweten ernstige financiële schade te hebben laten ontstaan door de door klager aangevoerde omstandigheden. De raad merkt op dat de tuchtrechter uitsluitend het handelen en nalaten van een advocaat beoordeelt. Als klager meent dat hij als gevolg van dat handelen of nalaten schade heeft opgelopen, dan is dat hij wat hij kan voorleggen aan de civiele rechter. Dit klachtonderdeel levert geen gegrond tuchtrechtelijk verwijt op. Klachtonderdeel l) is ongegrond.
Conclusie
5.16    Gelet op het voorgaande, zal de raad klachtonderdelen a), b), c) en e) gegrond verklaren. De klacht is voor het overige ongegrond.

6    MAATREGEL
6.1    Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde deskundigheid en gedragsregel 16, door belangrijke afspraken niet schriftelijk vast te leggen. Zo heeft verweerder de door hem gekozen strategie niet deugdelijk vastgelegd en waar nodig bijgesteld. Ook heeft hij niet voldoende proactief gehandeld bij het opvragen van (financiële) gegevens en documenten bij klager en heeft verweerder nagelaten om het taxatierapport in te dienen bij de rechtbank. De raad weegt bij de op te leggen maatregel mee dat verweerder meermaals een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen voor vergelijkbaar nalaten. Zo is op 30 november 2020 (ECLI:NL:TADRSGR:2020:189) een waarschuwing opgelegd vanwege een gemaakte beroepsfout en het nalaten om relevante stukken aan de rechtbank te overleggen. Op 25 juli 2022 (ECLI:NL:TADRSGR:2022:114) is aan verweerder een berisping opgelegd omdat verweerder zijn cliënt onvoldoende schriftelijk had geïnformeerd. De raad acht het gelet op verweerders tuchtrechtelijk verleden niet passend om te volstaan met een berisping. Daarbij betrekt de raad dat verweerder ook ter zitting onvoldoende heeft gereflecteerd op de noodzaak van de schriftelijke vastlegging, zeker wanneer een cliënt gedurende het proces wisselende standpunten inneemt. De raad zal daarom een geheel voorwaardelijke schorsing van twee weken opleggen.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.


 BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdelen a), b) c) en e) gegrond;
-    verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van twee weken op;
-    bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de navolgende voorwaarde niet heeft nageleefd;
-     stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
-     stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.
-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;
-        bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. W.R. Arema en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.