ECLI:NL:TADRSGR:2026:251 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-170/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:251 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-10-2026 |
| Datum publicatie: | 20-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-170/DH/RO |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht van een dochter over de advocaat van de moeder in een bewindvoeringskwestie. Klaagster heeft geen eigen, rechtstreeks betrokken belang bij de klachtonderdelen die gaan over verweerders declaraties aan haar moeder en de wijze waarop hij haar heeft bijgestaan in de procedures. Voor zover klaagster wel belang heeft in haar klachten, zijn deze ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 oktober 2026 in de zaak 26-170/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: D.B. Pathak
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 2 december 2025 heeft de gemachtigde van klaagster, namens klaagster,
bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de
deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 3 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2026/017 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 7 september 2026. Daarbij
waren klaagster, haar gemachtigde en verweerder aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 22.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Over het vermogen van de moeder van klaagster is bewind ingesteld. Aanvankelijk
zijn klaagster en haar zus (op hun eigen verzoek) bij beschikking van 4 april 2022
gezamenlijk benoemd tot bewindvoerder. Per 1 juli 2023 zijn zij op verzoek van moeder
ontslagen als bewindvoerder en is de heer V benoemd als nieuwe bewindvoerder. Klaagster
heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, maar zonder succes.
2.3 In dezelfde periode en daarna is geprocedeerd tussen de broer van de moeder
en (de bewindvoerder van) de moeder over de (omvangrijke) erfenis van hun vader, de
grootvader van klaagster. Verweerder heeft de bewindvoerder en de moeder hierin bijgestaan.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft excessief gedeclareerd bij de moeder, door astronomisch hoge
declaraties in rekening te brengen terwijl dat niet in verhouding staat tot de door
hem verrichte werkzaamheden en door hem ontstane vertraging. Klaagsters erfenis wordt
hierdoor aangetast. Verweerder heeft hierbij samengezworen met de advocaat van klaagsters
oom;
b) Verweerder heeft niet in het belang van de moeder gehandeld;
c) Verweerder heeft klaagsters rechten ontnomen door haar niet te betrekken bij
de procedures, terwijl hij wordt betaald uit haar erfenis;
d) Verweerder verschaft klaagster geen inzicht in zijn financiële administratie,
waaronder de declaraties die hij bij de moeder in rekening heeft gebracht;
e) Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling, door zowel
de moeder als haar bewindvoerder bij te staan als advocaat. Verweerder heeft de heer
V bewust bij de zaak betrokken om samen onrechtmatig gelden uit klaagsters erfenis
te verkrijgen. Ook heeft verweerder zijn kantoorgenoot ingeschakeld om de bewindvoerder
bij te staan in de bewindvoeringsprocedure, terwijl hij zelf de moeder en daarmee
van rechtswege klaagster bijstond;
3.2 Klaagster verzoekt de raad om de maatregel van schrapping op te leggen en
verweerder op te dragen zijn werkzaamheden voor de moeder neer te leggen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
5.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een
tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
5.2 Klaagster heeft geen eigen, rechtstreeks betrokken belang bij de klachtonderdelen
die gaan over verweerders declaraties aan de moeder en de wijze waarop hij haar heeft
bijgestaan in de procedures. Daarover heeft alleen de moeder een eigen, rechtstreeks
betrokken belang. Klaagster was op het moment van het indienen van de klacht niet
de bewindvoerder of anderszins gemachtigd om namens de moeder een tuchtklacht in te
dienen, zodat zij ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Dat
klaagster (hoogstwaarschijnlijk) ooit een erfenis zal krijgen van haar moeder, die
nog in leven is, vormt hoogstens een afgeleid belang. Dat geeft echter geen belang
om een tuchtrechtelijke klacht in te dienen namens de moeder tegen verweerder. Het
stellen van een mogelijk erfrecht bij overlijden is niet voldoende om het recht te
krijgen om over verweerders declaraties te klagen. Ook maakt dit niet dat verweerder
daarmee van rechtswege klaagster zou bijstaan als advocaat.
5.3 De raad zal klachtonderdelen a), b) en e) daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Klachtonderdelen c) en d) zijn wel ontvankelijk, omdat zij gaan over het handelen
dan wel nalaten van verweerder jegens klaagster zelf. De raad zal deze klachtonderdelen
hierna beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
Klachtonderdeel c)
5.4 Klachtonderdeel c) is ongegrond. De moeder van klaagster leeft nog, zodat
klaagster nog geen aanspraak kan maken op een erfenis of kindsdeel. Klaagster is juridisch
dus geen rechthebbende op het geld van haar moeder. Verweerder hoefde klaagster ook
niet te betrekken bij de procedures van de moeder. Alleen de moeder, vertegenwoordigd
door haar bewindvoerder, was zijn cliënte. Klaagster was dat niet. Klachtonderdeel
c) is ongegrond.
Klachtonderdeel d)
5.5 Hoewel begrijpelijk is dat klaagster zich zorgen maakt dat mogelijk misbruik
van het vermogen van haar moeder wordt gemaakt gelet op de hoogte van de declaraties,
is verweerder niet verplicht om klaagster inzicht te verschaffen in zijn declaraties
aan de moeder. Zoals hiervoor al is geoordeeld, was klaagster immers niet zijn cliënte.
Klachtonderdeel d) is ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a), b) en e) niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdelen c) en d) ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. W.R. Arema en M.M. van Wijk,
leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 19 oktober 2026.